Onder dit betoog ligt de veronderstelling dat scheiding pas gerechtvaardigd is bij het onderscheid 'waar' en 'vals'. In de afgescheiden traditie is echter al snel gesproken over 'graden van zuiverheid', maar dat terzijde.rhadders schreef: ↑Vandaag, 14:45Ik reageer nu even op jou, maar je bent zeker niet de enige die dit zo stelt. Je uitspraak illustreert het grootste probleem op dit moment in de CGK en dan met name bij 'Rijnsburg'. Dat is niet vrouw en ambt, homoseksualiteit of Schriftgezag. Daarom zal ik hier hetzelfde zeggen als ik in de classis heb gezegd, waar ook grote woorden vielen: als wij zelf niet eens meer weten wat echt fundamenteel is in ons geloof, als we zelf niet eens meer kunnen onderscheiden wie broeders en zusters zijn, wat ware en valse kerken, hoe menen wij dan gemeenten te kunnen leiden?
Het probleem is het geestelijk leiderschap. De CGK verdient betere herders. Herders die de héle kudde bijeenhouden, geen herders die de vette en sterke schapen afzonderen uit angst hen te verliezen (Ez.34).
Rijnsburg zal (evenals Hoogeveen) duidelijkheid moeten verschaffen: óf de kerken die afwijken zijn valse kerken, dan is afscheiding noodzakelijk. Of het zijn geen valse kerken, maar dan vervalt de grond onder Rijnsburg en roepen zowel Schrift als belijdenis op om de eenheid niet te verbreken. Want alleen een valse kerk (c.q. vals kerkverband) wettigt afscheiding. Van een ware kerk scheid je je niet af, die draag je en die reformeer je van binnenuit. Leiders die daar twijfel over laten bestaan - terwijl ze gemeenten ondertussen wel meenemen in allerlei keuzes - sturen gelovigen de mist in. Naar zulke leiders zouden gemeenten niet zomaar moeten luisteren.
Dit raakt mij echt tot in het diepst van mijn vezels. Vooral ook omdat we totaal niet in de gaten lijken te hebben welke gevolgen dit heeft op met name jonge generaties in de kerk. Juist dat wat we wensen te behouden, zullen we gaan verliezen.
P.S. @Huisman, ik begrijp je terughoudendheid om broeders en zusters 'vals' te noemen. Maar die schroom zou ons juist tot het bewaren van de eenheid moeten bewegen, niet tot afscheiding.
Ik denk dat het ook niet onze taak is om personen ware of valse christenen te noemen; wel dat besluiten van kerken bewijzen kunnen zijn van het afwijken van Schrift en belijdenis. Dan komen we opnieuw op het punt van de omgang met de Schrift. Die is hier inderdaad in het geding; die geluiden hebben ter synode ook echt wel geklonken, en sporen daarvan zijn ook in de aanvaarde meerderheidsrapportage te vinden.
Dat is overigens geen zaak van vandaag of gisteren, maar die veranderde omgang met de Schrift is al decennia te beluisteren in de prediking. Daar is langzamerhand het fenomeen 'gesloten kansels' vandaan gekomen, omdat plaatselijke kerkenraden of niet meer geconfronteerd wilden worden met substantiële aandacht voor de diepe ellende waarin we als mens gekomen zijn, ook verbondskinderen, en de godloosheid van ons bestaan. Of dat men anderzijds de gemeente wilde bewaren voor sterk verbondsmatige prediking waarin de noodzaak en het wonder van wedergeboorte, maar ook de wijze waarop de Heere dat bevindelijk werkt in het hart, niet meer gehoord werd.
Ik wil maar zeggen: dáár en toen had dat gesprek moeten plaatsvinden (pak 'm beet zo'n dertig, veertig, vijftig jaar geleden). Toen zijn er wel veel discussies gevoerd, o.a. over gezangen, maar een diepteboring naar het fundamentele probleem is nauwelijks gedaan, zowel niet door 'Rijnsburg' als niet door 'Hoogeveen'. Voor dat gesprek is het nu te laat...
Verder merk ik in je betoog ecclesiologisch een sterk hervormde manier van denken. Ik heb daar respect voor, al deel ik die kerkvisie niet. Maar met de maat waar je nu mee mee, zul je de voortzetting van de CGK in 1892 toch ook moeten veroordelen als een gebeurtenis die is georganiseerd door 'leiders die mist opwerpen'. Hetzelfde geldt m.i. voor de Afscheiding van 1834. Je mag daar tegenwoordig nauwelijks nog dankbare woorden over spreken. Maar bij de herdenking van een eeuw Afscheiding was er door de landelijke CGK een 'eeuwfeest' georganiseerd. Met bussen trokken vele kerkgangers (CGK'ers) naar een landelijke herdenking op 18 okt. 1934 te Utrecht (eerder ook op 15 okt. 1934 te Ulrum), waarop in lange toespraken nog eens duidelijk werd gemaakt wat de beginselen van de Afscheiding waren, waarom de CGK nog steeds als apart kerkverband bestond (en bestaat). De titels van de toespraken zeggen genoeg: ''k Zal gedenken!', 'Kleine en toch grote kracht', 'Aarden vaten', 'De Afscheiding - een geloofsdaad', De Afscheiding - een werk Gods!', 'Onze gedenkzuil', 'De vader der Afscheiding en de handhaving onzer belijdenis', 'Gedenken en bewaren'. Met weemoed lees je dit soort toespraken. Want hierin ligt toch echt de bestaansreden en daarmee de bestaansgrond van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Als dat wordt losgelaten in de prediking en praktijk, rest er maar één ding: het kerkverband geheel en al opheffen.
Uit de laatste toespraak (van ds. L.H. van der meiden) citeer ik een stukje:
"Geliefde broeders en zusters, er is op dezen gedenkdag iets van een stem des gejuichs en des geweens in ons, een klaagzang en loflied in één accoord, zoodat de ééne stem niet goed van de andere onderkend kan worden (Ezra 3: 12, 13). Er is een heilig lachen bij het gedenken der groote daden Gods en een weenend smeeken bij het gedenken der gevangenen Zions en het zaaien met tranen waartoe deze tijd bijzonder roept (Psalm 126). Er is een lofzang in ons hart, als wij gedenken, hoe de Heere Zijne heerlijkheid openbaarde in de tenten der Afscheiding, Zijn zegen gaf in de schuren en stallen, maar er is ook in ons een smart, een treuren over de breuk Zions, gelijk Mozes treurde in de tent, afgescheiden van het leger (Exod. 33 en 34). (...)
Wij moeten blijven bij het Credo der Afscheiding, het credo der souvereiniteit Gods en der verkiezing; het credo van den staat des doods en van den mensch en van het werk van Christus en des Geestes, noodzakelijk tot zaligheid; het credo van de Bijbelsche verbondsleer, zooals Jezus en de Apostelen ons leerden (Joh. 15; 1 Cor. 10, enz enz.)
Zoo dringt het gedenken tot danken en bewaren. (...) De Heere verloste Zijn volk en reformeerde Zijn Kerk. De kracht van het Kruis bleek, de werking des Geestes werd heerlijk openbaar, ten spijt van al het menschelijke, dat ook den vaderen der Afscheiding aankleefde. Wij moeten het pand, dit Credo der Afscheiding bewaren (1 Tim. 6: 20). Wij moeten de wacht betrekken bij de leer, die naar de Godzaligheid is en wij moeten een afkeer hebben van alle valsche wetenschap, van elke dwaling ook; ook van alle onbijbelsche interpretatie der confessie. Wakers en wachters moeten wij zijn in getrouwheid en gehoorzaamheid. (...) In 1892 is een klein gedeelte getrouw gebleven aan het Credo der Afscheiding. Dit pand moeten wij bewaren. Heilig houden. (...) Dit moeten wij ook verstaan voor eigen leven. Ds. De Cock legde nadruk op het persoonlijk kennen en beleven der waarheid. Hij waarschuwde in zijn inleiding op de Canones tegen het genoeg hebben aan een dood geloof, aan het kennen en toestemmen der gereformeerde leer. vergeten ook wij dit niet. Wij waarschuwen ook tegen deze dingen; wij waarschuwen ook tegen de misleidende verbondsleer, maar kennen wij de leer der Godzaligheid in haar kracht en beleven wij die in de vreeze Gods? Laten wij onze wegen doorzoeken en ons afvragen of wij door den wederbarenden Geest een nieuwe mensch zijn geworden, door het geloof Christus zijn ingelijfd en wandelen in Christus. Dan bewaren wij het pand ons toebetrouwd als rechte zonen en dochteren der Afscheiding! Geve de God aller genade, dat de gevelsteen dezer dagen in het Kerkgebouw onzer Kerk te Ulrum geplaatst, waarin het woord uit Timotheüs ("Bewaar het pand") gebeiteld is, nooit tegen ons en onze kinderen getuige."
Quis non fleret - als we bedenken hoe ver we hier in de praktijk vandaan zijn.