KDD schreef:Maanenschijn schreef: ↑Gisteren, 17:42
DDD schreef:KDD schreef: ↑Gisteren, 14:08
nog een bezwaar:
Dit is toch belachelijk? Een totaal niet onderbouwd bezwaar hier plaatsen? Wat mij betreft, worden dit soort onzinbijdragen weggemodereerd. Het voegt niets toe aan het gesprek.
Rustig, denk om je hart. Ik begrijp dat het een zin is in de bijdrage van Dr. Ouwerkerk. Vandaar mijn vraag aan KDD hiervoor aan welke passage(s) hij dit ontleent uit het boek. Want dan kunnen we daarop ingaan.
Nu even weer wat tijd. Het was een bezwaar van dr. T. Ouwerkerk. Hier is wat hij schreef:
Dr. T. Ouwerkerk schreef:
De genade van het nieuwe hart wordt uitgespeeld tegenover het geloof. Jezus vraagt aan Petrus niet of hij een nieuw hart heeft, maar of hij gelooft. Je wrijft je ogen uit als je deze hermeneutische (on)zin leest.
Het is onwaar dat in de Bijbel het ‘nieuwe hart’ niet functioneert als zelfstandig begrip. Het is een polymorf begrip dat in alle facetten laat zien dat wij van nieuws geboren moeten worden en dat zonder heiligmaking niemand de HEERE zal zien. Het geloof daarentegen is heilsordelijk gezien geen zelfstandig begrip. Het is een instrumentaal begrip. Hoewel onmisbaar voor de zaligheid heeft het intrinsiek geen waarde (Calvijn). Het geloof rechtvaardigt ons niet. Christus rechtvaardigt ons door het geloof.
Dan mag de auteur terecht missstanden ten aanzien van het bovenstaande aanwijzen, maar het blijft gelden: tenzij iemand wederom geboren wordt hij kan het koninkrijk Gods niet zien. Dat is geen wedergeboorte-theologie maar Bijbelse theologie
Ik moet twee keer lezen wat Ouwerkerk hier bedoeld en het is mij nog nog niet erg duidelijk. Ik denk dat het over deze passage heeft:
Citaat: Het begrip ‘nieuw hart’ is dus niet bedoeld als een massief begrip waarin alle genade van God wordt samengevat. In de Bijbel functioneert het ‘nieuwe hart’ niet als een zelfstandig begrip. In de Psalmen vinden we nood en aanvechting, maar we komen geen mensen tegen die het lek boven water hebben omdat ze een nieuw hart hebben. De man met een nieuw hart bidt: ‘Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest’ (Ps. 51:12). Het nieuwe hart gaat hier dus niet over de eenmalige bijzondere ervaring van het ontvangen van een nieuw hart.
Jezus vraagt aan Petrus niet of hij een nieuw hart heeft, maar Hij vraagt wat hij van de Christus denkt en of hij Hem liefheeft (Matth. 16:13-16 en Joh. 21:15-17). De 3000 op de Pinksterdag laten zich dopen in de Naam van Jezus Christus tot vergeving van hun zonden. Ze laten zich niet dopen omdat ze een nieuw hart hebben en Petrus belooft hen ook geen nieuw hart. Als de moorman zich laat dopen, belijdt hij niet zijn wedergeboorte, maar hij belijdt te geloven dat Jezus Christus Gods Zoon is.
Op wat Ouwerkerk schrijft over ‘polymorf begrip’ en verder wil ik graag deze citaten tegenover stellen:
Citaat: Daarom zijn we onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad.We zouden dit nog verder kunnen toespitsen door te zeggen dat we alleen maar geneigd zijn tot alle kwaad. Waar komt dit vandaan? Ons God-hatende vlees onderwerpt zich niet aan Gods wet (Rom. 8:7). Eén van de machtige beloften van Gods genadeverbond is dan ook de transformatie van onze diepste persoonlijkheid: ‘En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven’ (Ez. 36:26). Deze boodschap van een nieuw hart bepaalt ons bij de ernst van onze situatie. Ons verdorven hart heeft geen mogelijkheden om zichzelf te reinigen of om de goede keuze van het geloof te maken. We hebben hartvernieuwende genade nodig. Dat is het christelijke van de opvoeding waarin we met klem horen over de noodzaak van een nieuw hart. Immers, het kan in ons leven niet bij het oude blijven. Deze boodschap is ook een medicijn tegen de oppervlakkige sfeer dat we een schaapje van Jezus’ kudde zijn en ons nergens om hoeven te bekommeren. Einde citaat.
Van Vlastuin gaat diep in op (de werking) van het begrip ‘nieuw hart’. Ik denk dat de essentie van zijn betoog hierover in deze passage is weergegeven:
Citaat: Het onmiddellijke karakter van het nieuwe hart kan ook betekenen dat godvrezende mensen het zicht op Gods genade missen. De Heilige Geest werkt in hen, maar zij hebben het gevoel dat ze geen wedergeboorte-ervaring, geen Paulus-bekering hebben meegemaakt. Bovendien hebben ze dan ook nogal eens een perfectionistische opvatting over een nieuw hart, zodat alles erop wijst dat ze geen nieuw hart hebben. Als ze dan ook nog systematisch geleerd hebben dat ze niet op hun doop mogen vertrouwen, is God op afstand van hun ziel gehouden. Zo blijven ze tot op hun sterfbed om een nieuw hart bidden. Hiermee doen we de Heilige Geest veel verdriet en het geestelijke leven komt onder een stolp te liggen. Eigenlijk hebben we zo geen boodschap aan het Evangelie, omdat het Evangelie van onze Heere Jezus Christus achter de deur van het nieuwe hart is geparkeerd. Zonder de nieuwe bron van geestelijk leven in ons kunnen we immers niet geloven en liefhebben, zoeken of zien. Pas nadat we een nieuw hart hebben gekregen, kunnen we bidden en betrouwen, verwachten en verlangen.
Voordat ik de moeite neem om verdere citaten te ontleden, hoe beoordeel jij de door mij aangevoerde citaten?
Ik moet wel zeggen dat met deze laatste passage van Ouwerkerk ik zijn kritiek wat minder serieus neem. Het getuigt niet van zorgvuldig lezen en inhoudelijk reageren.
En dit past ook bij de vraag tijdens het symposium: ‘Wim, wat heb je toch met dat nieuwe hart’.