Zo he, de kritiek is echt niet mals zeg.
En inderdaad, bij dr de Vries dus al een zorg die hij al jaren heeft.
Zou toch mooi zijn als dr van Vlastuin hierop zou reageren.
Het maakt het voor mij, en ik vermoed bij velen, verwarrend, ik heb voor beiden veel achting en respect.
Dr P. de Vries schreef:Een aantal overwegingen en aansporingen
Ik kom aan het einde van mijn analyse van het boek van Van Vlastuin. Voor hem is deze analyse niet nieuw. Tijdens de periode dat wij samen aan het Hersteld Hervormd Seminarie werkten, werd meer en meer duidelijk dat wij heel verschillende lijnen trokken. Dat kwam ook in het docentenberaad meer dan eens naar voren. Dan reageerde ik op publicaties van mijn collega die iedereen had kunnen lezen of uitspraken in de media waarvan iedereen kennis had kunnen nemen. Hier verwoord ik nu het een en ander wat voorzichtiger dan ik in besloten kring heb gedaan. Ik denk ook aan twee gesprekken die gevoerd zijn met de COV van de Hersteld Hervormde Kerk. Ik heb ook geen behoefte mij sterker uit te drukken dan ik nu doe.
De kritiek op mijn oud-collega heeft parallellen met de kritiek die in hervormd-gereformeerde kring door I. Kievit op J.G. Woelderink werd uitgeoefend. Dat mijn kritiek op mijn oud-collega indringender is dan die van Kievit op Woelderink heeft te maken met het feit dat Van Vlastuin veel hoogkerkelijker en sacramentalistischer denkt en spreekt dan Woelderink en daarom zijn doopvisie nog veel massiever is. Klassiek gereformeerde is dat de doop de weldaden van het genadeverbond verzegelt die hen die gedoopt worden reeds toebehoren, omdat er sprake is van een geloof en omdat het geloof als zaad reeds bij kinderen aanwezig kan zijn.
Hoe dan ook kan de doop die aan een kind bedient is, niet minder dan bij een volwassen alleen tot zegen zijn als er bij opgroeien mag blijken dat er sprake van berouw over de zonde, van geloof en bekering. Van Vlastuin kan echter zeggen dat de doop als zodanig in een nieuwe werkelijkheid plaatst. Dat is het geluid van sacramentalistische vormen van christendom waarin de noodzaak van persoonlijk ewedergeboorte wordt ontkend, omdat doop en wedergeboorte samenvallen
Meerdere overeenkomsten zijn er ook tussen de kritiek die vele jaren vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken richting de Gereformeerde erken Vrijgemaakt is uitgeoefend. aan de vragen die aan Van Vlastuin kunnen worden gesteld. Naast de verbondsleer en kerkleer van de ethische richting past de visie van Van Vlastuin het best bij die van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt die inmiddels zijn opgegaan in de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Zij sluit er eigenlijk naadloos bij aan. Overeenkomst is dat de notie van tweeërlei kinderen van het verbond geen plaats is. Wel houdt men de mogelijkheid op dat zij in volle zin verbondskind zijn, het verbond verbreken. Maar degenen van dat geldt in de preek moet worden aangesproken wordt niet duidelijk en al helemaal niet dat zij moeten worden opgeroepen de toekomende toorn te ontvlieden en tot Christus te gaan om voor het eerst werkelijk in de weldaden van het verbond te gaan delen.
Dat bevreemdt niet als wij bedenken dat Van Vlastuin in 2024 in een podcast van het ND aangaf dat helaas de samensprekingen tussen de Hersteld Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, die niet lang na 2004 plaatsvonden, geen vervolg kregen. Hij gebruikte het woord ‘vreselijk’ om aan te geven hoe erg hij het vond dat het niet tot kerkelijke eenheid was gekomen. Wie In Christus gedoopt heeft gelezen, kan deze uitspraak helemaal plaatsen. Hij zal ook beter gaan begrijpen waarom Van Vlastuin weinig moeite heeft om publiek van zijn geestelijke verbondenheid met midden-orthodoxe theologen te spreken. Ongeloof en onbekeerlijkheid zijn immers voor gedoopten onmogelijke mogelijkheden.
Zonder een laatste oordeel over mensen persoonlijk te vellen (dat komt alleen aan God toe), moet ik eerlijk zeggen dat mijn geestelijke verbondenheid in heel andere richtingen gaat. Binnen de gereformeerde gezindte voel ik mij buiten hervormde kring het meest verwant aan hen die qua instelling en geestelijk houding vergeleken kunnen worden met wat ds. W.L. Tukker de oudchristelijk-gereformeerden noemde.
In de wereldkerk denk ik naast presbyterianen zoals John Duncan en Archibald Alexander aan anglicanen zoals John Newton en J.C. Ryle (een van mijn oude schoolvrienden en de oudste broer van mijn inmiddels overleden zwager kerkte in Canada in een anglicaanse gemeente van dat karakter) ook aan baptisten zoals John Bunyan, Charles Haddon Spurgeon en om dichter in het heden te komen aan mensen als Albert Mohler, John MacArthur en Ben Ramsbottom.
In tegenstelling tot deze baptisten geloof ik dat ook kinderen van christenouders niet alleen bij de onzichtbare kerk kunnen behoren maar dat zij hoe dan ook bij de zichtbare kerk behoren en daarom gedoopt moeten worden. Met hen ben ik er echter van overtuigd dat wij pas een ware christen worden als wij gehoor geven aan Christus’ roepstem: ‘Kom herwaarts tot Mij, gij die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’
Voor mij is het ongedoopt laten van kinderen van gelovige ouders bepaald geen middelmatige zaak, maar daarboven uit gaat toch de band met hen die weten van de boodschap dat God vijanden met Zichzelf verzoend en doden medelevend maakt met Christus. Met hen die er niet van willen weten dat je in de kerk, en niet van de kerk, kunt zijn, voel ik een zeer, zeer grote geestelijke afstand.
Ik zou degenen die het boek van Van Vlastuin hebben gelezen ook willen aanraden naast de traktaten die ik al van Ryle noemde, ook zijn boek Warnings to the Churches waarvan een Nederlandse vertaling beschikbaar is, te lezen. Ik denk ook aan de catechismusverklaring van Kohlbrugge die wij kennen onder de naam De eenvoudige Heidelberger.
Ik kan niet laten een sprekende passage uit dit werk te citeren: ‘Dus kom ik tot u, mijn kind, tot u, volwassene, met de vraag: „Welke is uw enige troost, beide in leven en sterven?” Het Evangelie sluit hier niet één uit. De vraag komt tot een, tot twee, tot vier, tot duizend, tot een gehele Gemeente, tot een hele stad, tot een geheel land. „Maar die hebben het toch niet allen!”
Nee, niet één heeft het van zichzelf. Maar de vraag moet hun gedaan worden. Hij, die in de Catechismus deze vraag stelt, is iemand, die weet, in wie hij gelooft, iemand, die weet, dat zijn erfdeel bij God voor hem weggelegd en bewaard wordt tot op de Jongste dag. Maar als hij met de vraag komt, richt hij haar in het algemeen tot allen zonder onderscheid.
„Ja”, zegt u, „maar daarom heeft men de troost nog niet!” Nee, maar de vraag komt juist daarom, opdat de mens tot zichzelf inkere en wel overwege: „Wat vraagt die man daar? Hij spreekt van troost; – wat is dat? Hij spreekt van troost, beide in leven en sterven. Hij vraagt mij: welke is uw troost? Hij vraagt: Welke is uw enige troost?” De zon heeft geschenen, de regen is gevallen; – waar de vraag werkt, daar werkt zij. De vraag komt echter niet zo, dat zij zegt: dat gaat ú wel aan, maar ú niet! Maar zij komt, zoals de ware Gereformeerde leer altijd komt, met de genade. En nu een vraag: wie kan zich bij aanvang of voortgang, met deze vraag voor ogen, op zijn leven beroemen? De vraag zelf zal bekeren.’
Mijn bede is dat in deze geest en lijn het Woord verkondigd wordt in plaatselijke gemeenten of het gemeenten van de Hersteld Hervormd Kerk betreft, de Protestantse Kerk in Nederland, de christelijke Gereformeerde Kerken, de Nederlands Gereformeerde Kerken, (Oud) Gereformeerde Gemeente (in Ned) en ook gemeenten buiten de gereformeerde gezindte in strikte zin. Dat die prediking er blijft waar zij zo klinkt en dat zij terugkomt waar zij zo heeft geklonken dat zij zo gaat klinken waar zij tot dusver niet zo klonk. De prediking van de ene Naam tot zaligheid, van de noodzaak de brede weg te verlaten en de smalle te gaan bewandelen en van het feit dat wij vanuit onze nood om genade gaan roepen en als wij verlossing vinden in Christus maar één wens hebben en dat is om voor Hem te leven.
Mijn bezwaar tegen In Christus gedoopt kan ik ten slotte het beste zo weergeven dat ik daarin mis wat ik een heel bekend lied wordt verwoord. Mijn diepe wens dat iedereen die deze bijdrage leest dit lied niet alleen met de mond maar ook met het hart leert zingen. Gezien wat ik tot dusver schreef hoef ik dat niet verder toe te lichten:
Amazing grace how sweet the sound,
That saved a wretch like me;
I once was lost, but now am found;
Was blind, but now I see.
*
’Twas grace that taught my heart to fear,
And grace my fears relieved;
How precious did that grace appear
The hour I first believed!
*
Through many dangers, toils, and snares,
I have already come;
’Tis grace has brought me safe thus far,
And grace will lead me home.
*
The Lord has promised good to me,
His Word my hope secures;
He will my shield and portion be,
As long as life endures
*
Yes, when this flesh and heart shall fail,
And mortal life shall cease,
I shall possess, within the veil,
A life of joy and peace.
*
The earth shall soon dissolve like snow,
The sun forbear to shine:
But God, who called me here below,
Will be for ever mine.
N.a.v. Dr. W. van Vlastuin, In Christus gedoopt. Ons doopformulier voor hart en hoofd (Apeldoorn: De Banier, 2025), hardcover 432 pp., €34,95 (ISBN 9789402912302)