Onderstaand citaat uit de Saambinder van deze week is het overdenken wel waard in dit licht:Ariene schreef:we houden een Dankdag voor gewas en arbeid.Marco schreef:Even los van de gebruikelijke discussie over wel of niet uitverkoren zijn in de gemeente:
Als je op dankdag niet kunt danken voor wat God in materiële zin gegeven heeft, kan je beter geen dankdag houden. Noem het dan ook maar geen dankdag meer. Nou kan je zeggen: Van nature kan niemand dat - en dat klopt. Maar om een dankdienst te houden zonder te danken...
Dat is inderdaad niet reformatorisch. Reformatorisch is met de opstellers van de HC constateren dat God, die alles geschapen heeft, de schepping nog steeds onderhoudt en regeert tot mijn heil.
Net zo als het er staat gewas en arbeid
Ik verbaas me erover hoe moeilijk het is voor predikanten om dáár ook voor te danken.
Mijn ervaring is dat ook in de preek het gelijk doorgetrokken wordt naar het geestelijke.
en we daardoor te weinig stilstaan bij het wonder dat God ons allemaal nog de kracht gaf om
te zorgen dat de boeren konden zaaien en oogsten, bakkers konden bakken, en papa mocht werken om hun te kunnen betalen enz. enz.
Ik ben geringer dan al deze weldadigheden en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt, zegt Jakob in Genesis 32.
Dankdag houden. Er is alle reden voor. Jakob -hij is het die spreekt in onze tekst- noemt als redenen weldadigheden en trouw die de Heere aan hem gedaan heeft. (...)Dankdagredenen zijn er inderdaad te over. Het is goed rond dankdagtijd de ontvangen weldaden eens voor onszelf op te sommen. Als we eerlijk zijn,zal de lijst niet kort zijn. Nu is het ook gevaarlijk werk, dat te doen. Zomaar gaat de wortel, doe zo onuitroeibaar in onze zondig natuur zit om er groot of zelfvoldaan mee te worden, groeien. En het tegendeel moest gebeuren: we moesten er klein onder worden. Jakob achtte zichzelf geringer dan al die weldadigheden. Dat is een goede plaats: geringer zijn in eigen oog dan wat je krijgt, en dat voor het aangezicht van de Grote Gever.