Afgewezen schreef: Het een sluit het ander niet uit. Ook Philpot schrijft ergens dat het verlangen naar de verlossing een bewijs is van iemands deel daaraan.
Hoe je het ook wendt of keert, de vraag blijft staan en daarmee het spanningsveld: hoe kan iemand zo veranderd zijn, en heimwee hebben naar een onbekende God, als dat allemaal 'niets' is?
Hoe kan iemand buigen onder het recht Gods, als er niet iets is veranderd bij hem?
Als een dode niet kan buigen, dan is er geen hoop!Genade door recht schreef: Afgewezen, je raakt de kern. Een dode (onwedergeborene) kan niet buigen onder Gods recht. Dat kan alleen een levende (wedergeborene). Een onbekeerde kan het nooit eens worden met God en dus ook niet buigen onder/voor God. Een onbekeerde heeft geen lust aan de kennis Zijner wegen.
Wedergeboorte en rechtvaardigmaking zijn niet voor niets onderscheiden. In de tijd volgen die elkaar dan ook niet, zoals DWW daarentegen wel stelt, onmiddellijk op (of zouden zelfs gelijktijdig plaatsvinden). Maar daarover is al zo vaak gediscussieerd dat het onzinnig lijkt dit opnieuw uit de doeken te gaan doen.
Doden zullen horen, de stem des Zoons van God.
Die doden zullen leven.
Hebben wij onszelf al als zo'n dode leren kennen?
Waar ligt nu de troost?
In het verlangen naar, of in het bezit te zijn van?