Over het laatste, vetgedrukte stukje uit je reactie moest ik wat langer nadenken.ZWP schreef: ↑Gisteren, 08:16 Kun je het niet beter zo zeggen: de prediking is bedoeld om de gemeente op te bouwen in het geloof, niet om haar voortdurend in twee categorieën te verdelen.
Dan heb je beide aspecten toch? Het gaat om opbouwen in het geloof (dus dat heeft niet iedereen), en de oproep tot bekering klinkt, maar minder vanuit een vaste tweedeling van de hoorders.
Toch lijkt het mij van groot belang dat de NT-brieven vrijwel altijd de gemeente aan spreken als: heiligen, geliefden, broeders en als Gods gemeente.
De prediking moet niet moet beginnen met wantrouwen, maar met het aanspreken van de gemeente als Gods verbondsvolk!
Daarom komt hier ook een wat langere reactie.
Wat je zegt klopt volgens mij voor een deel, maar niet helemaal. Ik weet dat velen deze overtuiging hebben en dat respecteer ik.
Maar vanuit mijn eigen overtuiging kijk ik er zo naar:
Paulus spreekt de gemeenten inderdaad niet vanuit wantrouwen aan. Hij noemt hen de gemeente Gods, geliefden, broeders en heiligen. Maar “heiligen” is bij Paulus geen verzamelnaam voor iedereen die zich tijdens een samenkomst in dezelfde ruimte bevindt. Het is ook niet zomaar een benaming die voortkomt uit een veronderstelde verbondspositie.
In 1 Korinthe 1:2 noemt Paulus hen “de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen”. Hij omschrijft hen bovendien als mensen “die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen”. Dat laatste is belangrijk. Ik heb daar ooit een klein studietje over gedaan. De Naam des Heeren aanroepen betekent in de Bijbel niet eenvoudig dat iemand belangstelling heeft of graag naar een samenkomst komt. Het komt uit Joël 2:32: “Al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden.” Petrus haalt die woorden aan in Handelingen 2:21. Daarna verkondigt hij Jezus als Heere en als de langverwachte Messias en roept hij zijn hoorders op: “Bekeert u” (Handelingen 2:36–38).
Naar mijn overtuiging zijn gelovigen uit de volken niet langs een andere weg tot geloof gekomen. De apostelen verkondigden wat al in de Schriften was beloofd: mensen hoorden het Evangelie, bekeerden zich, riepen de Naam van de Heere aan en stelden hun vertrouwen op de Messias. Er is dus werkelijk iets gebeurd met de mensen die Paulus heiligen noemt. Zij hebben niet alleen het Evangelie aangehoord. Zij hebben de Naam van de Heere aangeroepen, zich bekeerd en Jezus als de Messias beleden. Zij zijn tot Hem gekomen en hebben zich aan Hem toevertrouwd... welke woorden je daar verder ook voor wilt gebruiken.
Ook in Handelingen 9 worden de volgelingen van Jezus herkenbaar aangeduid als degenen die Zijn Naam aanroepen. En bij Paulus zelf zie je dezelfde verbinding met zijn doop. Ananias zegt tegen hem: “Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren” (Handelingen 22:16).
Daarom kan Paulus de gemeenten ook als heiligen aanspreken en God voor hen danken: “Alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben” (Kolossenzen 1:3–4). Zijn dank rust dus niet eenvoudig op hun aanwezigheid in de gemeente, maar op hun daadwerkelijke geloof in Christus.
Zij worden heiligen genoemd omdat zij in Christus geheiligd zijn. Dat is hun nieuwe positie en identiteit voor God: niet alleen aanwezig bij de gemeente, maar door het geloof verbonden met de Messias.