Valcke schreef: ↑03 jan 2026, 12:15
Toch denk ik dat in de discussie de inbreng van Bert Mulder veel serieuzer genomen moet worden.
Bv. deze passage:
Sproul schreef:Om deze moeilijke passage te begrijpen, moeten we kijken naar de bredere betekenis van de uitdrukking 'zonen van God'. In de eerste plaats wordt deze gebruikt voor Jezus Zelf; Hij is de Zoon van God. Zoals gezegd, wordt de uitdrukking soms gebruikt om te verwijzen naar engelen (Job 1:6; 2:1; Psalm 29:1). Ook wordt de uitdrukking soms gebruikt om te spreken over volgelingen van Christus (Matteüs 5:9; Romeinen 8:14; Galaten 3:26). Het concept van goddelijk zoonschap in de Schrift is dus niet altijd gekoppeld aan een biologische of ontologische relatie (een relatie van zijn). Het wordt veeleer vooral gebruikt om een relatie van gehoorzaamheid te beschrijven. Dit betekent dat Genesis 6 eenvoudigweg zou kunnen spreken over het huwelijk tussen mensen die in hun leven een patroon van gehoorzaamheid aan God vertoonden en mensen die heidens gezind waren. Met andere woorden, deze tekst beschrijft waarschijnlijk huwelijken tussen gelovigen en ongelovigen.
De directe context van Genesis 6 ondersteunt deze conclusie. Na het verhaal van de zondeval in Genesis 3 beschrijft de Bijbel de afstammingslijnen van twee families: die van Kaïn en die van Seth. De afstammingslijn van Kaïn wordt beschreven in Genesis 4 en toont een toenemende goddeloosheid, met als hoogtepunt Lamech, de eerste polygamist (Gen. 4:19), die zich verheugde in het moorddadige, wraakzuchtige gebruik van het zwaard (Gen. 4:23-24). De afstammingslijn van Seth, die in Genesis 5 wordt beschreven, daarentegen, toont rechtvaardigheid. Deze lijn omvat Henoch, die "met God wandelde en ... er niet meer was, want God nam hem weg" (Gen. 5:24). In de afstammingslijn van Seth werd Noach geboren, die "een rechtvaardig man was, onberispelijk in zijn geslacht" (Gen. 6:9; zie Gen. 5:28). Zo zien we twee afstammingslijnen: de ene gehoorzaamt God en de andere is Hem opzettelijk ongehoorzaam.
Daarom geloven veel Hebreeuwse geleerden dat Genesis 6 niet de vermenging van engelen en menselijke vrouwen beschrijft, maar de vermenging van de nakomelingen van Kaïn en Seth. De twee geslachten, een godvruchtig en een goddeloos, komen samen, en plotseling raakt iedereen verstrikt in het najagen van het kwaad, zodat "elke intentie van de gedachten van [de mens] alleen maar kwaad was, voortdurend" (Gen. 6:5). We hoeven geen invasie van de aarde door engelen te veronderstellen om dit hoofdstuk te begrijpen.
Ik heb geen enkele reactie gezien waar serieus op deze punten ingegaan is.
Ik kan hier wel wat op zeggen, proberen. Wat ik deel is niet ai maar een samenvatting van een artikel dat ik las over Zonen van God door een Joodse Rabbi online.
Het Hebreeuwse woord Elohim betekent letterlijk “machtigen”. In de Torah wordt het vaak gebruikt voor God Zelf, maar niet uitsluitend. Ook mensen met gezag, profeten, rechters en leiders, kunnen zo worden aangeduid. Dat zien we onder andere in Exodus 4:16, 7:1, 21:6 en 22:8. Wanneer Elohim naar God verwijst, benadrukt het Zijn macht en rechtvaardigheid; wanneer het op mensen wordt toegepast, gaat het om hun afgeleide autoriteit.
Vanuit dat taalgebruik begrijpen veel klassieke Joodse uitleggers de “zonen van God” in Genesis 6 niet als bovennatuurlijke wezens, maar als machthebbers, rechters of edelen. Hun “bevoorrechte” zonen namen met geweld vrouwen tot zich, zonder recht of bescherming. De “dochters van de mens” kunnen daarbij worden opgevat als vrouwen uit de lagere lagen van de samenleving (vgl. Psalm 49:3). Het kwaad vóór de zondvloed wordt zo getekend als structureel machtsmisbruik: juist degenen die recht en orde hadden moeten handhaven, werden onderdeel van het probleem. Deze uitleg vinden we terug bij een brede waaier aan Joodse commentatoren, waaronder Genesis Rabbah 26:8, Targum Onkelos, Targum Yonatan, en bij uitleggers als Rashi (eerste uitleg), Ibn Ezra, Radak, Ramban, Rabbenu Bechaye en Chizkuni.
Een verwante uitleg ziet de B’nei Elohim als de nakomelingen van Seth, of meer specifiek: de voornaamste, godvrezende lijn binnen Seths nageslacht. Zij worden “zonen van God” genoemd in morele en geestelijke zin, vergelijkbaar met Deuteronomium 14:1: “Jullie zijn kinderen van de HEER, jullie God.” Hun aanvankelijke geestelijke positie ging gepaard met kracht en een lange levensduur, maar juist dit meer religieuze deel van de samenleving verlaagde zich tot geweld en willekeur. Ook hier ligt de nadruk niet op het bovennatuurlijke, maar op moreel verval binnen de mensheid (Ibn Ezra, tweede uitleg; Ramban; R. Samson Raphael Hirsch).
De midrasjische engelen-uitleg
Tegelijk bestaat er in de Midrasj een andere benadering, waarin de verzen wél letterlijk worden betrokken op engelen. In die traditie daalden engelen neer, namen menselijke vrouwen en brachten een ras van reuzen voort (o.a. Pirkei d’Rabbi Eliezer 22; alternatieve uitleg bij Rashi en Ramban; Talmoed Yoma 67b).
Dat roept echter fundamentele vragen op: zijn engelen niet enkel boodschappers van God? En ondermijnt dit niet het klassieke Joodse godsbeeld? Een sleuteltekst binnen deze midrasjische traditie (Midrasj Aggadat Bereishit, inleiding) vertelt dat twee engelen, Uzza en Azaël, bezwaar maakten tegen de schepping van de mens. God antwoordde dat zij niet beter zouden handelen als zij zelf op aarde leefden. Zij daalden af, namen menselijke gestalte aan, en faalden. Het punt van dit verhaal is niet een kosmische rebellie in de hemel, maar juist het tegendeel: zodra engelen fysiek worden, worden zij menselijk en daarmee vatbaar voor zonde. Ook hier blijft het klassieke Joodse engelenbegrip intact:engelen in de hemel zijn geen autonome wezens die in opstand kunnen komen. Alleen wanneer zij tijdelijk een lichamelijke vorm aannemen, iets wat zelden gebeurt, kunnen zij falen. Zo verklaart Rashi bijvoorbeeld ook Genesis 19, waar engelen in menselijke gedaante optreden. Zelfs deze midrasjische uitleg leert dus niet dat engelen als engelen zondigen, maar dat het mens-zijn zelf het probleem is.
PS van mij: geen idee hoe ze dat bij Lucifer/satan zien.
Over gezag: Torah versus uitlegtraditie (mijn voorlopige conclusie)
Midrasj, Talmoed, Rambam en andere rabbijnse geschriften zijn géén Torah. Ze zijn uitleg, reflectie en doordenking, waardevol, soms diepzinnig, maar niet normatief op hetzelfde niveau als de Schrift. Binnen het Jodendom bestaat ruimte voor meerdere lezingen, juist omdat deze teksten niet bindend zijn als openbaring. Daarom geldt: de overheersende Joodse lezing van Genesis 6 blijft menselijk en moreel, niet mythologisch. De tekst beschrijft het ontsporen van macht, recht en verantwoordelijkheid binnen de mensheid zelf. De engelen-uitleg bestaat, maar functioneert als midrasjische verbeelding, niet als Torah-doctrine. Dat maakt ook duidelijk waarom deze passage geen fundament vormt voor speculaties over demonische voortplanting of alternatieve mensheid: de Torah zelf legt daar geen accent op.
Wie zich op de Joodse traditie beroept, moet haar ook Joods lezen: midrasj is geen Torah en rabbijnse verbeelding is geen vaststaande waarheid. Jezus beriep Zich nooit op de ouden als gezaghebbend. Dat verklaart ook de verbazing bij de mensen: En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen als machthebbende, en niet zoals de schriftgeleerden.
---
Ik neig daarom naar wat Valcke hierover zegt en indirect Bert Mulder/Sproul.