Dit vond ik bij dr. P. de Vries uit 2018. Het zou goed zijn om dit samen te onderschrijven en in praktijk te brengen.Vrouwke schreef: ↑Gisteren, 11:27Dat ligt aan de uitwerking lijkt me.Gerardus2 schreef: ↑12 feb 2026, 11:38Het document, waarmee beide deputaatschappen hebben ingestemd, bevat een uitleg daarvan, afkomstig uit het boek ”Wet en Evangelie” van de GGiN uit 2019. De drie woorden zijn „niet bezwaarlijk”, mits de prediking „onderscheid maakt tussen de hoorders” en niet stelt „dat Christus voor alle hoorders gestorven is”. Ook citeert het document uit de Dordtse Leerregels en uit de leeruitspraken van de GG uit 1931. Verder wordt (opnieuw) gesteld dat het verschil tussen verbondsbeloften en Evangeliebeloften hetzelfde is als dat tussen voorwaardelijke en onvoorwaardelijke beloften.
Dit zinsdeel vind ik nogal verwarrend, of ligt dat aan mij?
Wat het vervolg op de vetgedrukte uitdrukt.
John Duncan merkte eens op dat hypercalvinisme alleen maar huis is en geen deur. Hij bedoelde dat de edelste hypercalvinistische predikers zeer diep en ontroerend konden spreken over de liefdesband tussen God en de Zijnen, maar nalieten onbekeerde hoorders op Christus als de toegangspoort te wijzen. Van het arminianisme zei Duncan dat het alleen maar deur was en geen huis. Het bevel van geloof klinkt keer op keer, maar welke rijkdom aan geloofsgemeenschap met Christus is verbonden, blijft onvermeld. Duncan had zeer grote waardering voor de Marrowmen, juist omdat zij zowel over datgene wat in het huis is vertellen als op de deur wijzen. Weinigen in de kerkgeschiedenis hebben, naar het oordeel van Duncan, zo klemmend verwoord dat elke zondaar welkom is bij Christus, als de Marrowmen.
De Marrowmen hielden iedere hoorder voor dat er voor hem een gestorven Zaligmaker is. Dat is helemaal in de lijn van Paulus’ woorden. Die predikte Joden en Grieken Jezus Christus als de gekruisigde Zaligmaker. Voor de Marrowmen was in de lijn van de zeventiende-eeuwse puriteinen de prediking niet in de laatste plaats een huwelijksaanzoek van Christus aan onbekeerden. Hij doet onbekeerden het voorstel of zij aan Hem als de Bruidegom van de ziel verbonden willen worden. Naast de uitdrukking aanbod van genade spraken zij dan ook over het aanbod van Christus. Eigenlijk gaat dat laatste nog dieper. Christus Zelf wordt de hoorders van het Evangelie aangeboden en in Hem alle geestelijke zegeningen die Hij heeft verworven. Daarmee onderscheidde hun prediking zich ook nadrukkelijk van het arminianisme. Zij boden niet een weldaad van Christus aan, namelijk Christus is voor u gestorven, om daarop te laten volgen: U moet dat geloven. Zij boden Christus Zèlf aan en hielden hun hoorders voor dat wij in geloofsvereniging met Hem deel krijgen aan al Zijn weldaden.