Indien God behagen had in de dood van de boze, zouden u en ik niet bestaan. Ananias en Safira vertelden één leugen en God doodde hen. En u en ik zijn er nog. Hoeveel zegeningen heeft God u gegeven? Hoeveel roepstemmen, hoeveel uitnodigingen? Sommigen van u werden geboren, velen van u, in een liefdevol huis. Velen van u hadden godvrezende ouders, die voor u baden, van u hielden, alles gaven wat u nodig had. En wat
heeft u teruggegeven aan God. U heeft Hem nooit gezien met uw hele hart. U heeft Zijn wet gebroken. U hebt Hem bedroefd. U hoorde Zijn Evangelie duizend keer, dat Hij zondaars ontvangt en u weigert tot Hem te komen. En nog leeft u! Is dat geen bewijs genoeg, dat Hij geen lust heeft in uw dood? Vanavond is God nog goed voor u. Vanavond nodigt Hij u nog uit. Vanavond is Zijn beker van toorn niet gevuld tegen u. Vanavond zegt Hij tot u: “Ik heb geen behagen in uw dood.” Nu, de duivel is natuurlijk een groot bijbelkenner. En hij komt tot u. Ik weet wat hij tegen u zegt, ik heb het ook meegemaakt. Hij probeert u te verwarren, in een theologische speculatie te vangen op dit punt. Hij zegt: “Die tekst zegt: ‘God heeft geen behagen in uw dood,’ maar dat kan niet ernstig zijn. Want God verwerpt de goddelozen. En Hij heeft behagen in de bevrediging van Zijn recht, nietwaar?”
Bovendien, ik ben niet in staat om te antwoorden
op Zijn roepstemmen en waarschuwingen. Dus
als ik niet verkoren ben, wat is dan het nut om Hem te zoeken? Wat is het nut van omkeren. Zeker, de weg van de Heere is niet recht. Stop daar, mijn vriend. Stop dadelijk! U gebruikt dezelfde duivelse logica die Israël hier gebruikt in dit hoofdstuk. En ik kom tot u in liefde vanavond en ik vraag u om te stoppen met het spelen van dat duivelse spel. En te stoppen om een spel te spelen met God. En de duidelijke, onbewolkte verklaring van God te horen: “Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze.” God meent wat Hij zegt. En al uw theologische
speculatie moet weggeworpen worden. Johannes Calvijn zei het op deze manier. Hij zei: “Ik begrijp al deze dingen niet, maar de profeet spreekt hier niet over Zijn verborgen raad, maar roept ellendige mensen weg van wanhoop, opdat zij zouden mogen staan naar hoop op kwijtschelding en zich bekeren en de aangeboden redding zouden omhelzen.” Ziet u, u kijkt naar mensen die hun eigen baby aborteren. En u zegt: “Hoe kunnen ze hun eigen baby doden?” En God kijkt naar u en zegt: “Hoe kunt u uw eigen ziel doden, als Ik geen lust heb in uw dood?” Is dat niet het wonder van Gods welbehagen?
Dr. J.L. Beeke
Gelezen (geloofsopbouwend)
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Zeven verkeerde geesten.
Ten eerste: Het oude beminnen, omdat het oud is, en het nieuwe verwerpen, omdat het nieuw is.
Ten tweede: Anderen niet te kunnen dragen, in dingen die wij met het Woord Gods niet bewijzen kunnen.
Ten derde: De Geest aan banden leggen. Het Woord naar onze mening, gedachten en gevoel uitleggen, verstaan en toepassen.
Ten vierde: Ons maar bij enige weinigen bepalen en het Evangelie monopoliseren, dat is: er alleenhandel van maken.
Ten vijfde: Zeggen dat en dat en dat moet gij eerst doen, eer dat gij tot Christus komen kunt. Dat even zo ongerijmd is, als te zeggen: gij moet eerst schoon zijn, om gewassen te kunnen worden. Eerst gekleed worden, om gekleed te kunnen worden.
Ten zesde: Het Evangelie niet aan allen te verkondigen: schoon het alleen voor de uitverkorenen is. Maar dat weet de Heere, naar de raad Zijns willens, te voren bepaald wat geschieden zou. Maar wij zien dit doorgaans eerst achteraf. Men mag niet bij noch afdoen, maar moet de volle raad Gods verkondigen. Het verborgene is voor de Heere onze God; maar het geopenbaarde voor ons en onze kinderen.
Ten zevende: Wanneer er een driftige, voorbarige, eigenwillige en doordrijvende geest in ons is; die ons niet toelaat de zaken wel te overwegen, te wikken en te overleggen.
L.G.C. Ledeboer
Ten eerste: Het oude beminnen, omdat het oud is, en het nieuwe verwerpen, omdat het nieuw is.
Ten tweede: Anderen niet te kunnen dragen, in dingen die wij met het Woord Gods niet bewijzen kunnen.
Ten derde: De Geest aan banden leggen. Het Woord naar onze mening, gedachten en gevoel uitleggen, verstaan en toepassen.
Ten vierde: Ons maar bij enige weinigen bepalen en het Evangelie monopoliseren, dat is: er alleenhandel van maken.
Ten vijfde: Zeggen dat en dat en dat moet gij eerst doen, eer dat gij tot Christus komen kunt. Dat even zo ongerijmd is, als te zeggen: gij moet eerst schoon zijn, om gewassen te kunnen worden. Eerst gekleed worden, om gekleed te kunnen worden.
Ten zesde: Het Evangelie niet aan allen te verkondigen: schoon het alleen voor de uitverkorenen is. Maar dat weet de Heere, naar de raad Zijns willens, te voren bepaald wat geschieden zou. Maar wij zien dit doorgaans eerst achteraf. Men mag niet bij noch afdoen, maar moet de volle raad Gods verkondigen. Het verborgene is voor de Heere onze God; maar het geopenbaarde voor ons en onze kinderen.
Ten zevende: Wanneer er een driftige, voorbarige, eigenwillige en doordrijvende geest in ons is; die ons niet toelaat de zaken wel te overwegen, te wikken en te overleggen.
L.G.C. Ledeboer
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Een Steen is hard en weerbarstig, men kan daar niets indrukken maar men moet het met een scherpe en wel geslepen beitel daarin slaan. Het hart van een onherborene is ook hard en weerbarstig, ongenegen, onbekwaam om wat goeds te ontvangen tenzij dan dat de Heere door Zijne sterke hand dat daarin drijve. Dat is ook de reden waarom zulken hart vergeleken wordt bij een steenachtigen grond, daarin het zaad van Gods Woord geen vat kan krijgen, Matth. 13:5, 20. Ja het is altijd genegen de bewegingen des Geestes te wederstaan, Hand. 7:52. Het is wel waar dat de Heere in de bekering die tegenstand te boven komt en wegneemt maar van nature is het harte zo gesteld dat het niet anders kan als wederstaan. Hier komt nog bij dat deze hardigheid door het dikwijls herhalen van de zonde dagelijks meerder wordt gelijk de steen in de blaas door het gestadig toevloeien van slijm en het gedurig afzakken van zandig gruis aan bakt en een nieuwe korst krijgt en alzo van dag tot dag groter wordt. Menschen die met hare handen veel arbeid doen krijgen eelt en hardigheid in haar handen. Zondaars die van de zonde haar gewoonlijk werk maken krijgen geen minder eelt en hardigheid in haar harte. Het gansche huis Israëls is stijf van voorhoofde ende hart van harten zijn ze, zeide de Heere, Ezech. 3:7. Zacharia zegt dat ze haar harte maakten als een diamant, hst. 7:12.
Ds. Florentius Costerus
Ds. Florentius Costerus
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Want het Evangelie is aan ons verkondigd, zoals ook aan hen, maar het woord van de prediking heeft hun geen enkel nut gedaan, omdat het niet vermengd was met het geloof in diegenen die het hoorden, Hebr. 4:2.
Jean Mestrezat schreef: Het Evangelie werd dus verkondigd aan de vaderen in de woestijn, maar wat gebeurde er? Het woord van de prediking, of het woord dat zij hoorden, deed hun geen enkel nut, omdat het niet vermengd was met het geloof in diegenen die het hoorden. De Apostel spreekt, mijns inziens, over het woord als over een zaad wat in de aarde geworpen wordt, en wat geen vrucht draagt als het niet vermengd wordt met de aarde en daarin ingesloten door vochtigheid. Want het geloof is als de vochtigheid, die, als zij met het woord vermengd wordt, dat met onze zielen verenigt en het daar inlijft, opdat het daar vruchtdrage. Want zoals er zonder vochtigheid niets is wat het zaad neemt om dat met de aarde te verbinden, zo is er zonder geloof niets in ons wat het woord ontvangt en dat neemt om het op onze zielen toe te passen in heiligmaking, troost en hoop. Zo vormt dit woord in onze zielen door het geloof een wezen van Christelijke deugden en een afbeelding van God, een onvergankelijk wezen, zoals de heilige Petrus zegt dat wij wedergeboren zijn, niet door vergankelijk, maar onvergankelijk zaad, wat het woord is van de levende God en blijft tot in eeuwigheid, 1 Petr. 1:23. Als het woord van God zo in onze zielen ontvangen wordt en vermengd met het geloof, dan woont het rijkelijk in ons in alle wijsheid.
Bijvoorbeeld: het woord van God is een woord van vrede, van welwillendheid en van liefde. Als u dat gelooft en dat met geloof in uw ziel plaatst, ervan overtuigd zijnde dat God u liefgehad heeft in Zijn Zoon, u uw overtredingen vergeven heeft en u geen van Zijn goederen zal weigeren, dan zal deze overtuiging de welwillendheid, de vrede en de liefde van God zo inwortelen in uw ziel, dat u veranderd zult worden in hetzelfde beeld: u zult uw naasten vergeven, zoals u gelooft dat God u vergeven heeft, en u zult hen ondersteunen in hun moeite en gebrek, zoals u gelooft dat God u ondersteund heeft. Insgelijks: het woord van God roept u tot het geluk van het koninkrijk der hemelen. Als u gelooft dat de ware goederen daar voor u gereserveerd en bewaard zijn: de ware eer en het ware vermaak, is het dan niet waar, als dit woord op die manier ingelijfd is in uw hart, dat u zich dan niet zult bezighouden met de goederen van deze eeuw, als u oordeelt dat zij niets zijn in deze vergelijking, en dat hun zoetheid altijd vermengd is met bitterheid, en dat zij voorbijgaan en vergankelijk zijn? Naar de maat waarin u dit woord in uw ziel zult vermengen met het geloof, naar die maat zult u in uzelf de wereldse begeerlijkheden van gierigheid, van ambitie en van vleselijke wellusten voelen sterven. Insgelijks: als u met geloof de belofte ontvangt die God u doet: dat Hij u zal vergelden in het koninkrijk der hemelen, zelfs tot een beker koud water toe, die u in Zijn naam gegeven zult hebben, en dat Hij u alles zal laten oogsten wat u in aalmoezen gezaaid zult hebben, is het dan niet waar dat u er vermaak in zult hebben om goed te doen aan uw naaste, en dat u niets voor zekerder en beter bewaard houdt dan datgene wat u gegeven en verdeeld hebt in naastenliefde? In het kort: is het niet waar, als u het geloof vermengt met de belofte die God Zijn kinderen doet: dat Hij alle dingen voor hen ten goede zal wenden en met hen zal zijn in hun kwaden, dat dit geloof uw ziel zal vervullen met vrede en rust, en al uw zorgen en uw ergernissen zal neerslaan?
Het is dus het geloof wat Gods woord in ons laat werken, waarvan de Apostel ook zegt dat het geloof is werkende door liefde, Gal. 5:6. Hieruit leert u dat het geloof de werken voortbrengt. Want aangezien het Gods woord is wat ons aanzet tot alle goed werk, en aangezien het woord slechts in ons werkt door het geloof, daarom moeten de goede werken door het geloof voortgebracht worden. Daarom wordt er gezegd dat onze harten gezuiverd zijn door het geloof, Hand. 15:9. Ja, daarom wordt er gezegd dat Christus in onze harten woont door het geloof, Efe. 3:17, want Christus woont in ons door de kracht van Zijn woord, wat door het geloof onze gedachten gevangenneemt tot Zijn gehoorzaamheid, 2 Kor. 10:5, en in ons deze nieuwe mens vormt, die geschapen is naar God, in rechtvaardigheid en ware heiligheid, Efe. 4:24.
Welnu, hieruit blijkt dat de beroving van de zaligheid volledig de fout is van de mens, aangezien God het Evangelie aanbiedt aan de mens, en als het Evangelie hem geen nut doet, dan is dat omdat het in hem niet met het geloof vermengd is. En oordeel hier of de mond niet gesloten is voor elk tegenspreken, aangezien de mens weigert zijn God te geloven, en hij Zijn lieflijkste en beminnelijkste beloften verwerpt, namelijk die van het koninkrijk der hemelen.
- J.C. Philpot
- Berichten: 11085
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Daarom blijft er voor ons niet anders over dan dat wij ondanks onze verschrikkelijke nood en ondanks alles wat tegenstrijdig is, tóch geloven zonder geloof en Hem tóch aangrijpen!
We komen tot Hem zonder voeten en grijpen Hem aan zonder handen.
We geven ons aan Hem over zoals we zijn, en we veroordelen ons voor Hem vanwege onze ongelovigheid.
We bidden Hem om ons ongeloof te hulp te komen en houden het zo voor gewis en waarachtig dat Hij het kan, omdat Hij de Heiland is van arme zondaren. Het is geloof als men, dood in misdaden en zonden, bedekt met wonden en etterbuilen, verhard en verstokt en zonder God, zonder verstand, zonder een gebroken hart, als een opstandeling – tóch zijn toevlucht tot Jezus neemt. Waar zo’n geloof is, wil God dat men met de klomp van het eigen stinkend zondig niets-zijn, geheel misvormd en wanstaltig, in z’n bloed liggend, gruwelijk en afschuwelijk – tot Hem zal gaan Die al onze dwaasheid ziet.
Zo’n geloof dat zich niet langer door satans listen en tirannie laat bedriegen, zich niet van de genade laat terughouden, maar juist naar Hem toegaat vanwege de verschrikkelijke nood – zo’n geloof wil de Heere versterken door ons Zijn vlees te eten en Zijn bloed te drinken te geven.
Ds. H.F. Kohlbrugge
Bron: nieuwsbrief Vriend en metgezel
We komen tot Hem zonder voeten en grijpen Hem aan zonder handen.
We geven ons aan Hem over zoals we zijn, en we veroordelen ons voor Hem vanwege onze ongelovigheid.
We bidden Hem om ons ongeloof te hulp te komen en houden het zo voor gewis en waarachtig dat Hij het kan, omdat Hij de Heiland is van arme zondaren. Het is geloof als men, dood in misdaden en zonden, bedekt met wonden en etterbuilen, verhard en verstokt en zonder God, zonder verstand, zonder een gebroken hart, als een opstandeling – tóch zijn toevlucht tot Jezus neemt. Waar zo’n geloof is, wil God dat men met de klomp van het eigen stinkend zondig niets-zijn, geheel misvormd en wanstaltig, in z’n bloed liggend, gruwelijk en afschuwelijk – tot Hem zal gaan Die al onze dwaasheid ziet.
Zo’n geloof dat zich niet langer door satans listen en tirannie laat bedriegen, zich niet van de genade laat terughouden, maar juist naar Hem toegaat vanwege de verschrikkelijke nood – zo’n geloof wil de Heere versterken door ons Zijn vlees te eten en Zijn bloed te drinken te geven.
Ds. H.F. Kohlbrugge
Bron: nieuwsbrief Vriend en metgezel
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield