Long Reads

Gebruikersavatar
Posthoorn
Berichten: 7732
Lid geworden op: 04 dec 2008, 11:22

Re: Long Reads

Bericht door Posthoorn »

Knijper? Zal wel Kuyper zijn. Loop deze stukjes nog eens na op foutjes voor je ze plaatst,- DIA-! Zo staat er ook een keer 'alleen' als het 'allen' moet zijn.
Gebruikersavatar
J.C. Philpot
Berichten: 10745
Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08

Re: Long Reads

Bericht door J.C. Philpot »

Ik denk dat Hervormd-gezinden zich beter op ds. G. Boer kunnen oriënteren, als op Van Ruler. Van Ruler zal best een kundig theoloog geweest zijn, maar ik zie hem nu niet direct als een betrouwbaar geestelijk leidsman.
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.

George Whitefield
Bertiel
Berichten: 6583
Lid geworden op: 14 sep 2018, 08:49

Re: Long Reads

Bericht door Bertiel »

Toch sprak ds op 't Hof met waardering over dr van Ruler hoewel hij hem niet in alles kon volgen
Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.

Gib dich zufrieden und sei stille
-DIA-
Berichten: 34202
Lid geworden op: 03 okt 2008, 00:10

Re: Long Reads

Bericht door -DIA- »

Posthoorn schreef: 27 aug 2025, 09:09 Knijper? Zal wel Kuyper zijn. Loop deze stukjes nog eens na op foutjes voor je ze plaatst,- DIA-! Zo staat er ook een keer 'alleen' als het 'allen' moet zijn.
Dit heb ik ook gedacht, maar toch lijkt 'Knijper sr.' wel juist. Er was in de 19e inderdaad een dr. Knijper.

Blijkbaar was er later dan ook een dr. Knijper sr. Of het eerste ging over dr. Knijper jr. Hier kom ik ook nog niet uit. Wel is zoveel duidelijk dat het blijkbaar toch geen verschrijving is, want ook in andere artikelen van dezelfde schrijver wordt naar dr. Knijper verwezen.
© -DIA- 33.965 || ©Dianthus »since 03.10.2008«
Marijn_M
Berichten: 242
Lid geworden op: 28 feb 2024, 13:23

Re: Long Reads

Bericht door Marijn_M »

-DIA- schreef: 27 aug 2025, 09:53
Posthoorn schreef: 27 aug 2025, 09:09 Knijper? Zal wel Kuyper zijn. Loop deze stukjes nog eens na op foutjes voor je ze plaatst,- DIA-! Zo staat er ook een keer 'alleen' als het 'allen' moet zijn.
Dit heb ik ook gedacht, maar toch lijkt 'Knijper sr.' wel juist. Er was in de 19e inderdaad een dr. Knijper.

Blijkbaar was er later dan ook een dr. Knijper sr. Of het eerste ging over dr. Knijper jr. Hier kom ik ook nog niet uit. Wel is zoveel duidelijk dat het blijkbaar toch geen verschrijving is, want ook in andere artikelen van dezelfde schrijver wordt naar dr. Knijper verwezen.
IK denktoch dat het Kuyper moet zijn hoor. En het is best ingewikkeld om te lezen allemaal. Dank voor het delen. Als ik dit naast de Bijbel leg, zie ik vooral dat bij Van Ruler het verbond te breed en automatisch wordt gemaakt: “wij staan allemaal op de bodem van Gods genade.” Daarmee schuift hij het onderscheid dat de Schrift wél maakt, naar de achtergrond toch?
KDD
Berichten: 2322
Lid geworden op: 17 okt 2020, 21:40

Re: Long Reads

Bericht door KDD »

Petrus Immens schreef:
Maar ten tweede heb ik vooral nog een woord tot Gods volk, tot hun bemoediging en besturing.

A. Hier zal een kleinmoedige en bekommerde mogelijk weer geschud zijn en zeggen: ja, ik durf wel niet ontkennen, als ik mij onderzoek aan de laagste trappen van het geloof, als hongeren, dorsten, begeren en uitzien, dat ik dat ondervind. Maar als ik hoor welke vruchten het geloof heeft, dan vrees ik evenwel, dat het nog geen waarheid is, want dan zou ik het nu of dan ook wel eens ondervonden hebben. Maar ik vraag u:

1. Acht u hen niet gelukkig en zalig, die verwaardigd worden om zo in vriendschap met God te leven, dat ze die hartelijke blijdschap mogen ondervinden? Is het niet dikwijls uw wens: Och, of ik het ondervond? Waar anders komt die hoogachting en begeerte vandaan dan omdat u die goederen in hun dierbaarheid hebt leren kennen?

2. Kan iets, dat in de wereld is, u wel enige wezenlijke blijdschap en vergenoeging geven? Is het alles in uw oog niet schade en drek, als u het beschouwt bij dat goed, dat in de gemeenschap met God wordt genoten? zou u uw twijfelachtig en bestre- den deel aan God en al de zalige goederen, die Hij in Zijn gemeenschap schenkt, wel willen verwisselen met alles wat op aarde is? Is God u niet dierbaarder dan alles?

3. Hebt u wel enige roem in uzelf? Zou u wel met enige van uw deugden voor God durven komen? Is al uw roem niet alleen in de Heere, in de gerechtigheid van Jezus? Hebt u niet leren afzien van eigen gerechtigheid, eigen wijsheid en eigen kracht? Verfoeit u het niet, zo het ooit in uw hart op zou komen om u te beroemen op iets, dat in u is? Maar integendeel, moet u niet erkennen, dat u maar zondig stof en as zijt, een onwaardig schepsel, in uzelf walgelijk voor God?

4. Bent u niet vast gezind om het evenwel bij de Heere te houden, al was het dat Hij u niet verkwikte, al moest u uw wegen in veel duisterheid bewandelen? Als de Heere Jezus u eens vroeg, zoals Hij aan Zijn discipelen .deed: wilt gij niet weggaan? Zou u niet antwoorden met Petrus: "Heere, tot wie zou ik gaan? Gij hebt alleen de woorden des eeuwigen levens", Joh. 6 : 68? Het ga dan hoe het ga, de Heere make het hoe Hij het make, is dan niet uw betuiging: liever wil ik aan Jezus voeten sterven, dan leven in de zonden en de wereld? Wel, is dat geen bewijs, dat het u om God te doen is, dat Zijn gunst u boven alles dierbaar is?

5. Hoewel u zo klaagt, dat u die heugelijke geloofsvruchten nog nooit gesmaakt hebt, zou u evenwel, zonder ontrouw aan God te zijn, wel durven ontkennen, dat u er bij bevinding iets van kent, al is het dan niet in die hoogste mate? Heugen u niet wel zulke stonden, dat u onderscheiden kon of God met Zijn licht en invloed ver van of nabij uw hart was? Wanneer u al eens in uw eenzame binnenkamer met God worstelde in gebeden en tranen, als uw hart in zoveel liefde naar God uitging; als ál wat in de wereld is zo laag en klein in uw oog werd, ondervond u toen een stille kalmte en aangename vergenoeging in uw ziel? Waren die tranen van zondenbelijdenis, van liefde-uitgangen, u niet tot meer blijdschap dan al de vreugd, die u ooit in enige dingen op aarde hebt ondervonden? Moest alle wereldvreugde daar niet voor wijken? En als God u eens tot zware posten riep, daar u in uzelf onmachtig toe waart, hebt u niet wel eens kunnen roemen op Zijn kracht? Werd die niet in uw zwakheid volbracht, zodat u kon heengaan in de mogendheid des Heeren? Hebt u nooit enige eerstelingen van de hemel ondervonden in een heersende, onverdeelde en hartelijke liefde tot God en de Heere Jezus? En is het uw tederste lust niet om in een hemelsgezinde wandel het voorbeeld van de hemelingen na te volgen? Ondervindt u deze dingen, al hebt u dan die gevoelige bevinding van die vrede, blijdschap en roem niet in die mate, gelooft evenwel dat u er de beginselen van bezit, en stelt de Heere geen perk om een meerder mate van genade. Bedenkt dat God vrijmachtig is en dat Zijn hoogste wijsheid weet wat u nodig hebt. En als u het nodig hebt, zal Hij het u ook niet onthouden. Veracht de dag van de kleine dingen maar niet, maar wees dankbaar voor het minste, dat u moogt genieten. Acht het uw voorrecht door het geloof te leven in een stil aankleven, uitzien en wachten op de God van uw heil, al was het uw ganse leven, tot uw dood toe. Dan zal God u mogelijk nog verkwikken. O, hoe menigmaal gebeurt het, dat veel klagenden in bekommering en duisterheid heengaan, hun ganse leven door, maar dat God hun op het laatst, op hun doodbed, nog zó veel bevinding van Zijn liefde geeft, dat de hemel al in de ziel daalt eer de ziel nog in de hemel is, en zij overstelpt worden met hemelse, heerlijke en onuitsprekelijke vreugde, waardoor zij kunnen roemen in de dood en uitroepen: "Al ging ik ook door een dal van de schaduw des doods, ik vrees niet, want God is met mij, en Zijn stok en staf vertroosten mij!" Psalm 23 : 4.
KDD
Berichten: 2322
Lid geworden op: 17 okt 2020, 21:40

Re: Long Reads

Bericht door KDD »

Hier een voorbeeld van iemand die geen verwachting meer had en was ook niet aan het afwachten meer. Alle hoop van herstel was, in zijn beleving, voorbij. Maar toch gered door die Hemelse HeelMeester!
ds. W.C. Lamain schreef:
De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder. Johannes 5 : 7

Christus bemoeit Zich met hopeloze gevallen II

Toen Christus in de zaal kwam waar die man lag en hem aansprak, zeide die man wel: „Heere", maar dat was dezelfde beleefdheidsgroet ais bij de Samaritaanse vrouw. Zij zei oök: „Heere", maar kende Ohristus evemin, Jeznis zag die man liggen en Jezus wist, dat die man daar al lang gelegen had. De Heere Jezus heeft daar getoond, dat Hij de alwetende God was. Mensen moesten het Hem niet vertellen hoedanig de omstandigheden van die man waren. Er is niets en niemand voor Hem verborgen. Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend. En wat 'was 'het niet een 'voorecht, dat de Heere Jezus die man zag liggen, maar inzonderheid', dat Hij hem aansprak. Die man zag Jazus niet toen Hij daar binnen kwam, en die kranke man heeft tot Christus niets gezegd Neen die man lag niet te wachten op de Heere Jezus; oh neen, geliefden, die man wist van geen Heere Jezus af. Dat was nu hier in een natuurlijke weg, maar zo is bet geestelijk ook. Wij zijn in het Paradijs Gods beeld verloren, en mitsdien ook de ware kennis. Ons verstand is door de zonde verduisterd, en de waarheid zegt het ons zo duidelijk, dat er niemand is, die naar God zoekt en naar God vraagt. Wie zal nu Christus recht kennen, dan alleen door de openbaring en verlichting van Gods Geest? Steeds groter en breder wordt de schare in onze dagen, die zich vijandig betoont tegenover het vrije en eenzijdige werk Gods. Wat hebben vele mensen hun mond vol van de Heere Jezus. „Wij moeten het Evangelie hebben", roept men. Spreek wel van de Heere Jezus. Wek de mensen toch op om te geloven. Geef ze toch wat in hun handen. Laat ze toch niet ledig van u gaan, De Heere Jezus heeft toch ook gezegd tot Zijnen discipelen, toen Hij de schaare aanzag: „Geeft gij 'hun te eten". Volg toch dat voorbeeld. Dat is naar Gods Woord. Oh, wat zal ik op dat alles antwoorden? Wij zullen maar met het laatste beginnen. Toen de Heere Jezus Zijn 'discipelen beval: „Geeft gij hun te eten", zat daar een schare hongerige mensen. Ails ze niets gekregen hadden, waren ze op de weg bezweken. En dan nog wat anders. Dat weinige, dat er was, dat "werd eerst door Christus gezegend en toen werd het uitgedeeld, en de schare werd verzadigd. En vervolgens, het is waar; neen, wij hopen dat nooit tegen te spreken, Christus moet gepredikt worden. Laat er te dien opzichte maar nooit een stilzwijgen Zijn. „Roep die Naam maar "uit". Predik het Evangelie aan alle kreaturen. Bedek Christus maar nooit. 'De zaligheid is in geen anderen, en 'daar is onder de hemel geen andere naam gegeven dooj- welke wij mioeten zaMg worden.

Maar.... Ja, wat maar? Laat me eens horen, zo zegt de menigte in onze dagen! Die man in Bethesda 'lag daar al achtendertig jaar. Wij liggen al in de ellende zo lang als we op de wereldzijn, onder vloek en toorn. Wij zijn in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren. De zonde van Adam wordt ons naar Gods rechtvaardig oordeel toegerekend, en het is naar Gods eeuwig getuigenis, dat wij dood liggen in zonden en in misdaden. Zag nu maar eens eerlijk: hebben wij nu van nature iets te doen met onze zonde en met onze doodstaat? Zien wij nu uit naar Christus? Liggen wij nu té wachten, opdat wij onze mond tot Hem zullen openen? Och neen, geliefden, hoe ellendig en rampzalig wij ook zijn, daar is geen plaats voor Christus, daar is geen behoefte aan Hem. Als het van ons beginnen moest, dan zal het wel nooit gebeuren. Ja maar, hoort ge een ander weer zeggen, maar dan de verantwoordelijkheid van de mens? Is dan een mens een stok en een blok? O neen, wij willen niets van de verantwoordelijkheid afdoen. Ik wijs met alle vrijmoedigheid die laster af, alsof wij de verantwoordelijkheid van de mens loochenen. Laat men ons maar bewijzen, waar en wanneer dat wij geleerd hebben, dat de mens niet aansprakelijk is voor zijn leven en voor zijn daden. Wij zijn en blijven verantwoordelijk uit kracht van onze schepping naar Gods beeld, en ook omdat wij leven onder de prodiking van wet en Evangelie. Maar vele mensen willen van de verantwoordelijkheid een Zaligmaker maken, en dat ; zal nooit kunnen. Wij zijn niet als een stok en een blok, maar zijn en blijven redelijke schepselen. Wij zijn niet dood als de mensen die op het kerkhof liggen, maar wij zijn vijandig dood. Zó vijandig dood, dat wij in Adam afscheid van God hebben genomen om nooit meer tot God terug te keren; en zo vijandig dood, dat Christus van ons gezegd heeft: „Gij "wilt tot Mij niet komen, opdat igij het leven zoudt hebben". De oppervlakkige godsdienst van onze dagen miskent de doodstaat in Adam, en verloochent ook tegelijk de onmisbare bediening en werking van God de Heilige Geest.

Hoe zullen wij ook zonder zaligmakende genade onze doodstaat in waarheid overnemen? Wij willen niet bekeerd wonden zoals God Zijn volk bekeert, en wij willen niet uit genade zalig worden. Alles wat in de mens is, komt er tegen op. En dan, zoals het altijd nog geweest is, de mens wil het begrijpen, maar wij moeten altijd bedenken, dat wij geen begripsleer hebben, maar een geloofsleer. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn, zij zijn hem een dwaasheid. Wanneer God ons ontdekt en eerlijk maakt met onszelf, dan zal de mens het wel willen bekennen, dat wanneer het van ons komen moet, dan is het voor eeuwig een afgedane zaak. Daar is van 's mensen zijde geen verwachting.

Maar nu zag Christus die man liggen, en Hij sprak hem aan. En zie, dat is nu noodzakelijk voor de mens, die van nature dood ligt in zonden en in misdaden. Van eeuwigheid heeft God in Zijn soeverein welbehagen en eeuwige liefde in Christus op Zijn volk neergezien. Hij ziet op hen in het uur der minne en Hij spreekt hen aan. De ure komt en is nu, dat de doden aullen horen de stem, des Zoons van God, en die ze gehoord hebben zullen leven. O, wat een eeuwig wonder. En als we nu hier in waarheid wachten en zeggen: „Heere, zie op mij in 'gunst van boven; spreek maar één woord, en Uw knecht zal gezond wonden", dan heeft het eigenlijk als plaats gehad. Dat is het wonderlijke in het Goddelijke werk. Die mens kan dat niet bezien, wanneer die roerselen van dat waarachtige leven openbaar worden, en gelukkig maar ook, want dan waren wij te vroeg bekeerd. Alle mensen zullen dit wel niet vatten, maar ik hoop van harte, dat er voor u allen een tijd mag aanbreken, al zou het over tien, twintig of meer jaren zijn, dat ge het zult toestemmen. Dat zal een bewijs zijn, dat ge op „school zijt. Er is zoveel te leren, en ook af te leren. Wat wij beginnen, dat zal eindigen in de dood, maar wanneer God het goede werk in ons begint, dat zal Hij het ook voleindigen 'tot op de dag van Jesus Christus. Oppervlakkig beschouwd was 'het een eigenaardige vraag, die Christus aan deze man, die al achtendertig jaar krank was, deed, namelijk; „Wilt gij gezond worden? "

Wij zouden zeggen: die vraag was eigenlijk overbodig. Die man had al zovele jaren geprobeerd om beter te worden, en welk ziek mens zou dat niet begeren? Toch lag er een diepe betekenis in die vraag. Volgens de taalkundigen luidde de vraag eigenlijk: Hebt gij een wil? Wenst gij, verlangt gij gezond gemaakt te worden? Die vraag door Christus gedaan, moest waarschijnlijk dienen, om verlangen en uitzicht in de man te verwekken en hem enigermate te bereiden voor de zegening, die hem zou geschonken worden. Door al de teleurstellingen, die de man opgedaan had, in zovele jaren, was de hoop op beterschap als het ware vergaan en uitgedoofd. Hij lag daar wel bij dat water, maar och, het was schier onmogelijk, ziende op zijn toestand, om te geloven, dat hij nog ooit opstaan zou.

Christus bemoeit Zich met hopeloze gevallen III

Hulpeloos en moedeloos lag die man daar terneer. De andere patiënten lagen maar te turen naar het water met gratig verlangen, maar deze man deed het niet meer. Hij lag daar maar stil en moe. Zij ogen hadden alle glans en hoop verloren, ze waren dof geworden van droefheid en moedeloosheid. Hij had al lang de hoop op genezing opgegeven. Wat baatte hem dat water en wat baatte hem die engel? Er was toch geen doen aan om in het water te komen. Die man lag daar vele jaren in bitter verdriet. Geen hoop, geen verwachting. Zulke zielen zijn er hier en daar nog. Vroeger hebben ze wel eens geloofd, dat het nog kon, later nog wel eens gehoopt, maar och, zij zijn zo diep moedeloos, dat van geloof geen sprake meer is; en wat de hoop betreft, die is vergaan als rook. Het is in zijn hart: Wat zal ik nog langer op de Heere wachten? Zij zien anderen gezond het ziekenhuis verlaten, maar zij moeten maar blijven liggen. Zij zullen straks wel in hun ellende sterven, zonder dat er ooit uitkomst is gekomen. Zij zullen — zo zeggen ze van binnen — met hun geloof en met hun hoop wel beschaamd uitkomen.

Er wordt wel eens gezegd: moed scheppen uit eens anderen behoudenis. Nou, dat gebeurt wel, maar het heeft ook genoeg plaats, dat het ons nog dieper neerdrukt, ja soms brengt als aan de rand van de wanhoop. De vijand maakt er ook gebruik van. En dan schreeuwen zij van binnen: Je kunt wel zien dat God je voorbijgaat; dat Hij geen acht op je slaat; het is nooit Gods werk in je ziel geweest. Je bent maar een huichelaar; je hoop is als de hoop van een hypocriet. Geef alles maar op. Ga maar terug naar de wereld; je zinkt straks toch in de hel. Ja, soms is het van binnen zo verschrikkelijk, dat zij zeggen: breek maar met alles. Denk je nog, dat er een; God bestaat? Geloof je ook langer met sommige van die dwaze mensen, dat er een hemel en een hel is? O, wat is dat gespot soms schrikkelijk, ja ondragelijk. David, in Psalm 42, had er ook kennis aan. En al die zielen, die er door gefolterd worden, weten bij eigen ervaring, dat zij geen kracht hébben in zichzelf, om die spotters de mond te stoppen; zij zijn in hun diepe val die spotters toegevallen en dat blijft een smartelijke gewaarwording. En toch, als het van binnen waar is, dan zal de vijand toch nooit de overhand krijgen, hoezeer hij onder de toelating dat volk kan kwellen. Al de duivels uit de hel kunnen met al hun geweld toch niet wegnemen, wat God op de bodem van him hart gelegd heeft. En wat dat is? (Psalm 130 : 3):
Ik blijf de Heer' verwachten; Mijn ziel wacht ongestoord. Ik hoop, - in al mijn klachten. Op Zijn onfeilbaar woord. Mijn ziel, vol angst en zorgen. Wacht sterker op de Heer', Dan wachters op de morgen; De morgen: Ach, wanneer?

En nu het antwoord, dat de gedurende reeds 38 jaar kranke man aan Christus gaf. „Heere, ik hëb geen mens om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder". Wat is de arme mens toch blind en ellendig. Ja, er wordt wel eens gezegd: het vat geeft uit, wat er in is. Wij zouden verwacht hebben, dat die man zou gezegd hebben: Heere, met beide handen aanvaard ik het. Heere, U zijt de grote Medicijnmeester. U hebt nog nooit anders dan wonderen gedaan aan ellendigen. Heere, help mij; Heere, maak mij gezond; red en genees mijn arme ziel. Maar och, de man was zo dood, dat hij Christus niet kende en geen behoefte aan Hem had. Hij zag Christus als een gewoon mens. Hij had de allerminste gedachte niet, dat Christus het kon doen; en nog veel meer dan zijn lichaam, dat Hij ook de Machtige en Gewillige was om zijn ziel te verlossen van het eeuwige verderf. Doch nu gaf die man alleen maar getuigenis van het hopeloze van zijn toestand, en dat zijn vertrouwen op mensen beschaamd was geworden. Zelf bezat hij geen kracht, en van Christus een totale vreemdeling; ja, zelfs geen gedachte, dat God het doen kon. Wat is toch de mens! Wij kunnen wel aannemen, dat die man, die reeds 38 jaar krank was, een Jood was, dus wel onder de waarheid was groot gebracht. Maar toch met dat alles zelfs geen hoop op God en geen uitzien op de Almachtige. Het wordt wel openbaar, dat de mens in zijn val in het Paradijs niet veel, maar alles verloren is; en dan zien wij, ook al heeft de mens nog wat godsdienst, dat het toch weinig betekent in de grond van de zaak. Het is alleen de Geest, Die levend maakt, en dan is er ook een waarlijk benodigen van de Heere in alles en tot alles. Dan zijn onze ogen geduriglijk op de Heere, hoezeer wij onszelf veroordelen moeten, dat het vaak zo harteloos en liefdeloos is. God onderhoudt Zijn eigen werk.

En nu tenslotte, de Heere Jezus had Zich wel van die man kunnen terugtrekken en gezegd hebben: Die man vraagt Mijn hulp niet; eigenlijk ontkent hij Mijn macht, maar neen, Christus' lust was om aan ellendigen wel te doen; Hij kwam niet om geëerd te worden, maar wel om Zijn heerlijkheid te bewijzen. Het was van alle kanten een hopeloos geval met die man. Ook daar in Bethesda kwam het openbaar, in welk een diepte van ellende wij onszelf gestort hebben. In het Paradijs hadden we God lief, maar ook onze naaste, doch na de val leeft elk maar voor zichzelf. Er was geen mens, die in dat Bethesda zich over die man ontfermde, die daar reeds 38 jaar gelegen had. Er was in dat ziekenhuis geen sterveling, die tot die lamme man zei: Ga jij nu eerst in, want: gij hebt al zovele jaren hier gelegen. Neen, ieder denkt alleen aan zichzelf en aan zijn eigen leed. Wij duwen elkander maar weg en vertrappen elkander maar. Maar zie, daar bemoeit Zich nu Christus mee. De waarheid zegt: „De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat" (Spr. 14 : 20). En nu betoont Zich Christus hier, de enige, onfeilbare Vriend van de vriendeloze, en Helper van de hulpeloze. „Sta op, neem uw beddeke op en wandel", waren de woorden, die Christus tot die lamme man sprak. En hier, evenals in andere dengelijke gevallen (Markus 3 : 5; Lukas 17 ; 14), is het blijkbaar, dat er met de woorden van Christus wonderdadige, helende kracht van Hem uitging. „Hij preekt maar en het is er; Hij gebiedt maar en het staat er"'. Wat niet één mens op de wereld doen kan, vermag de Zoon des mensen, omdat hij waarachtig en eeuwig God is. Terstond stond die man op; hij werd gezond, nam zijn beddeke op en wandelde. Het beddeke was waarschijnlijk een lichte matras of dik kleed, waarvan men in warme landen gebruik maakt om op te slapen. Dat die man onmiddellijk opstond en zelf zijn beddeke opnam en wandelde, was een bewijs, dat hij volkomen genezen was. Ja, de Heere doet geen half werk. Ons werk is altijd maar gebrekkig, maar dat is niet zo bij Christus. Bij de schepping van de wereld lezen wij: „En God zag al wat Hij gemaakt had, en het was zeer goed". Hier is hetzelfde in betrekking tot de wonderen, die Christus verheerlijkt heeft, beide naar ziel en lichaam. Er kleven nooit enige gebreken aan het werk Gods. En ook in dat wonder aan de lamme man bewezen, is het openbaar geworden en bevestigd, dat Christus was de waarachtige God. Nooit heeft iemand gesproken zoals Hij het deed; maar ook nimmer zijn er op de wereld zulke wonderen geschied als door de almachtige hand van Christus. Hij heeft als Borg al onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen. O, dat hij de heerlijkheid van Christus mochten aanschouwen, met vernedering en blijdschap des harten. Alle middelen, die door die man waren aangewend, hadden gefaald; en steeds was die man te laat gekomen als het water beroerd werd, en nu, ja nu zo onverwacht en ongedacht, is die man genezen van een kwaal, waarmede hij aangetast was voor achtendertig jaar. God doet wonderen, ja Hij alleen.

Grand Rapids (U.S.A.)
Met deze meditaties uit de Saambinder wil ik mijn tijd hier op de forum eindigen. Omdat dat ik de tijd nodig heeft voor een nieuwe project heb ik geen tijd om te forummen meer. Allemaal het goede toegewenst. :hi
Iemand
Berichten: 126
Lid geworden op: 09 okt 2023, 17:56

Re: Long Reads

Bericht door Iemand »

Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons, 2 Kor. 4:7.
Alexandre Morus schreef: Wat de grootheid van deze genade betreft: wij moeten haar beschouwen, of in de verschillende namen die haar gegeven worden, of in de verschillende taferelen die haar voorstellen… Er zijn twee mysteries die de mens altijd heeft proberen te verderven door vleselijke zinnen, en die de Schrift steeds heeft willen verhelderen met extreme zorg: het eerste is onze vereniging met Jezus Christus door het geloof, het tweede is onze bekering tot God, door Zijn genade. Want de heilige Apostelen, en boven allen de heilige Paulus, hebben overal gezocht: in de natuur, in de wet, in de kunsten, in de hemel en op de aarde om daar hiëroglyfen aan te ontlenen, of (om Christelijker te spreken) types en afbeeldingen en gewijde voorstellingen van deze twee weldaden van de Heere...

Wij zouden denken veel gedaan te hebben als wij de mens beschouwd hebben in zijn blindheid, in zijn verdorvenheid, dood in zijn zonden, en in het niets, onder Gods hand: maar dit alles zou gering zijn, als wij daarbij waren blijven staan, want dit alles is slechts negatief. Niet zien, niet wedergeboren zijn, niet leven, in het geheel niet zijn, blindheid, het ontbreken van een nieuwe geboorte, de dood en het niets vormen slechts een deel van onze ellende, het kleinste deel, want zij bestaat niet voornamelijk in het ontbrekende of in het ontkennende, maar in formele hebbelijkheden en in een daadwerkelijke haat van de zondaar tegen God. De mens is blind, hij ziet niets, maar zijn grote ellende bestaat hierin: dat hij ziet wat er niet is en dat hij een vals licht heeft, duizend keer erger dan de duisternissen, wat hem laat dwalen en verloren gaan. Dit licht heet de voorzichtigheid van het vlees, en is vijandschap tegen God, Rom. 8:7. De onwedergeboren mens kwijnt in zijn oude Adam en wil niet opnieuw geboren worden, maar zijn grote ellende is dat deze oude Adam jong en niet oud is in hem, want u zult zien dat de Schrift de verdorvenheid van de zondaars geen ‘oude Adam’ noemt, maar wel de resten van de verdorvenheid van de gelovigen, omdat Adam in alle zondaars vers, sterk en krachtig is. De mens is dood in zijn fouten, in zijn overtredingen, Efe. 2:1, maar hij is nog meer medelijden waard omdat hij, terwijl hij dood is in zijn zonden, niet kan sterven aan de zonde. Maar in een ander opzicht leeft hij voor de zonde, en is hij dood voor de gerechtigheid. De mens moet opnieuw geschapen en als uit het niets getrokken worden, en bijgevolg is het ondenkbaar dat hij de minste neiging of gesteldheid heeft om de genade te ontvangen. Het is waar, maar dit is niet alles, het is zelfs het belangrijkste niet, want het belangrijkste is dat hij in deze chaos alle tegenovergestelde en strijdige neigingen en gesteldheden verbergt.

Men bediscussieert overal of Gods genade zodanig is dat men haar zou kunnen weerstaan. Ik weet wel dat zij zodanig is dat men haar niet kan overwinnen, zij heeft een te voortreffelijke kracht, maar ik weet ook wel dat de zondaar niets anders kan dan haar weerstaan voordat wij met haar verzoend zijn, of voordat zij de overwinning op ons behaald heeft. Het kan niet zo zijn dat hij haar niet afstoot, dat hij haar niet bestrijdt, dat hij zich niet met al zijn vermogen wapent tegen haar.

Wilt u dan een compleet idee krijgen van onze verdorvenheid, en tegelijkertijd een idee krijgen van de onoverwinnelijke kracht die God moet aanwenden om haar te overwinnen (want men oordeelt uit de enormiteit van het kwaad voldoende over de grootte en de heerlijkheid van het middel): beeld u een blindgeborene in, die de doeken met zalf verscheurt, die men op zijn ogen legt, die de modder en het slijk van de Zaligmaker neemt, en Hem dat in het gezicht werpt; beeld u een Nicodemus in, die niet alleen niet wedergeboren wil worden en daarmee spot, alsof hij opnieuw in de buik van zijn moeder moest gaan, maar die verder terugkeert tot zijn oude zonden, en die zijn begeerten omhelst (die vijanden van God zijn), in de aanwezigheid van God zelf; beeld u een Lazarus in, die, als de Zaligmaker hem roept: kom uit, antwoordt met lastering dat hij dat niet zal doen, terwijl hij voor het daglicht vlucht als voor de dood, ja als voor erger dan de dood, en die zich omhult met zijn grafdoeken en meer en meer wegkruipt in zijn verrotting; beeld u tot slot een kind in, wat God opnieuw wil scheppen van een massa modder, wat Zijn hand ontglipt en Zijn vingers ontvlucht, wat Zijn adem niet kan verdragen en zich terugwerpt in zijn chaos, en tegen Hem zegt: wat maakt Gij, hebt Gij zo weinig vaardigheid in Uw werk, en dat deze modder zich daarna bij de reuzen voegt, en de wapens opneemt tegen de hemel: en u zult dan enigermate begrijpen hoe de kracht moet zijn die God over de zondaars aanwendt, aangezien zij gelijk moet zijn aan die kracht die Hij aanwendt over al deze voorwerpen om ze te verlichten, te wederbaren, op te wekken, te scheppen, te verzoenen en te overwinnen.

Maar wij zijn nog niet aan het einde, en als wij gezegd hebben dat de zondige mens zich aan de kant van de reuzen schaart, dan zouden wij beter gezegd hebben: aan de kant van de duivelen. U kunt het niet horen zonder verschrikking, maar u moet het horen met een volmaakte vreugde, want u bent daarvan gerechtvaardigd, want u bent daarvan geheiligd, zoals de heilige Paulus spreekt, 1 Kor. 6:11. Nee, het is niet genoeg als wij de zondige mens geplaatst hebben in de duisternissen van een diepe nacht, noch in de kerker en als in de buik van zijn eerste moeder, noch in de bodem van een grafspelonk, noch in de afgrond van een niets en chaos, wij moeten hem nog lager plaatsen. Waar dan? In de hel. Beef niet, want u was daar, en zonder Christus zou u daar nog zijn. Waarom denkt u dat Hij daarin is afgedaald, anders dan om u daaruit te trekken? Waren wij geen kinderen des toorns, Efe. 2:3, waren wij geen vijanden van God, Rom. 5:10? Elke vijand van God is een slaaf van satan, die de grote tegenstander van God is; en wie God niet als Vader heeft, heeft de duivel als vader, want hij doet zijn werken, Joh. 8:41. Wij moeten een God hebben: of de God des hemels of de god dezer eeuw, 2 Kor. 4:4; wie voor Mij niet is, is tegen Mij, zei onze Heere, Luk. 11:23. Hij is het salaris van satan, hij krijgt het loon van de zonde, Rom. 6:23, hij strijdt onder zijn banieren. Want doen wij dood waren in onze zonden, zegt de heilige Paulus, wandelden wij volgens de loop van deze wereld, volgens de vorst van de macht der lucht, die de geest is die met kracht werkt in de kinderen der rebellie, Efe. 2:2. Dat is waarom de heilige Jakobus de aardse wijsheid duivels noemt, Jak. 3:15, omdat zij een vijand van God is, zoals wij zeiden, en de heilige Johannes nog uitdrukkelijker: die zonde doet is van de duivel, hij is, zegt hij, zijn kind. Welnu, Hij is verschenen, voegt hij toe, om de werken van de duivel te verbreken, 1 Joh. 3:8, 10. Want door de dood heeft Hij de keizer van de dood vernietigd, namelijk: de duivel, die ons, door de vrees voor de dood, heel ons leven onderwierp aan de dienstbaarheid, Hebr. 2:14, 15. Wanneer was dat? Toen Hij de overheden en de machten publiek meevoerde, Kol. 2:15, toen werd de wereld overtuigd van gerechtigheid en van oordeel. Van gerechtigheid, omdat Hij gerechtvaardigd werd in de geest, 1 Tim. 3:16, toen de Vader Hem verklaarde te zijn Zijn Zoon in macht, door de opstanding, Rom. 1:4, als door een definitief en plechtig vonnis tegen de beschuldigingen van satan en van Zijn vijanden, omdat satan tegelijkertijd veroordeeld werd, en onttroond door de afschaffing van de wet en van de zonde, die hem van zijn legioenen voorzagen, en volledig verjaagd werd buiten het lichaam van de Kerk, wat hij bezat door doodsvrees, die verzwolgen werd in overwinning.

Welnu, alles wat onze Heere gedaan heeft in Zijn lichaam, dat vervult Hij in onze harten. Hij laat daar geboren worden; Hij laat daar sterven; Hij wekt daar op; Hij kruisigt de oude Adam daar; en wat meer? Hij vernietigt daar het werk en het beeld van de satan, en daarover komt een gedachte bij ons op, die niet op zijn plaats is, maar dat maakt niet uit, namelijk: dat dit mogelijk één van de redenen is waarom de Apostel zegt dat God jegens ons die geloven de voortreffelijkheid aanwendt van diezelfde kracht die Hij aangewend heeft, niet jegens Lazarus, waar Hij niets anders moest doen dan de dood overwinnen, maar in Jezus Christus, toen Hij Hem opwekte, Efe. 1:19, 20, ondanks satan en tot zijn verwarring, en dat Hij, opvarende in de hoogte, een menigte gevangenen gevankelijk voerde, Psalm 68:19, toen men satan van de hemel zag vallen, Luk. 10:18, omdat Hij, in de bekering van de zondaar, in één tempo en met dezelfde kracht de restanten van Zijn overwinning volbrengt. Hij komt Zijn vijand verjagen van deze nieuwe post, die hij ingenomen had in onze harten, en verbrijzelt satan onder onze voeten, en verlost ons uit de macht der duisternis, en brengt ons over in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde, Kol. 1:13. O arm van de Eeuwige, o wonderlijke kracht!

Kom mij nu tot deze aarden vaten zeggen, tot mensen, wie zij ook zijn, dat zij hetzelfde doen; dat zij deze leeuw zijn prooi ontrukken; dat zij deze satan ontwapenen; dat zij de poorten van zijn hel neerhalen; dat zij deze sterke, goed gewapende man verjagen uit zijn hotel, en dat zij hem alle wapens ontnemen waarop hij vertrouwde; en dat zij zijn buit verdelen! Hiervoor is een sterkere nodig dan hij, en zij. Er is geen mens, geen Engel tot iets dergelijks in staat, en dit is ons een zeer grote troost, want als de schepselen in staat geweest waren ons aan de satan te ontroven om ons aan God te geven, dan zouden zonder twijfel deze zelfde schepselen in staat zijn ons weer onder het juk van satan te brengen en ons van God te scheiden, maar er is geen schepsel geweest in de hemel, noch op de aarde, wat ons heeft kunnen wegrukken uit de hel: er zal dus ook geen schepsel zijn in de hemel, noch op de aarde, wat ons uit de hemelen zal kunnen wegrukken. Noch de dood, noch het leven; noch de hoogte van de hemelen, noch de diepte van de afgronden; noch de Engelen, noch de aarts-Engelen hebben iets gedaan om de heilige Paulus tot God te bekeren, en op dit fundament roept hij met goede reden uit dat hij verzekerd is dat noch dood, noch leven; noch hoogte, noch diepte; noch Engel, noch overheid, noch macht; noch enig ander schepsel in staat is om hem te scheiden van Gods liefde in Jezus Christus, Rom. 8:38, 39.
Gebruikersavatar
Arja
Berichten: 2835
Lid geworden op: 30 mei 2019, 15:57
Contacteer:

Re: Long Reads

Bericht door Arja »

Van één van mijn lievelings - oudvaders

Middelen voor hen die Jezus reeds liefhebben: om in liefde tot Hem toe te nemen

Bid gestadig om meer liefde tot God en de Middelaar. Het gebed is het voorname middel, dat God ingesteld heeft, om alles wat nodig is, te verkrijgen.
Zo heeft Christus gezegd:
Bidt en gij zult ontvangen, wie bidt, die ontvangt, Matth. 7:8.
Al wat gij de Vader bidden zult in Mijn Naam, dat zal Hij u geven,
en Ik zal het doen, Joh. 16:23; Joh. 14:13 en 14.

Paulus bad voor de Efeziërs die hij als heiligen en broeders aansprak, dat ze liefde mochten ontvangen van God de Vader en de Heere Jezus Christus, Ef. 6:23. En tegen de Filippenzen zegt hij: Dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen, Filipp. 1:9.

Houd sterk aan in al uw gebeden, opdat de Heere uw liefde tot Hem en tot Zijn Zoon zou willen vermenigvuldigen, en eis met zoveel pleitredenen dat uw liefde sterk en brandend zou mogen worden.

Zeg Hem, dat u niet het minste tot uw liefde kunt toedoen, hoewel u moet bekennen dat Hij oneindig beminnelijk is. Zeg Hem, dat liefde een vrucht is van Zijn Geest, een straal die van Hem afkomt, Die de Liefde Zelf is;
dat Hij heel gemakkelijk dat liefdevuur, dat door Him in uwe hart ontstoken is, verder kan aanwakkeren; dat het tot Zijn eer en tot stichting van anderen en tot uw voordeel zal strekken; dat Hij beloofd heeft te zullen doen wat u in Zijn Naam en naar Zijn wil zou eisen; dat het een verbondsbelofte is het hart naar Zijn liefde te besnijden; dat Hij anderen, die het ook onwaardig waren, een grote mate van liefde tot Zichzelf gegeven heeft; dat uw liefde anders teveel naar schepselen zal uitgaan, enzovoort.

Maar als u om een meerdere mate van liefde bidt, dan moet u vooral drie dingen in groter mate verzoeken, waardoor God onze liefde meer ontsteekt, te weten:

Bid om meer licht,
om meer ijver,
en om meer genieting van Zijn liefde.

Bid in de eerste plaats om meer licht van de Geest, om verdere ontdekking van al wat Christus zo beminnelijk maakt; om meer van de Geest der wijsheid en openbaring omtrent Christus en Zijn werken en weldaden; zo zult u ook hiermee meer vervuld en ook naar Zijn beeld veranderd worden, Ef. 5:18; 2 Kor. 3:18.

Bid in de tweede plaats om meer ijver van de Geest, om u in een vlam van liefde te zetten. Hij doopt met vuur en Geest. Of, om het anders uit te drukken, hoewel het hetzelfde is: Bid om meer wind van de Geest, opdat die u meer aanblaze en uw uitgedoofde kool zal doen gloeien. Dit was het gebed van de bruid, toen zij zei: Ontwaak, o noordenwind, en kom gij zuidenwind, en doorwaai mijn hof opdat zijn specerijen uitvloeien, Hoogl. 4:16.

Bid in de derde plaats om meer genieting, meer omhelzing, meer verzegeling, meer gevoelige ondervinding van Zijn liefde aan uw hart.

Zo deed de bruid toen zij zei:
Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; trek mij;
Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
Want zij wist uit ondervinding,
dat zij krank werd van liefde
als de Koning haar in Zijn binnenkamer bracht,
of in het wijnhuis voerde, Hoogl. 1:2 en 4; 2:4.

Jacobus Koelman
-DIA-
Berichten: 34202
Lid geworden op: 03 okt 2008, 00:10

Re: Long Reads

Bericht door -DIA- »

DANKDAG
O land, land, land, hoor des Heeren woord.
Jer. 22:29.

Geliefden,
Zo is de tijd weer aangebroken dat alom in het land de dankdagen weer zullen gehouden worden. Een seizoen van zaaiing en oogst ligt weer achter ons en de Heere heeft het gewas des velds haar vruchten weer overvloedig doen voortbrengen, zodat er zaad is voor de zaaier en brood voor de eter. De graanschuren zijn rijkelijk gevuld en onze winkels hebben de ene voorraad na de andere voorraad mogen uitgeven. Wij zijn nog niet aan de verwoesting en het oorlogsgeweld overgegeven en voor andere rampen en onheilen gespaard gebleven. Het is enkel de goedertierenheid des Heeren welke over ons en onze kinderen is uitgestrekt en waarom wij nog niet zijn vernield. De Heere heeft mens en beest nog gezegend met tijdelijke weldaden. Ook de dieren hebben nog niet behoeven te roepen naar de hemel vanwege droogte en honger. Wat zijn de weldaden voor de tijd dan toch groot welke de Heere ons nog heeft geschonken en gelaten. Ook in deze geldt het: „Vergeet ze niet, want het is God die ze u bewees". Maar toch onder de vele weldaden was er geen verootmoediging, maar juist een volharden in het kwaad en in het afwijken van de rechten en inzettingen des Heeren. De ongerechtigheid heeft hand over hand toegenomen. En wel in het bijzonder in het schone zomerseizoen dat achter ons ligt. Met God en zijn Woord wordt geen rekening meer gehouden. Ondanks de ernstigste vermaningen, danst en raast men voort op de weg der ongerechtigheid, uitroepende: „Waar is de dag Zijner toekomst? "

Het oordeel drukt, de tijd is zeer donker en de toekomst is onheilspellend. En onder dat alles geen stem of opmerking meer. De Heere haalt Zijn volk binnen en de rechtvaardige wordt weggeraapt voor de dag des kwaads en er is niemand die het ter harte neemt. Dansen en springen op een ondergaande wereld. Alles maakt zich rijp voor het ontzaglijke oordeel. Dankdag houden met de ongerechtigheid in de hand, dat kan het oordeel alleen maar verzwaren. Ook waar men nog mag verkeren onder Gods Woord. Wat zijn de twistingen des Geestes toch spaarzamelijk geworden. Als een Lais volk stil en gerust gaat men over het algemeen zijn weg. Wel een uitleven van de val en weinig inleven van de val wordt er waargenomen. En dan behoeven wij echt niet zo ver van huis te gaan. O, dat het door Goddelijke genade toch eens opgemerkt mocht worden. Dat het ware beleving mocht worden: „Wij hebben God op het hoogst misdaan en wij zijn van het heilspoor afgegaan".
O land, land, land, hoor des Heeren woord. Jeremia moest profeteren in een zeer boze tijd. Het volk van .Juda ging voort in het bedrijven der ongerechtigheid. En de Heere stond gereed om het oordeel te volvoeren hen brengende in Babel en stad en tempel verwoestend. Het ganse land zou ontbloot gaan worden en enkele armen des lands zullen daarin overblijven. Het heerlijke erfdeel zal weldra gesteld worden tot een totale verwoesting. Ook het koningshuis dat het volk voorging in de zonden, zou het ontzaglijke oordeel niet ontgaan. Chonia zou weggevoerd worden, zijn heerlijkheid verliezen en als een veracht man sterven in een land, wijd van begrip. Deze man zou kinderloos sterven en niet voorspoedig zijn in zijn dagen. Ja, niemand van zijn zaad zou voorspoedig zijn, zittende op de troon van David en heersende meer in Juda.

En dan die betekenisvolle woorden van onze tekst: „O land, land, land, hoor des Heeren woord". Moesten wij ook dit woord niet uitroepen op de dankdag die wij nu hopen te houden ? Moest dat woord onze aandacht niet hebben in deze ontzettende tijden? O land, land, land! Met welk een ernst en beweging roept de Heere hier tot een zich van Hem afkerig volk. Hoort des Heeren woord. Dat woord dat Hij zo menigmaal door Zijn knechten de profeten tot hen gesproken heeft. O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heeren woord. Ben Ik Israël een woestijn geweest of een land van uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen? O land, land, land, hoort toch des Heeren woord, waar Hij u toeroept: Bekeert u, bekeert u, want waarom zoudt gij sterven en verloren gaan? Riep de Heere in ons tekstvers tot het afgekeerde volk van Juda, moesten dan nu Gods knechten niet roepen op deze dankdag: O Nederland, o Nederland, Nederland hoort toch des Heeren woord.

Bekeert u toch een iegelijk van zijn boze wegen. Maar niet alleen tegen een in de zonden zich uitlevend volk, maar ook tot hen, die onder de waarheid mogen verkeren komt dit Goddelijke woord. Van nature is er niet een die acht geeft op des Heeren woord. Nee, dan zijn wij er geheel afkerig van. O, dat wij toch mochten opmerken eer het besluit zal baren.
Wij vrezen in deze dankdagtijd dat het oordeel doorgaat en de Heere weldra de zonden zal gaan bezoeken met Zijn geduchte oordelen. Het land gaat ten onder in bloedschulden. Gods dag wordt schromelijk ontheiligd door overheid en onderdaan. Zijn Woord wordt veracht en er wordt geen acht meer op geslagen. Het land waar weleer de zuivere leer der waarheid met het bloed der martelaren bezegeld werd, gaat onder in een zielsverderfelijke leer van algemene verzoening. Duizenden bij duizenden worden misleid voor een ontzaglijke eeuwigheid. En Mijn volk heeft het gaarne alzo; zegt de Heere. De geest der onverschilligheid neemt hand over hand toe onder jong en oud.
Het is alsof er niets aan de mens behoeft te gebeuren. De totale doodstaat des mensen wordt allerwege geloochend zelfs onder degenen die zich Reformatorisch noemen. O land, land, land, hoor des Heeren woord. Dat klinkt ons nog tegen ook in deze dankdagtijd. Eerlang zal de Heere de kandelaar van Zijn Woord gaan weren uit dit land en het staat te vrezen dat het tot zout zal over gegeven worden. U zult zeggen: De Heere zal toch tot het einde der dagen Zijn Kerk op aarde hebben? Dat is zeker! Maar zal zij straks nog in Nederland gevonden worden ? Had de Heere Zijn Kerk niet in Klein Azië? Wat is daar van overgebleven? Misschien moeten wij straks Gods Kerk gaan zoeken in Rusland. Want wee hen, indien Ik van hen zal geweken zijn. En nu weet ik, dat als dit gelezen wordt, er misschien wat om geglimlacht wordt en men meewarig zijn schouders ophaalt, maar weet het toch dat God geen ledig aanschouwer is van al de ongerechtigheid en eigengerechtigheid. Er helpt geen waarschuwen meer aan. Elk gaat rustig zijn weg, alle banden verscheurend en de touwen van zich werpend.
Ook onder ons neemt de wereldgelijkvormigheid steeds meer toe. Er is bijna geen onderscheid meer te zien. Meisjes met zeer korte rokken en jongens in witte broeken of zgn. spijkerbroeken komen rustig naar Gods huis. Ambtsdragers zonder hoofddeksel gaat men steeds meer zien. De ernst en de eerbied is weg. O land, land, land, hoor des Heeren woord. Het zit hem niet in het uiterlijke! Nee, maar het komt wel openbaar wat er van binnen huist. De eenvoud is weg en de vreze is weg. Dankdag houden en doorgaan in de verharding des harten kan geen zegen afwerpen.
O, dat de Heere er nog eens over op mocht staan en Zijn Goddelijk werk onder ons mocht verheerlijken. Opdat we mochten opmerken en een wederkeren gevonden mocht worden. Het zal toch wat zijn als de lieden van Ninevé in het oordeel tegen ons op zullen staan. Dat wij er achter mochten komen wat tot onze eeuwige vrede is dienende voor dat de Heere het duister maakt en ons geheel en al zal gaan verlaten. Dat het God behagen mocht om op dankdag Zijn volk in de breuk te zetten als een wenend priesterdom, tussen het voorhuis en tussen het altaar. Hij vernedere onze harten en geve een ware boetedag op dankdag opdat schuld nog eens waarlijk schuld mocht worden. Hij geve Zijn knechten getrouwheid om niet af te laten en te roepen: O land, land, land, hoor des Heeren woord. En mocht het woord door de Heilige Geest op het hart gelegd worden tot opmerking en waarachtige bekering. O, dat de Heere dat onder ons nog geve dan zal er op de dankdag een biddag geboren worden.
Amen.

Ds. A. Verhoeks, Dankdag 1989 (uit De Wachter Sions)
© -DIA- 33.965 || ©Dianthus »since 03.10.2008«
Gebruikersavatar
Posthoorn
Berichten: 7732
Lid geworden op: 04 dec 2008, 11:22

Re: Long Reads

Bericht door Posthoorn »

...ambtsdragers zonder hoofddeksel... :jongle
Zeeuw
Berichten: 13126
Lid geworden op: 19 sep 2018, 08:28

Re: Long Reads

Bericht door Zeeuw »

Posthoorn schreef: 05 nov 2025, 09:59 ...ambtsdragers zonder hoofddeksel... :jongle

Ik vind het laatste stuk vooral lastig. Is er ook maar iets van verwachting van de Heere en Zijn werk?

O, dat de Heere er nog eens over op mocht staan en Zijn Goddelijk werk onder ons mocht verheerlijken. Opdat we mochten opmerken en een wederkeren gevonden mocht worden. Het zal toch wat zijn als de lieden van Ninevé in het oordeel tegen ons op zullen staan. Dat wij er achter mochten komen wat tot onze eeuwige vrede is dienende voor dat de Heere het duister maakt en ons geheel en al zal gaan verlaten. Dat het God behagen mocht om op dankdag Zijn volk in de breuk te zetten als een wenend priesterdom, tussen het voorhuis en tussen het altaar. Hij vernedere onze harten en geve een ware boetedag op dankdag opdat schuld nog eens waarlijk schuld mocht worden. Hij geve Zijn knechten getrouwheid om niet af te laten en te roepen: O land, land, land, hoor des Heeren woord. En mocht het woord door de Heilige Geest op het hart gelegd worden tot opmerking en waarachtige bekering. O, dat de Heere dat onder ons nog geve dan zal er op de dankdag een biddag geboren worden.
-DIA-
Berichten: 34202
Lid geworden op: 03 okt 2008, 00:10

Re: Long Reads

Bericht door -DIA- »

1989 - 2025
© -DIA- 33.965 || ©Dianthus »since 03.10.2008«
Gebruikersavatar
Arja
Berichten: 2835
Lid geworden op: 30 mei 2019, 15:57
Contacteer:

Re: Long Reads

Bericht door Arja »

Aantekeningen van Gods voorzienigheid

In het licht van de grote en vele voordelen die voortkomen uit een nederige en zorgvuldige waarneming van Gods voorzienigheid, ben ik ervan overtuigd dat het belangrijk is dat christenen, die tijd en vermogen hebben, schriftelijke aantekeningen of dagboeken van Gods voorzienigheid bijhouden, voor hun eigen nut en tot zegen van anderen. Doordat zulke ervaringen niet worden verzameld en doorgegeven, worden niet alleen wijzelf, maar ook de Kerk van God verarmd.

Men zegt dat de geneeskunde op deze manier is ontwikkeld: wanneer iemand een bijzondere geneeskrachtige plant vond en de werking ontdekte, maakte hij dit bekend, en zo werd kennis verzameld tot nut van velen. Ik zeg niet dat een christen alles wat hij ervaart moet openbaar maken ... maar er is een wijze, nederige en passende manier om ervaringen van Gods voorzienigheid te delen, die zeer nuttig is, zowel voor onszelf als voor onze broeders en zusters.

Als christenen in het lezen van de Schrift zorgvuldig zouden opmerken hoe God handelt, en dat opschrijven, en daaraan toevoegen wat zij in hun eigen tijd en ervaring zien, wat een kostbare schat zou dat zijn! Wat een krachtig middel tegen het toenemende ongeloof van onze tijd, en hoeveel sterker dan vele andere argumenten zou het ons overtuigen: “De HEERE is God; de HEERE is God.” (1 Koningen 18:39)

Zoete waarnemingen

Ikzelf ben geholpen en verblijd door een nuttig boekje van een onbekende schrijver, die veel Schriftteksten over Gods voorzienigheid gebruikt, teksten die buiten het gewone zichtveld liggen. Enkele daarvan heb ik voor mezelf genoteerd, omdat zij mij zoet waren. Och, dat christenen zich met zulke dingen zouden bezighouden! Gods voorzienigheid draagt ons leven, onze vrijheid en al onze zaken ieder moment. Ons brood ligt in Zijn kast, ons geld in Zijn beurs, onze veiligheid in Zijn armen. Het minste wat wij kunnen doen is de weldaden die wij uit Zijn hand ontvangen, optekenen.

Vertrouw het geheugen niet, maar noteer Gods werken

Vertrouw uw zwakke geheugen niet met zoveel opmerkelijke ervaringen als u hebt gehad en nog zult hebben op de weg naar de hemel. Het is waar dat dingen die ons diep raken niet gemakkelijk worden vergeten, en toch worden oude indrukken vaak uitgewist door nieuwe. Zoals dr. Harris zei:

“Mijn geheugen heeft mij nooit in de steek gelaten,
omdat ik het nooit durfde te vertrouwen.”

Schriftelijke aantekeningen bewaren ons daarvoor, en maken onze ervaringen bovendien nuttig voor anderen wanneer wij er niet meer zijn, zodat wij onze schatten niet allemaal meenemen naar de hemel, maar kostbare erfenissen nalaten aan hen die na ons komen. Zeker, het verlies van uw ervaringen met Gods zorg zou groter zijn dan het verlies van uw zilver of bezittingen. Maar sluit deze schatten niet alleen op in een boek, alsof het genoeg is ze op te schrijven. Keer er regelmatig naar terug, vooral wanneer nieuwe noden, angsten of moeilijkheden u aanvallen.

Vraag dan: “Ben ik nooit eerder zo benauwd geweest als nu? Was dit mijn eerste moeite?” Gedenk, zoals Asaf: “Ik denk aan de dagen van ouds” *(Psalm 77:5). Wees ervoor op uw hoede vroegere zorgen en uitreddingen gering te achten vergeleken met de huidige. Wat dichtbij is lijkt altijd het grootst. Maar uw angsten waren toen niet minder, en Gods trouw was toen niet kleiner. Bewaar daarom niet alleen de herinnering, maar ook de waarde en indruk van Gods voorzienigheden. En de vrucht daarvan zal zoet zijn.

John Flavel (uit The Mystery of Providence)

https://www.monergism.com/thethreshold/ ... Flavel.pdf
-DIA-
Berichten: 34202
Lid geworden op: 03 okt 2008, 00:10

Re: Long Reads

Bericht door -DIA- »

Wij zijn nu weer gekomen aan de avond van het jaar 2025. Wat is het nog maar kort geleden dat ik op de nieuwjaarsdag tegen mijn broer zei: We zijn nu 2025 begonnen, maar zullen we het jaar nog mogen eindigen?
Ik had zelf het gevoel: het kon het laatste jaar wel zijn. En nu zijn we weer aan de avond van dat jaar. Maar we zijn nog niet in het nieuwe jaar. Laten we maar bedenken dat we niet oud behoeven te zijn om het nieuwe jaar niet meer te beginnen.

Vandaag las ik een stukje van een predikant die jaren geleden in onze gemeente heeft mogen dienen. Toen hij schreef wat ik las was het in het jaar 1964. Ik was zelf nog een kind. Maar ik weet heel goed hoe het was in dat jaar. We zien vele veranderingen.
De predikant die in 1964 onderstaande schreef zag toen ook veel wat hem verontrustte. Als we dit zo lezen kunnen we wel eens denken: Als deze prediker onze tijd eens had mee moeten maken, hoe zou hij daar onder zijn? Zou hij hier kunnen leven onder deze druk en oordelen? Maar hij is hier niet meer. God heeft hem weggenomen voor deze dag van het kwaad dat we nu zien, en wat hij niet behoefde mee te maken, maar wat hij als het ware wel van verre zag.
Laten wij eens luisteren wat hij schreef in 1964. Voor sommigen kan het ontdekkend zijn. Want het is ook een zekere waarheid dat velen de tijd waarin wij samen leven niet doorgronden.
Ik zal hieronder het stukje laten volgen wat ik vandaag las. De bron is voor hen die het na willen zien, digibron:

https://www.digibron.nl/zoeken/jaar/196 ... m-oplopend

Aan de vooravond van...
Neen, het is geheel mijn bedoeling niet om te gaan profeteren; ik ben geen profeet, noch eens profeten zoon. Wij hebben in Gods raad niet gekeken, en het is geboden en raadzaam om verre, zeer verre van dat terrein af te blijven. De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God, Deuteronomium 29:29. Het past ons niet als dwazen in onszelf, en "kortzichtig" als wij zijn, in te dringen in dingen, die voor ons te hoog zijn. Ook te dezen opzichte kunnen wij beter bidden dan profeteren!
Doch anderzijds is het ook te veroordelen, sterk te veroordelen, om maar gedachteloos* voort te leven. Wij zijn redelijke schepselen, en wij hebben naar het getuigenis van Christus Zelf: Mozes en de profeten. Ja, gelijk wij lezen in 2 Petrus 1:10, het profetische woord, dat zeer vast is, en waarop wij acht moeten geven, 'als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Met welk een heilige ernst heeft Christus tijdens Zijn omwandeling op aarde het ons toegeroepen acht te geven op de tekenen der tijden. "En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik u allen: Waakt", Markus 13:37.

Het is het werk van de wachter, wanneer hij het zwaard ziet komen over het land, om met de bazuin te blazen en , het volk te waarschuwen, Ezech. 33:2. O, wat een gewichtvol en hoogst verantwoordelijk werk is Gods knechten toebetrouwd. Zeker, de wachters op Sions muren mochten geduriglijk al de dag en al de nacht niet zwijgen. „O gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen, totdat Hij bevestige en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde", Jeremia 62:67. Doch het mag nimmer eenzijdig zijn; het eerste doen en het andere niet nalaten. Wij lezen ook in Jesaja 58:1: „Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jacobs hun zonden") Jesaja 58:1. En denk dan ook aan Jeremia, die van de Heere dé boodschap kreeg: "Gij dan, gord uw lendenen en maak u op en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal: wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla".

En Ezechiël werd vermaand om niet te vrezen, hoewel weerwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont. Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij u horen zullen, of dat zij het laten zullen (Jesaja 2:6-7). En helaas het is in onze dagen niet anders. Wat wordt er geijverd in onze dagen, om zoals het genoemd wordt: "De Schrift te verklaren, het Evangelie te verkondigen", de mensen te dringen te geloven enz. O, het klinkt alles zo geweldig, maar - maar - het is over het algemeen alles zo leeg, zo koud, en zo dood. Wel een voorwerp, maar geen onderwerp. Wel wordt er gezegd, hoe het moet zijn, maar zo weinig, hoe het is, en hoe het gaat. Nog na zovele jaren klinkt het soms in mijn oren, dat één onzer onvergetelijke en geliefde leraars zei in een preek: Paulus wist hoe het was, maar ook hoe het ging. Petrus moest op Goddelijk bevel afsteken naar de diepte, en daar is het voedsel voor Gods kerk. Wet en Evangelie moet gepredikt: die twee bazuinen moeten geblazen worden. Welk profijt zou het voor ons hebben, al zou de gehele wereld vol zijn met zalf, als wij geen wonden hebben? Dan zijn al de medicijnen waardeloos voor ons. Een hongerige ziel is alle bitter zoet, maar een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem. Het kwaad moet open gelegd, en de zonde moet bestraft worden. De bestraffende man in de poort wordt zo gemist. Het is over het algemeen: "Spreek tot ons zachte dingen". Ja, een mens wil niet verontrust worden, en eerlijk gezegd, hij wil maar bedrogen worden voor de eeuwigheid. Onze ouden spraken en schreven over een eenzijdig Godswerk, maar nu gaat het zachtjes aan afglijden naar een leer, waarvan wij straks niet anders zullen kunnen zeggen dan: een eenzijdig mensenwerk. Wij zijn gewaarschuwd; het is ons voorzegd. Maar wie heeft er acht op geslagen?

Ik schreef hierboven: aan de vooravond van (ik zal het nu maar verder neerschrijven, wat in mijn gedachten was) de afval. Christus heeft in Zijn omwandeling op aarde, inzonderheid aan het einde van Zijn leven, voor Zijn sterven, ons niet onbekend gelaten met hetgeen er plaats zou grijpen voordat Hij andermaal wederkomen zou om te oordelen de levenden en de doden. Hij sprak van de vervolging van de kerk, maar ook van de verleidingen des satans en van het diepe verval, dat in de kerk aanschouwd zou worden. Christus heeft te dien opzichte duidelijke taal gesproken. Ook de apostel Paulus heeft in enkele van Zijn doorluchte brieven over de afval geschreven, zie 2 Thess. 2, 1 Tim. 4 en 2 Tim. 3. Volgens de verklaring die door onze kanttekenaars is gegeven, zal het een afval zijn van de zuiverheid des Evangelies.

Er wordt niet gezegd, dat er geen godsdienst meer zijn zal. O neen, een groot gedeelte van de wereld is vervuld met godsdienst. Vele steden en dorpen lijken op Athene, waar Paulus van schreef in Handelingen 17:22. Ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt. De ene kerk na de ander verrijst, ener is geen eind meer aan de genootschappen en sekten, die als paddenstoelen uit de grond opkomen. Bij duizenden en miljoenen guldens worden er geofferd om een kerkgebouw te krijgen naar de eisen des tijds. De één wil boven de ander uitsteken en uitblinken. Paleizen van kerkert verrijzen er; van alle gemakken voorzien, en ingericht op zodanige wijze, dat men alles onder één dak heeft: het vlees kan er ook gevoed worden. En het is inderdaad met de vermenigvuldiging van de godsdiensten: Elk wat wils. Maar wanneer het tot het punt komt, het aller voornaamste punt: wat is de grondslag, waar gaat het om? dan al het antwoord niet bevredigend en bemoedigend kunnen zijn.

De algemene christelijke kerk is de heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende van Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. En dan de merktekenen van de ware kerk, waar toch elke kerk aan getoetst moet worden, zijn: zo de kerk de reine prediking des Evangelies oefent, indien zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft, zo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen. En de rechte verkondiging van het Woord is daar, waar God op het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd wordt. Waar de drie stukken van ellende, ' verlossing en dankbaarheid gepredikt worden op de grondslag van Gods onfeilbaar, dierbaar en alleen tot zaligheid leidend Woord. Waar voor niets anders plaats is dan voor de verkondiging van de leer van 'vrije genade, met uitsluiting van alle werk en bewegingen van de mens, wiens gerechtigheid voor God toch niet anders is dan een wegwerpelijk kleed. Ik zal het voor ditmaal niet verder uitbreiden. Doch in die enkele regels, overgenomen van hetgeen onze vaders ons hebben geleerd, is het duidelijk genoeg, dat wij onderscheid moeten maken tussen de ware en de valse kerk. De wereld is vol met kerkgebouwen, maar als het er op aan komt, dan is er maar ene ware Kerk. En dat is die Kerk, waar gebogen wordt, en erkenning gevonden van het enige Hoofd van de Kerk, nl. Christus Jezus. Daar waar Hij Koning is en waar onvoorwaardelijk gebogen wordt onder Zijn heerschappij en autoriteit. Waar Zijn wetten en ordinantiën alleen maar recht van bestaan hebben, aanvaard en geëerbiedigd worden. Ik toch, zo sprak de Vader in Ps. 2 : 6, heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Gods heiligheid. Die Kerk is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad, Jesaja 1:8.

Dat is Sion, niemand vraagt naar haar, Jesaja 30:17. Wanneer wij die kerk bezien van Gods zijde, en wat God er van denkt, en hoe die kerk is in de ogen van Christus, en. zoals' het volk van God er soms op staren mag? Dan kunnen wij geen beter en gepaster antwoord geven, dan wat wij lezen in Psalm 48:3-4: „Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde, is de berg Sion, aan de zijden van het noorden de stad des groten Konings. God is in haar paleizen. Hij is er bekend voor een hoog vertrek". Dat is de onzichtbare kerk, en die kerk waarvan Christus betuigd heeft, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Zeker, daar zijn ook tijden geweest, dat de zichtbare kerk als een stad op een berg was, vanwege de glans die er op lag; de glans van de waarheid, en de glans van de godzaligheid.
Dat is zo geweest toen de jeugd van de kerk vernieuwd werd als van een arend, in de dagen van het doorluchte Pinksterfeest. Dat is ook aanschouwd, toen de ware Kerk zich van de valse kerk heeft afgescheiden. Toen de Reformatie veld won, het licht wederom op de kandelaar kwam, en de leer van vrije genade de overhand had, toen zovelen de martelaarskroon kregen, en de Heere Zijn kerk "als een lof op aarde" deed zijn. Helaas, nu moeten wij wel spreken over de vervallen hut Davids, vol met reten, Amos 9:11, vanwege de verbreking Jozefs en het verlaten van de Heere, van Zijn Woord en wet. In hoevele landen heeft God Zijn kerk gebouwd. Er zijn tijden geweest, dat er kracht van de kerk uitging, dat het was een lichtend licht, en een zoutend zout. Wat een professoren in de godgeleerdheid zijn er. geweest, die als leeuwen gevochten hebben voor de leer die naar den godzaligheid is. Wat hebben de hogescholen gebloeid, en wat zijn er in die tijden vele jonge mannen gevormd, die later als pilaren in Gods kerk gestaan hebben en met genade en gaven versierd, dé banier van de waarheid mochten opheffen, standvastelijk en onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren. Wat zijn vele preekstoelen vervuld geweest met gezalfde knechten, die donderden met hun stem en bliksemden met hun leven. Er zijn tijden geweest in verschillende landen, dat er vele banken en stoelen in de kerk bezet waren met de heiligen der hoge plaatsen en met de heerlijken, in dewelke al Gods lust was, dat de waarheid heerschappij had, en voor velen ten eeuwigen zegen was.

Doch nu is het over het algemeen: "Ik heb Mijn huis verlaten. Ik heb Mijn erfenis laten varen. Ik heb de beminde Mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven", Jeremia 12:7 enz. Zekerlijk Gods Geest zal niet geheel wijken van de kerk, en er zal een persoonlijke bediening blijven. Over het algemeen dan is het: "De tong van het zoogkind kleeft aan zijn verhemelte van dorst, de kinderkens eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen de drek", Klaagliederen 4:4-5.
En terwijl ik dit alles schrijf, ben ik ervan overtuigd, dat er zullen zijn, die het niet overnemen. Buiten ons zijn er velen, die roemen over de zegeningen, die ze in hun kerkelijk leven hebben, zovelen toegang tot het Avondmaal gevraagd, het verenigingsleven bloeit enz. enz. Maar ook onder ons worden er gevonden, die het niet kunnen zien, dat het zo treurig gesteld is. Zij denken inderdaad, dat het te zwart getekend is. Er komt meer en meer een geest van oppervlakkigheid op, die zich tevreden stelt met de schors der waarheid, maar geen oog heeft voor het pit en merg derzelve. Maar ook gevoel ik, dat er hier en daar nog zielen zijn, die er met hun ganse hart mee instemmen zullen. Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame!

En om nu tot mijn onderwerp te komen, dan mocht de Heere" mijn hand en pen besturen, om enige zaken te ontvouwen ten opzichte van de ernstige en bange tijden die wij beleven. Door alle tijden heen zijn er naar Gods Woord mensen geweest, die van het geloof zijn afgevallen. Paulus klaagt: "Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen". Er is altijd kaf onder het koren geweest. Altijd zijn er mensen geweest, die zich voor een zekere tijd voordeden alsof zij levende leden van de Kerk waren, maar die openbaar geworden zijn als missende het leven, en als vijanden van God en Zijn volk. Er was zelfs een Judas in de kring der apostelen; een man die gepredikt heeft, duivelen uitgeworpen en vele krachten gedaan, doch die uiteindelijk onschuldig bloed heeft verraden. Denk ook om een Ananias en Saffira, die door God Zelf openbaar zijn gemaakt als mensen, wier hart vervuld was door de satan, dat zij de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven. Handelingen 5. Maar waar Paulus over schrijft, dat is wat anders. Hij heeft het oog op een afval, die algemeen wordt en zulke afmetingen aanneemt, als nog nooit tevoren in de kerk aanschouwd is. Gehele gezinnen, gehele families zullende waarheid vaarwel zeggen en breken met hetgeen waarin zij opgevoed en opgebracht zijn. De kerken, die eenmaal door hun vaderen gebouwd waren, zullen als zij niet verkocht zijn, overgenomen zijn voor publieke vermakelijkheden, door zeer weinigen meer bezocht worden. Een afval onder leraars, een afval onder leden, geen catechisaties meer.' De grote massa zal de waarheid de rug toekeren, en in een diep zondig leven zich rijp maken voor het naderende oordeel van de grote dag. Ja, er zal gelijk door één onzer ontslapen leraars opgemerkt is, een algemene afval van de kerk plaats vinden, nadat deze onder alle naties en geslachten en volken en talen zal zijn gesticht. Die afval zal geschieden onder een hoofd, nl. de mens der zonde, de zoon des verderfs, een omvangrijke afval, dat degenen, die dé kerk des Heeren verlaten, onder Satans aanvoering een macht zullen vormen ter bestrijding van Christus' Koninkrijk. Dat wil dus niet zeggen alleen, dat zij zich van de zuivere waarheid zullen afscheiden, maar dat ze ook de ware kerk Gods zullen gaan vervolgen. Dat zij met de waarheid de spot zullen drijven, en zich verenigen zullen onder de banier van de antichrist, om de kerk te benauwen, en zelfs in bittere vijandschap de leden van de ware kerk uit het publieke leven zullen uitsluiten. Zie wat daarvan voorspeld is in Openbaring 13.

Wat zijn nu de voortekenen van die grote afval en wat zijn (de redenen en gronden, waarom wij zo bevreesd zijn dat wij aan de vooravond van die afval zijn gekomen, of dat wij met rasse schreden er heengaan? Kort geleden las ik een artikel in een kerkelijk blad, waarin geklaagd werd over de ontheiliging van Gods dag. De ontheiliging van Gods dag? Ja, er werd opgemerkt, dat een groot gedeelte alleen maar ter kerk komt op zondagmorgen en dat zij de rest van de dag opeisen voor zichzelf, om op visite te gaan, uit te gaan en door te brengen tot verzadiging van hun eigen vlees. In een kanselboodschap, die in verschillende kerken werd voorgelezen kort geleden, werd er o.a. gewaarschuwd tegen de slechte invloed van zogenaamde realistische lectuur, films en van de televisie, die voor velen een ban dreigt te worden, zodat zij alles zien en op zich laten inwerken. De wereld is in de kerken gebracht, en de huizen zijn voor de wereld opengezet, en zeker wordt er door sommigen gewaarschuwd, maar alles is al zolang oogluikend toegelaten, dat velen reeds zo vergiftigd zijn, dat er, menselijk gesproken, geen genezen meer aan is. Het begin van de afval is er ongetwijfeld. Waar is de huisgodsdienst? Waar wordt er nog gesproken over de dingen der eeuwigheid? Waar is er nog tijd en gelegenheid om een gesprek te beginnen, en waar is er nog vrijmoedigheid om zich vrij te maken van het bloed onzer kinderen?

Alles werkt mee om tegen te werken. De jongens moeten leren, die meisjes moeten wat worden in de wereld. Catechisatie? Dat uur kan er bijna niet af. Het is inderdaad waar, dat er in onze dagen van de jonge mensen veel meer geëist wordt dan in de jaren die achter ons liggen. Maar de hoofdzaak dat er zo weinig belangstelling is voor het onderzoek der waarheid, is dat de liefde tot de waarheid gemist wordt. Als wij eerlijk de waarheid zullen schrijven zoals het is, dan moeten wij zeggen: de wereld komt eerst met al zijn uitgaan en vermaak. Dat is de reden waarom het catechisatie houden zo moeilijk wordt. Wie zal in deze dagen onder de jonge mensen voorbereid, ter catechisatie komen? Waar wordt Gods Woord nog onderzocht en waar vindt ge in de gezinnen de geschriften onzer vaderen? Er wordt meer geld gespendeerd voor tijdschriften, dan voor een oude schrijver. Laten wij het maar eerlijk zeggen: men heeft er geen belang meer bij. De onkunde wat de waarheid betreft, neemt hand over hand toe Vroeger werd in de huizen er nog over gesp rok en vroeger zat men nog te luisteren naar de gesprekken van het volk van God. Dan werd er nog gehoord, hoe God een mens bekeert en langs welke wegen God Zijn gunstgenoten leidt. Doch dat is ook over het algemeen zo ver weg. De goedertierene ontbreekt en de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensen, Psaln12:2. Het volk gaat weg op vele plaatsen, en die er nog zijn, hebben over het algemeen een magerheid aan hun ziel. Och ja, een magerheid vanwege het ver afleven van de Heere. En het is nog een wonder als er nog enkelen zijn op een plaats, dat ze nog met elkander leven kunnen en willen. Het ligt alles zo verbroken, het is meer een staan boven elkander, dan naast en achter elkander; meer een zuchten tegen elkander, dan om en met elkander. De duivel lacht er om, en de wereld spot er mee. En de oorzaak van dat alles? Het dadelijke leven wordt zo gemist, de oefeningen des geloofs zijn zo weinig, het leven legt zo weinig beslag, de vreze Gods weggebannen door de wereldgelijkvormigheid, en dat betekent dat de dam tegen de zonde weg is.

De Waarheid is nog niet geheel weg. Maar enige tijd geleden werd de opmerking gedaan: er is verschil tussen de waarheid en de oude waarheid. De bedoeling van die opmerking-was, de waarheid, oppervlakkig verklaard naar de letter, maar de oude waarheid, daar bedoelde die vrouw mee, dat er gesproken wordt naar het hart van Jeruzalem, Schriftuurlijk, bevindelijk, practicaal. Uiteindelijk is er vanzelf maar één waarheid.
Ik ga daar nu niet verder op in, maar wel wil ik opmerken, dat al is het de oude waarheid, toch is er nog zulk een verschil met hetgeen ons overgeleverd is. En wat dat verschil is, met insluiting van onszelf? Een ontslapen leraar zei eens na een ontmoeting met een beproefd kind des Heeren: ik heb de woorden, maar die man heeft de zaken. En nu kunnen onze woorden o zo rechtzinnig zijn, zwaar gereformeerd, maar, maar waar is de zalving van Gods Geest en dat ons hart, huis en kerk onder het spreken, bidden en preken en onderwijzen van de jeugd, vervuld worden met de reuk der zalf gelijk in Johannes 12:3?

Laten wij het maar eerlijk bekennen: dat is het gemis. Ik hoop geen mensen te verheerlijken of te verachten. Maar hoe vaak gebeurt het niet, wanneer wij de geschriften onzer vaderen ter hand nemen, dat het ons raakt, dat we onder de indruk van het geschrevene komen en dat er zulk een liefde in verklaard ligt, dat je dadelijk zegt: "dat is het". En oordeel nu zelf maar, hoe het over het algemeen in onze dagen is. Wij zijn meer dominees dan zondaars. Christus zei: Brengt van de vissen, die ge nu gevangen hebt. Verse vis, en die smaakt het lekkerst. Wat zijn er weinigen, gelijk eenmaal in Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben. Schaamte, diepe schaamte moest onze harten en aangezichten wel bedekken. Het is meer onszelf op de been zien te houden, dan onze benen breken, meer ijveren voor onszelf, dan voor de eer Gods. Wat wordt de Heere Jezus veel voor de tweede maal gekruisigd en waar is er nog een wezenlijke ootmoedige benodiging van God de Heilige Geest, als Persoon en in Zijn bediening? Het oordeel begint van Gods huis. Het gaat zo gemakkelijk om de splinter in het oog onzes broeders te zien, maar om de balk in ons eigen oog eens waar te nemen en er last van te krijgen, dat is wat anders. O, wat zou het toch een weldaad zijn, als we zelf „de man" voor God mochten worden. En nu kan dat nog wel eens genoemd worden, maar de belijdenis is geen praktijk en de belijdenis brengt ons niet in de nood. Met al ons ootmoedig praten blijven wij voor God de hoogmoedige farizeeër. Wij kunnen onze klederen wel scheuren, maar ons hart blijft wat het is. Gods volk kan nooit afvallen, o neen, dat is onmogelijk. Zij worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd, 1 Petrus 1:5. Wél kan er een vallen, en een diep verval in hun leven komen, dat er wel een onderhoudsleven is, maar geen gemeenschapsleven: Koud noch heet, maar lauw, gelijk wij lezen van de gemeente van Laodicea in Openbaring 3. En dat de wijze maagden met de dwaze in slaap zijn gevallen. Dat de Heere Zich nog over Zijn erfdeel ontfermen mocht, en dat het ook bij ons mocht worden als het was bij de profeet Micha: Mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.

De voortekenen van de "afval" worden meer en meer openbaar. Wij moeten wel moedwillig onze ogen sluiten om het niet te zien en op te merken. Het zal naar Gods Woord bang op de aarde worden. Wat voorspeld is, zal vervuld worden. Dat is zeker en gewis. En nu is het bang omdat het niet bang is. We zien het voor onze ogen. Wij nemen het waar, neen niet alleen in de grote wereld, die mét God geen rekening meer houdt, en zich rijp maakt voor het naderend oordeel. Maar ook op het erf van Gods kerk, in onze eigen omgeving, in hart en huis. Het verval is zo groot en het neemt steeds groter afmetingen aan, maar er is geen stem, noch opmerking. We worden alles zo gewoon. We schikken onszelf in de toestand en er is geen smart over. Wij roeren het nog wel eens aan, maar het werkt niets uit en het brengt ons niet op de rechte plaats. We zien het in de kerk, een geest van onverschilligheid, verzet, belangeloosheid en grote onvruchtbaarheid. De waarheid wordt schier niet meer verstaan en om de grondslagen van de leer is er weinig bekommering meer. Als God het niet verhoedt, dan zal er straks een gedeelte mensen liever een zondagschoollesje horen, dan een doorwrochte predicatie, waarin de grondslagen worden blootgelegd en verdedigd en het leven Gods verklaard, omdat het niet meer begrepen wordt. Waar nu nog driemaal dienst is, zal een gedeelte er wel voor stemmen om het tweemaal te doen. En wellicht waar het tweemaal is, zal men straks vragen om eenmaal. Hoe langer hoe meer gaan verschillenden het kerkgaan tot eenmaal beperken. In sommige gemeenten behoort het nu tot "enkele uitzonderingen", maar ook te dien opzichte zien we met vrees de toekomst tegemoet. De waarheid doet zo weinig kracht meer op de consciënties, de verharding neemt hand over hand toe, en de godsdienst wordt meer en meer bijzaak. De taak van de ambtsdragers in Gods kerk wordt steeds zwaarder en moeilijker, omdat de „tijdgeest" meer en meer veld wint en het leven steeds losser wordt. En in onze gezinnen? Och, wat een diep verval. Meer te klagen dan te roemen. De zonde is een hellend vlak. Hier wat toegeven; daar wat door de vingers zien, ginds wat overstappen, dan weer oogluikend toelaten wat verkeerd is, in plaats van te bestraffen en te vermanen. Een andere tijd: om de vrede te bewaren, over de consciëntie heenstappen en zwijgen. Meer liefde tot onze kinderen dan liefde tot God. De vrijmoedigheid om aan te houden in het vermanen gaat meer en meer weg. En daar gaat het heen! Altijd oorlog in huis, dat kan toch ook niet. En altijd maar waarschuwen op de catechisatie, dat wordt toch ook zo ellendig. Elke zondag de zonde bestraffen op de preekstoel, dat maakt de mensen ook zo opstandig. Je wordt er zelf ook .moe van. Uiteindelijk dan komen wij tot het besluit: het is toch een stroom die niet te keren is. Maar wij beseffen maar niet genoeg, dat wij God er aan wagen en zelf al maar dieper wegzinken. Het ongenoegen Gods komt; de Heere verbergt Zijn aangezicht. In het houden van Gods geboden is groot loon; maar die God verlaat, heeft smart op smart te vrezen Psalm 32:5.

Och, waar zullen wij beginnen en eindigen! De oude paden zijn verlaten; afgeweken, afgedwaald en niet meer terug kunnen komen. Soms wordt er nog wel eens wat gezegd, maar de mens gaat door. En al is het met alle gebrek nog een weinig in de band, een mens moet tot God bekeerd worden. Straks wordt het eeuwigheid. En sterven gelijk wij geboren zijn, dat betekent voor eeuwig verloren, voor eeuwig onder Gods toorn en voor eeuwig van God gescheiden. De Heere Jezus heeft tot de Joden gezegd: Tenzij dat uw gerechtigheid overvloediger is dan der Schriftgeleerden, gij zult het Koninkrijk Gods niet ingaan. En ook die onvruchtbaarheid, onbekeerlijkheid, toenemende verharding, o wat drukt het weinig op onze zielen. Er moest wel een geschreeuw tot God opgaan, dag en nacht, maar och, het is alles zo stil. Het wordt alles zo een gewoonte, ook dat God Zich onttrekt van onze families en van ons geslacht.

Och, wat zou het een verandering geven in onze gezinnen als dat kindergeschreeuw nog eens vernomen werd. Dan zou de duivel wel boos zijn, maar het zou in onze gezinnen zulk een ander leven worden. Gods werk legt beslag, daar gaat wat van uit. Dan zou er niet veel meer te twisten zijn, of dit zonde is en of dat wel mag. Gods werk komt in de vrucht openbaar. Dan is er een haten en een laten van de zonde en een najagen van de gerechtigheid. Rechtvaardig kan de Heere ons overgeven, ook ons geslacht, ziende op al onze ontrouw en nalatigheid en verkeerde liefde. Ja, zien wij op onszelf, op onze biddeloosheid en behoefteloosheid, dan is er niet veel goeds te wachten. Als het van onze zijde komen moet, dan zal het wel kwijt zijn. Maar een weldaad, dat de Heere Zelf betuigd: Dit zij u bekend, o huis Israëls: Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijns groten Naams wil, opdat die verheerlijkt worde. O, dat het ons tot sterkte moge zijn, wat de dichter van de oude dag gezongen heeft in Psalm 105:5 (Datheen):
Want God gedenkt altijd genadig.
Aan Zijn verbond, hetwelk blijft gestadig.
En aan dat woord dat Hij heeft klaar
Toegezeid, en wil houden waar.
In 't duizendste geslacht dat leeft.
Zo Hij Abraham beloofd heeft.


Er zal een kerk blijven tot aan de afloop der eeuwen. O, dat wij met onze kinderen toch niet zullen wegzinken, maar opgehaald mogen worden, opgenomen en overgenomen in dat eeuwig Verbond, dat niet zal worden vergeten, Jesaja 50:5. Wat zou het een eeuwig Godswonder zijn, als God in Zijn soevereine genade nog bemoeienissen wilde maken en Zijn wonderen nog tot een gedachtenis stelde. Voor de Heere is niets te wonderlijk. Hij mocht Zijn arm nog eens ontbloten, en Christus verheerlijken in de harten van zondaren, die nooit naar Hem gevraagd en nooit naar Hem gezocht hebben. Waard zijn wij het niet, en verdiend hebben wij het ook niet, maar de Heere mocht het nog doen tot de eer van Zijn driemaal heilige Naam, en tot verhoging van al Zijn deugden. God geve getrouw makende genade, om in een wegzinkende tijd niet meegevoerd en vervoerd te worden met de stroom des tijds, doch bewaard te worden in de grote verzoeking, die over de gehele aarde komen zal. Dat de eer Gods voor ons boven alles staan moge, en de liefde van Christus ons moge dringen. Dan zullen wij niet afwijken, noch ter rechter- noch ter linkerhand, maar gesterkt door de armen van de Machtige Jacobs, in de waarheid wandelen, en die waarheid zal ons vrijmaken. Dat geve de Heere uit genade om Christus' wil.

Grand-Rapids, wijlen ds. W.C. Lamain.
© -DIA- 33.965 || ©Dianthus »since 03.10.2008«
Plaats reactie