Ik denk dat de overweging daarvan ons van nut kan zijn en veel dwalingen kan ontzenuwen.
Ik citeer uit de Institutie in de vertaling van dr. A. Sizoo.
Calvijn in zijn Institutie III.11.1-5 schreef:Over de rechtvaardigmaking des geloofs en in de eerste plaats over de definitie
van de naam en de zaak zelf.
1. Ik meen in het bovenstaande naarstig genoeg uiteengezet te hebben, hoe voor de
mensen, die door de wet vervloekt zijn, het enige middel om de zaligheid te
herwinnen gelegen is in het geloof. Verder, wat het geloof zelf is, welke weldaden
Gods het de mens toebrengt, en welke vruchten het in hem werkt. De hoofdinhoud
daarvan was dit: dat Christus, die ons door Gods goedertierenheid gegeven is, door het
geloof door ons aangegrepen en bezeten wordt, door wiens gemeenschap wij
voornamelijk tweeërlei genade ontvangen, namelijk dat wij, door zijn onschuld met
God verzoend, in plaats van een Rechter nu een genadige Vader in de hemelen
hebben, en verder dat wij, door zijn Geest geheiligd, ons toeleggen op onschuld en
reinheid des levens. En over de weergeboorte, die de tweede genade is, is gesproken
zoveel als voldoende scheen te zijn. De wijze van de rechtvaardigmaking is daarom
minder aangeroerd, omdat het van belang was eerst te begrijpen, hoe weinig het
geloof, waardoor wij alleen de onverdiende rechtvaardigheid door Gods
barmhartigheid verkrijgen, zorgeloos is ten opzichte van de goede werken, en ook
hoedanig de goede werken zijn, waarin een deel van het vraagstuk van de
rechtvaardigmaking gelegen is. Deze moet dus nu grondig besproken worden, en wel
zo besproken worden, dat wij bedenken, dat zij de voornaamste pijler is, waarop de
godsdienst rust, opdat we des te groter aandacht en zorg aan haar wijden. Want indien
ge niet eerst van al weet, welke plaats ge bij God inneemt, en hoe zijn oordeel over u
is, zo hebt ge geen enkel fundament om uw zaligheid te schragen en ook niet om uw
vroomheid tot God op te richten. Maar de noodzakelijkheid om dit te kennen zal beter
aan de dag treden uit de kennis zelf.
2. Verder, opdat wij ons niet stoten terstond reeds in het begin (wat gebeuren zou, als
we een verhandeling aanvingen over een onbekende zaak), moeten we eerst uitleggen,
wat die zegswijzen betekenen, dat de mens voor God gerechtvaardigd wordt, dat hij
gerechtvaardigd wordt door het geloof of door de werken. Dat hij gerechtvaardigd
wordt voor God zegt men van hem, die door Gods oordeel voor rechtvaardig
gehouden wordt en die van wege zijn gerechtigheid voor God aangenaam is; want
evenals de ongerechtigheid voor God verfoeilijk is, zo kan ook een zondaar in zijn
ogen geen genade vinden, inzoverre als hij een zondaar is en zolang hij daarvoor
gehouden wordt. Daarom, waar zonde is, daar vertoont zich ook de toorn en de wraak
Gods. En gerechtvaardigd wordt hij, die niet voor een zondaar, maar voor een
rechtvaardige gehouden wordt, en daarom kan bestaan voor Gods rechterstoel, waar
alle zondaars bezwijken. Evenals men van een onschuldig aangeklaagde, wanneer hij
geleid wordt voor de rechterstoel van een rechtvaardig rechter, waar het vonnis geveld
wordt in overeenstemming met zijn onschuld, zegt, dat hij bij de rechter
gerechtvaardigd is, zo wordt bij God gerechtvaardigd hij, die weggenomen wordt uit
het getal der zondaren en God heeft als getuige en beschermer zijner rechtvaardigheid.
Men zal dus op deze wijze zeggen, dat gerechtvaardigd wordt door de werken hij, in
wiens leven zulk een reinheid en heiligheid gevonden wordt, die bij Gods troon
verdienen het getuigenis der gerechtigheid; of die door de vo lmaaktheid zijner werken
aan Gods oordeel kan beantwoorden en genoegdoen. Daarentegen zal hij
gerechtvaardigd worden door het geloof, die, uitgesloten van de gerechtigheid der
werken, Christus' gerechtigheid door het geloof aangrijpt, met welke bekleed zijnde,
hij voor Gods aangezicht niet als een zondaar, maar als een rechtvaardige verschijnt.
Dus leggen wij de rechtvaardigmaking eenvoudig zo uit, dat ze is de aanneming,
waarmede God ons in genade aanneemt en voor rechtvaardigen houdt. En wij zeggen,
dat die gelegen is in de vergeving der zonden en in de toerekening van Christus'
gerechtigheid.
3. Er zijn vele duidelijke getuigenissen der Schrift om dit te bevestigen. In de eerste
plaats kan niet geloochend worden, dat dit de eigenlijke en meest gebruikelijke
betekenis van het woord is. Maar omdat het te lang zou duren alle plaatsen te
verzamelen en met elkander te vergelijken, moge het genoeg zijn, de lezers daarop
gewezen te hebben; want zij zullen die uit zichzelf gemakkelijk opmerken. Slechts
weinige plaatsen zal ik vermelden, waar deze rechtvaardigmaking, over welke wij
spreken, met name genoemd en behandeld wordt. In de eerste plaats, waar Lucas
vertelt, dat het volk, na Christus gehoord te hebben, God rechtvaardigde en waar
Christus zegt, dat de wijsheid gerechtvaardigd wordt door hare kinderen (Luc. 7:29 en
35), daar betekent het woord rechtvaardigen niet rechtvaardigheid toebrengen, want de
rechtvaardigheid blijft altijd ongeschonden bij God, ook al tracht de gehele wereld
haar Hem te ontroven; en het betekent ook niet de leer der zaligheid rechtvaardig
maken, want zij heeft dat van zichzelf, dat ze rechtvaardig is, maar beide wijzen van
zeggen hebben deze kracht: aan God en aan zijn leer de lof toekenne n, die ze
verdienen. Wederom, wanneer Christus de Farizeën verwijt (Luc. 16:15), dat zij
zichzelf rechtvaardigen, verstaat Hij daaronder niet, dat ze rechtvaardigheid
verwerven door goed te handelen, maar dat ze eergierig streven naar de roem van
rechtvaardigheid, welke ze niet bezitten. Deze zin verstaan beter zij, die ervaren zijn
in de Hebreeuwse taal, waarin niet slechts zij misdadigen genoemd worden, die zich
hun misdaad bewust zijn, maar ook zij, die het vonnis der veroordeling ondergaan.
Want wanneer Bathseba zegt, dat zij en Salomo zondaars zullen zijn (1 Kon. 1:21),
bekent ze niet, dat ze schuldig zijn, maar klaagt ze, dat zij en haar zoon aan schande
blootgesteld zullen worden, zodat ze gerekend zullen worden tot de verworpenen en
veroordeelden. Uit het tekstverband blijkt echter gemakkelijk, dat dit woord, ook
wanneer het in het Latijn gelezen wordt, niet anders genomen kan worden, namelijk
zondaars in de ogen van anderen, maar niet zo, dat het enige hoedanigheid te kennen
geeft. Maar wat betreft het onderwerp, waarover wij spreken, wanneer Paulus zegt
(Gal. 3:8), dat de Schrift tevoren zag, dat God de heidenen uit het geloof zou
rechtvaardigen, wat zou men daaronder anders kunnen verstaan dan dat God de
rechtvaardigheid toerekent uit het geloof? Evenzo, wanneer hij zegt (Rom. 3:26), dat
God de goddeloze, die uit het geloof van Christus is, rechtvaardigt, wat kan de
betekenis daarvan dan anders zijn dan dat Hij door de weldaad des geloofs de
goddeloze bevrijdt van de verdoemenis, die zijn goddeloosheid verdiende? Nog
duidelijker spreekt hij aan het slot, wanneer hij aldus uitroept (Rom. 8:33): "Wie zal
beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, die rechtvaardig
maakt. Wie zal verdoemen? Christus is het, die gestorven is; ja wat meer is, die ook
opgewekt is, en nu voor ons bidt." Want dat is hetzelfde, alsof hij zeide: "Wie zal hen
beschuldigen, die God vrijspreekt? wie zal hen veroordelen, die Christus door zijn
bescherming verdedigt ? Rechtvaardigmaken is dus niets anders dan hem, die
aangeklaagd werd, van de beschuldiging vrijspreken, alsof zijn onschuld bewezen
was. Wanneer dus God ons door de tussenkomst van Christus rechtvaardig maakt,
spreekt Hij ons vrij niet door het bewijs van onze eigen onschuldigheid, maar door
toerekening der rechtvaardigheid, zodat wij, die in onszelf niet rechtvaardig zijn, in
Christus als rechtvaardigen gerekend worden. Zo zegt in Handelingen 13 (Hand.
13:38) Paulus in een prediking: "door deze wordt u vergeving der zonden verkondigd,
en van alles, waarvan gij niet kondt gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes,
wordt een ieder, die in Hem gelooft, gerechtvaardigd." Ge ziet, dat na de vergeving
der zonden deze rechtvaardigmaking bij wijze van uitlegging geplaatst wordt; ge ziet
duidelijk, dat ze genomen wordt als vrijspreking; ge ziet, dat ze aan de werken der wet
ontnomen wordt; ge ziet, dat ze een loutere weldaad van Christus is; ge ziet dat ze
door het geloof ontvangen wordt; ge ziet eindelijk, dat er genoegdoening wordt tussen
geplaatst, wanneer hij zegt, dat wij van onze zonden gerechtvaardigd worden door
Christus. Zo kunnen wij ook, wanneer er van de tollenaar gezegd wordt (Luc. 18:14),
dat hij gerechtvaardigd heenging uit de tempel, niet zeggen, dat hij door enige
verdiensten der werken rechtvaardigheid verkregen heeft. Dit wordt dus gezegd, dat
hij, na vergeving van zonden verkregen te hebben, voor God gehouden is voor een
rechtvaardige. Hij was dus rechtvaardig niet door goedkeuring der werken, maar door
onverdiende vrijspraak van God. Daarom spreekt Ambrosius zeer juist 1), wanneer hij
de belijdenis van zonden een wettige rechtvaardigmaking noemt.
1} In Ps. 118, Serm. 10.
4. En om de strijd om het woord te laten varen, als wij de zaak zelf beschouwen, zoals
ze ons beschreven wordt, zal er geen enkele twijfel overblijven. Want Paulus duidt
met het woord aanneming ongetwijfeld de rechtvaardigmaking aan, wanneer hij zegt
tot de Efeziërs (Ef. 1:5): "Wij zijn verordineerd tot aanneming tot kinderen door
Christus, naar het welbehagen Gods, tot prijs zijner heerlijke genade, door welke Hij
ons aangenomen en begenadigd heeft." Want hij bedoelt daarmee hetzelfde als wat hij
elders pleegt te zeggen, dat God ons om niet rechtvaardigt (Rom. 3:24). En in het
vierde hoofdstuk aan de Romeinen (Rom. 4:6) noemt hij ten eerste de
rechtvaardigmaking toerekening der rechtvaardigheid, en ook aarzelt hij niet haar te
stellen in de vergeving der zonden. "Zalig", zo zegt hij, "wordt door David de mens
genoemd, aan wie God rechtvaardigheid toeschrijft of toerekent zonder de werken;
gelijk geschreven is: zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn enz." Daar
spreekt hij zeker niet over een deel der rechtvaardigmaking, maar over haar als geheel.
Hij betuigt verder, dat van haar een beschrijving gegeven wordt door David, wanneer
deze verklaart, dat zij zalig zijn, aan wie de vergeving der zonden om niet geschonken
wordt. En daaruit blijkt, dat deze rechtvaardigheid, waarover hij spreekt, eenvoudig
gesteld wordt tegenover de schuldigheid. Maar hiertoe is de beste van alle die plaats,
waar hij leert, dat dit de hoofdsom is der evangelische boodschap, dat wij verzoend
worden met God (2 Cor. 5:18), omdat Hij ons door Christus in genade wil aannemen,
zonder ons de zonden toe te rekenen. Laat de lezers het ganse tekstverband naarstig
overwegen, want wanneer hij een weinig later bij wijze van uitlegging toevoegt, dat
Christus, die geen zonde had, voor ons zonde geworden is, om zo de wijze der
verzoening aan te wijzen, dan verstaat hij zonder twijfel onder het woord verzoenen
niets anders dan gerechtvaardigd worden. En ook wat hij elders leert (Rom. 5:19), dat
wij door de gehoorzaamheid van Christus tot rechtvaardigen gesteld worden, zou geen
stand houden, indien wij niet in Hem en buiten ons rechtvaardig gerekend werden
voor God.