Mijne geliefde Broeders en Zusters! Wij ondervinden en smaken iets van Gods genade, wanneer wij daarvan eenen straal te zien krijgen, dat God onze God is; dan worden wij voortdurend rijkelijk getroost en er van verzekerd, dat onze God leeft en niet sterft. Als Hij onze God is, zoals Hij immers tot Zijn volk in het eerste gebod gezegd heeft: „Ik ben de Heere, uw God", dan is Hij onze God als Verbondsgod. Is Hij nu onze God, zo is Hij ook de God van ons zaad eeuwiglijk. Kunnen wij niet sterven, zo kan ook ons zaad niet sterven.
Intussen blijft hierbeneden het harteleed en de droefheid, hierbeneden blijft de dood en het menigvuldige lijden; maar onze droefheid is toch eene andere dan die der heidenen, het is een droefheid naar God, een geheiligde droefheid, zulk een, waarbij den mens steeds bange is om troost Gods.
Waar dit het geval is, daar wil God tegenwoordig zijn en troosten, en Hij troost toch het allerbest daarmede, dat Hij het ons te verstaan geeft, dat Hij onze God is, de Eerste en de Laatste, Die niet sterft, Die Zijn Woord getrouwelijk waarmaakt, Die al Zijn werken tot een goed einde leidt. Zo zien wij dan op het einde. Dat is toch het einde: de eeuwige heerlijkheid, het eeuwige leven! Ik zeg dat is het einde der droefheid, het begin der eeuwige blijdschap, waar God ons alzo troost, dat wij daarvan verzekerd gemaakt worden: Weldra is er aan alle lijden een einde, weldra is de tijd der rust daar, weldra de eeuwige Sabbat, wij leggen ons spoedig ter ruste; en: Hij komt, Hij komt! Hij zal niet uitblijven, Hij, tot Wien de Gemeente roept: Ja kom, Heere Jesus!
Ds. H.F. Kohlbrugge
Gelezen (geloofsopbouwend)
- J.C. Philpot
- Berichten: 11167
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
De verlangens van de rechtvaardigen zijn de kern van al hun gebeden; en er wordt gezegd: „Het gebed van de oprechten is Hem welgevallig.”
Jezus Christus maakte onderscheid tussen de vorm en de geest die in het gebed aanwezig zijn. Hij maakt duidelijk dat de ziel van het gebed ligt in de verlangens van een mens. Daarom zei Hij: „Daarom zeg Ik u: Alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangt, en het zal u ten deel vallen” (Markus 11:24).
Als iemand nog zo lang bidt en nog zoveel indrukwekkende woorden in zijn gebed gebruikt, telt God het niet als werkelijk gebed wanneer er geen warme en vurige verlangens achter die woorden liggen. David zei: „HEERE, al mijn verlangen ligt voor U, en mijn zuchten is voor U niet verborgen” (Ps. 38:10).
Kunt u zeggen wat u verlangt wanneer u bidt? Of komen uw gebeden voort uit het verlangen, smachten en uitzien van uw hart? Zo niet, dan zullen ze niet worden verhoord. Want God kijkt, wanneer mensen bidden, of hun hart en geest in hun gebeden aanwezig zijn. Al het andere beschouwt Hij als ijdel gepraat.
„U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met heel uw hart” (Rom. 8:26-27; Matt. 6:7; Jer. 29:12).
De mensen over wie u leest in 2 Kronieken 15 worden gezegd te hebben gedaan wat zij deden „met heel hun hart en met heel hun ziel.” „Zij zochten de HEERE met heel hun verlangen” (2 Kron. 15:11-15).
Wanneer iemands verlangens hem tot gebed brengen, wanneer hij zijn hart uitstort en zijn gebed opstijgt naar de hemel, is dat een goed teken dat hij een rechtvaardig mens is en dat zijn verlangen zal worden vervuld.
Ds. J. Bunyan
Jezus Christus maakte onderscheid tussen de vorm en de geest die in het gebed aanwezig zijn. Hij maakt duidelijk dat de ziel van het gebed ligt in de verlangens van een mens. Daarom zei Hij: „Daarom zeg Ik u: Alles wat u biddend begeert, geloof dat u het ontvangt, en het zal u ten deel vallen” (Markus 11:24).
Als iemand nog zo lang bidt en nog zoveel indrukwekkende woorden in zijn gebed gebruikt, telt God het niet als werkelijk gebed wanneer er geen warme en vurige verlangens achter die woorden liggen. David zei: „HEERE, al mijn verlangen ligt voor U, en mijn zuchten is voor U niet verborgen” (Ps. 38:10).
Kunt u zeggen wat u verlangt wanneer u bidt? Of komen uw gebeden voort uit het verlangen, smachten en uitzien van uw hart? Zo niet, dan zullen ze niet worden verhoord. Want God kijkt, wanneer mensen bidden, of hun hart en geest in hun gebeden aanwezig zijn. Al het andere beschouwt Hij als ijdel gepraat.
„U zult Mij zoeken en vinden, wanneer u naar Mij zult vragen met heel uw hart” (Rom. 8:26-27; Matt. 6:7; Jer. 29:12).
De mensen over wie u leest in 2 Kronieken 15 worden gezegd te hebben gedaan wat zij deden „met heel hun hart en met heel hun ziel.” „Zij zochten de HEERE met heel hun verlangen” (2 Kron. 15:11-15).
Wanneer iemands verlangens hem tot gebed brengen, wanneer hij zijn hart uitstort en zijn gebed opstijgt naar de hemel, is dat een goed teken dat hij een rechtvaardig mens is en dat zijn verlangen zal worden vervuld.
Ds. J. Bunyan
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
- J.C. Philpot
- Berichten: 11167
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Hoe langer ik leef en hoe dichter ik bij de hemel kom, des te meer verontrust het mij dat zo veel mensen zich christen noemen, maar zo weinig blijk geven werkelijk christen te zijn. Hoe meer ik nadenk over de radicale, wonderlijke aard van de wedergeboorte en de absolute noodzaak daarvan om het Koninkrijk van God binnen te gaan (Joh. 3:3, 5), des te bedroevender vind ik het dat zo veel mensen die belijden christen te zijn zo onverschillig lijken te staan tegenover het feit dat zij nieuwe schepselen in Christus behoren te zijn.
Mijn verdriet groeit wanneer ik bedenk dat er mogelijk miljoenen mensen zijn die zichzelf beschouwen als christenen die voor de hemel bestemd zijn en aan de hel zullen ontkomen, maar die dat in werkelijkheid niet zijn—mensen bij wie Christus slechts aan de rand van hun gedachten en genegenheden staat, en niet het middelpunt is dat hun leven verandert. Er zijn mensen die bij het oordeel zullen horen dat Jezus tegen hen zegt: „Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij” (Matt. 7:23).
Toen ik nadacht over de wortels van deze dreigende ramp, kon ik niet ontkomen aan de overtuiging dat deze gedeeltelijk voortkomt uit een wijdverbreid misverstand over wat het reddende geloof inhoudt—niet alleen onder naamchristenen, maar ook onder predikanten die de nietsvermoedende „christenen” niet op hun dwaling wijzen. Natuurlijk ben ik niet de enige die deze naderende schok voor naamchristenen bij het oordeel van Christus heeft zien aankomen. Velen hebben gewaarschuwd voor deze dodelijke ziekte van ongeloof die zich onder kerkgangers bevindt.
Ds. J. Piper
Mijn verdriet groeit wanneer ik bedenk dat er mogelijk miljoenen mensen zijn die zichzelf beschouwen als christenen die voor de hemel bestemd zijn en aan de hel zullen ontkomen, maar die dat in werkelijkheid niet zijn—mensen bij wie Christus slechts aan de rand van hun gedachten en genegenheden staat, en niet het middelpunt is dat hun leven verandert. Er zijn mensen die bij het oordeel zullen horen dat Jezus tegen hen zegt: „Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij” (Matt. 7:23).
Toen ik nadacht over de wortels van deze dreigende ramp, kon ik niet ontkomen aan de overtuiging dat deze gedeeltelijk voortkomt uit een wijdverbreid misverstand over wat het reddende geloof inhoudt—niet alleen onder naamchristenen, maar ook onder predikanten die de nietsvermoedende „christenen” niet op hun dwaling wijzen. Natuurlijk ben ik niet de enige die deze naderende schok voor naamchristenen bij het oordeel van Christus heeft zien aankomen. Velen hebben gewaarschuwd voor deze dodelijke ziekte van ongeloof die zich onder kerkgangers bevindt.
Ds. J. Piper
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Jes. 42:4 Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.
Ik hoef denk ik niet verder uit te werken wat onze Heere allemaal van plan is te doen. Waar het mij om gaat is dit: wat Hij op Zich heeft genomen, zal Hij ook volbrengen. De opdracht die Hij heeft ontvangen, zal Hij uitvoeren. Hij zal niet tekortschieten en Hij zal niet moedeloos worden voordat Zijn hele werk voltooid is.
Broeders, wij twijfelen soms. We vragen ons af: gaat het eigenlijk wel goed? Vindt Gods werk wel voortgang? Kijk dan naar Hem die aan het hoofd staat van alles, die het hoge bestuur van de hemel in handen heeft, op Wiens schouders Gods grote werk van de redding van mensen rust. Kijk naar Hem en put daar moed uit. U en ik kunnen falen, en als we dat doen, is dat tot onze schande. Wij kunnen moedeloos worden, en als we daaraan toegeven, is dat onze zonde. Maar Hij zal niet falen en Hij zal niet moedeloos worden, totdat Hij iedere belofte van genade heeft vervuld en ieder onderdeel van Gods eeuwige plan van liefde heeft uitgevoerd.
Ik geloof in de volharding van de Heere Jezus Christus tot het einde. Ik geloof ook in de volharding van iedere gelovige afzonderlijk. En ik geloof in de volharding van de gelovigen als geheel: Gods gemeente zal blijven bestaan en haar werk voortzetten totdat haar taak is volbracht. „De poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.” Maar nog veel groter vind ik de gedachte aan de volharding van Christus Zelf. Stel dat Hij Zijn werk zou neerleggen en zou zeggen: „Het is onmogelijk.” Dan zou het er werkelijk slecht voor ons uitzien. Stel dat Hij Zich zou afkeren van Zijn grote werk en zou zeggen: „Ik zal niet langer proberen deze opstandige mensen te redden. Ik zal niet langer licht laten schijnen in de duisternis die het niet aanneemt. Ik geef het werk op waarin mensen zich zo dwaas tegen Mij verzetten.” Dan zou alle hoop voor de mens verdwijnen.
Maar zolang dit woord waar is, blijft de deur van de hoop open. Wij hoeven niet te bezwijken of moedeloos te worden, want Hij zal dat niet doen.
C.H. Spurgeon
Uit: Christ’s Work No Failure
January 30, 1887
Ik hoef denk ik niet verder uit te werken wat onze Heere allemaal van plan is te doen. Waar het mij om gaat is dit: wat Hij op Zich heeft genomen, zal Hij ook volbrengen. De opdracht die Hij heeft ontvangen, zal Hij uitvoeren. Hij zal niet tekortschieten en Hij zal niet moedeloos worden voordat Zijn hele werk voltooid is.
Broeders, wij twijfelen soms. We vragen ons af: gaat het eigenlijk wel goed? Vindt Gods werk wel voortgang? Kijk dan naar Hem die aan het hoofd staat van alles, die het hoge bestuur van de hemel in handen heeft, op Wiens schouders Gods grote werk van de redding van mensen rust. Kijk naar Hem en put daar moed uit. U en ik kunnen falen, en als we dat doen, is dat tot onze schande. Wij kunnen moedeloos worden, en als we daaraan toegeven, is dat onze zonde. Maar Hij zal niet falen en Hij zal niet moedeloos worden, totdat Hij iedere belofte van genade heeft vervuld en ieder onderdeel van Gods eeuwige plan van liefde heeft uitgevoerd.
Ik geloof in de volharding van de Heere Jezus Christus tot het einde. Ik geloof ook in de volharding van iedere gelovige afzonderlijk. En ik geloof in de volharding van de gelovigen als geheel: Gods gemeente zal blijven bestaan en haar werk voortzetten totdat haar taak is volbracht. „De poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.” Maar nog veel groter vind ik de gedachte aan de volharding van Christus Zelf. Stel dat Hij Zijn werk zou neerleggen en zou zeggen: „Het is onmogelijk.” Dan zou het er werkelijk slecht voor ons uitzien. Stel dat Hij Zich zou afkeren van Zijn grote werk en zou zeggen: „Ik zal niet langer proberen deze opstandige mensen te redden. Ik zal niet langer licht laten schijnen in de duisternis die het niet aanneemt. Ik geef het werk op waarin mensen zich zo dwaas tegen Mij verzetten.” Dan zou alle hoop voor de mens verdwijnen.
Maar zolang dit woord waar is, blijft de deur van de hoop open. Wij hoeven niet te bezwijken of moedeloos te worden, want Hij zal dat niet doen.
C.H. Spurgeon
Uit: Christ’s Work No Failure
January 30, 1887
- J.C. Philpot
- Berichten: 11167
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
De begeerte van de goddelozen zal vergaan
De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; hij zal met zijn tanden knersen en smelten. de wens der goddelozen zal vergaan.
Psalm 112:10
U hebt gehoord wat er tot nu toe gezegd is over begeerten en welke aangename dingen de juiste begeerten voor God zijn. Maar u moet weten dat het de begeerten van Zijn volk, van de rechtvaardigen, zijn die zo zijn. Geen begeerten van een goddeloos mens worden vervuld (Ps. 112:10). Deze mensen moeten daarvan worden onderwezen, voordat hun begeerten een strik voor hun ziel worden. U leest over een man wiens „begeerte hem doodt” (Spr. 21:25).
De natuurlijke mens verlangt ernaar om gered te worden en, wanneer hij sterft, naar de hemel te gaan. Vraag het aan een willekeurig natuurlijk mens en hij zal u dat vertellen. Bovendien zien we dat dit inderdaad zo is, vooral in bepaalde omstandigheden. Wanneer bijvoorbeeld schuld of overtuiging van zonde over iemand komt, of wanneer een plotselinge angst hem overvalt. Of wanneer zij bang zijn dat de pest of een andere besmettelijke ziekte hen zal treffen en hun hele huishouden zal treffen. Of wanneer de dood hen bij de keel heeft gegrepen en hen naar het graf voert. Dan: o, dan! „Heere, red mij! Heere, wees mij genadig! Goede mensen, bid voor mij! O, waar zal ik heengaan wanneer ik sterf, als de lieve Christus geen medelijden heeft met mijn ziel?”
En nu schudt het bed en verlangt de arme ziel ernaar het lichaam te verlaten, uit angst dat de duivel haar zal grijpen. Zoals de arme vogel uit de struik wil wegvliegen terwijl hij ziet dat de havik daar wacht om haar te grijpen.
Maar de angsten van de goddelozen zullen over de goddelozen komen. Het zijn de begeerten van de rechtvaardigen die vervuld moeten worden. Let hier goed op. En om dit met het gezag van God te onderbouwen, moet u dat Schriftwoord overdenken:
„Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.”
Ds. J. Bunyan
De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; hij zal met zijn tanden knersen en smelten. de wens der goddelozen zal vergaan.
Psalm 112:10
U hebt gehoord wat er tot nu toe gezegd is over begeerten en welke aangename dingen de juiste begeerten voor God zijn. Maar u moet weten dat het de begeerten van Zijn volk, van de rechtvaardigen, zijn die zo zijn. Geen begeerten van een goddeloos mens worden vervuld (Ps. 112:10). Deze mensen moeten daarvan worden onderwezen, voordat hun begeerten een strik voor hun ziel worden. U leest over een man wiens „begeerte hem doodt” (Spr. 21:25).
De natuurlijke mens verlangt ernaar om gered te worden en, wanneer hij sterft, naar de hemel te gaan. Vraag het aan een willekeurig natuurlijk mens en hij zal u dat vertellen. Bovendien zien we dat dit inderdaad zo is, vooral in bepaalde omstandigheden. Wanneer bijvoorbeeld schuld of overtuiging van zonde over iemand komt, of wanneer een plotselinge angst hem overvalt. Of wanneer zij bang zijn dat de pest of een andere besmettelijke ziekte hen zal treffen en hun hele huishouden zal treffen. Of wanneer de dood hen bij de keel heeft gegrepen en hen naar het graf voert. Dan: o, dan! „Heere, red mij! Heere, wees mij genadig! Goede mensen, bid voor mij! O, waar zal ik heengaan wanneer ik sterf, als de lieve Christus geen medelijden heeft met mijn ziel?”
En nu schudt het bed en verlangt de arme ziel ernaar het lichaam te verlaten, uit angst dat de duivel haar zal grijpen. Zoals de arme vogel uit de struik wil wegvliegen terwijl hij ziet dat de havik daar wacht om haar te grijpen.
Maar de angsten van de goddelozen zullen over de goddelozen komen. Het zijn de begeerten van de rechtvaardigen die vervuld moeten worden. Let hier goed op. En om dit met het gezag van God te onderbouwen, moet u dat Schriftwoord overdenken:
„Te allen dage doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd.”
Ds. J. Bunyan
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
- J.C. Philpot
- Berichten: 11167
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Uw kinderen hebben een eeuwige erfenis van geluk te verkrijgen — en daarvoor moet u hen opvoeden. Zij hebben een eindeloze ellende te ontvluchten — en dat is wat u hun ijverig moet leren. Als u hun niet leert God te kennen, hoe zij Hem moeten dienen, hoe zij zalig kunnen worden en hoe zij aan de vlammen van de hel kunnen ontkomen — dan leert u hun niets, of erger dan niets.
Het ligt in uw handen om hun de grootste weldaad of de grootste wreedheid te bewijzen die er in de gehele wereld bestaat! Help hen God te leren kennen en zalig te worden, en u doet meer voor hen dan wanneer u hen geholpen had koningen of vorsten te worden. Als u hun zielen verwaarloost en hen opvoedt in onwetendheid, wereldsgezindheid, goddeloosheid en zonde — dan verraadt u hen aan de duivel, de vijand van hun zielen, even waarlijk als wanneer u hen aan hem verkocht! U verkoopt hen om slaven van de satan te worden!
Als u slechts een brandende oven zag, en veel meer nog de vlammen van de hel — zou u dan niet denken dat die man of vrouw eerder een duivel dan een ouder genoemd zou moeten worden, die het in zijn hart zou kunnen vinden zijn kind daarin te werpen? Wat bent u dan voor monsters van onmenselijkheid, wanneer u in de Schrift leest wat de weg naar de hel is en wie God aan de satan zal overgeven — en toch uw kinderen juist op die weg opvoedt en geen moeite doet om hen daarvan te redden!
Ds. R. Baxter
Het ligt in uw handen om hun de grootste weldaad of de grootste wreedheid te bewijzen die er in de gehele wereld bestaat! Help hen God te leren kennen en zalig te worden, en u doet meer voor hen dan wanneer u hen geholpen had koningen of vorsten te worden. Als u hun zielen verwaarloost en hen opvoedt in onwetendheid, wereldsgezindheid, goddeloosheid en zonde — dan verraadt u hen aan de duivel, de vijand van hun zielen, even waarlijk als wanneer u hen aan hem verkocht! U verkoopt hen om slaven van de satan te worden!
Als u slechts een brandende oven zag, en veel meer nog de vlammen van de hel — zou u dan niet denken dat die man of vrouw eerder een duivel dan een ouder genoemd zou moeten worden, die het in zijn hart zou kunnen vinden zijn kind daarin te werpen? Wat bent u dan voor monsters van onmenselijkheid, wanneer u in de Schrift leest wat de weg naar de hel is en wie God aan de satan zal overgeven — en toch uw kinderen juist op die weg opvoedt en geen moeite doet om hen daarvan te redden!
Ds. R. Baxter
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
- J.C. Philpot
- Berichten: 11167
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Eens waart Gij niets, ik was toen al
1. Eens waart Gij niets, ik was toen al;
ik leefde in de zonde;
maar sinds Uw Geest mij wondde
en mij de zielerust ontstal,
vond ik mijzelf bedrogen;
mijn ik had mij belogen.
2. Gij werdt toen iets, maar ik bleef veel;
’k zou zelf mijn heil doen dagen;
voor niets zou ik versagen;
ik droeg vol moed het zwaar gareel
der wet; maar ach, mijn strijden
kon niet mijn ziel bevrijden.
3. Toen werdt Gij veel, toch bleef ik iets;
ik zou dan door mijn smeken
U wel het harte breken;
maar, o mijn ziel, het baatte niets;
de hemel ging niet open
bij al mijn worst’lend hopen.
4. Toen werd ik niets en Gij werdt Al;
o grondeloos erbarmen,
daar zonk ik in Uw armen!
Geen hel, die U mij roven zal.
God, Die oneindig groot is,
hoort hem die gans ontbloot is!
Robert Murray M'Cheyne
1. Eens waart Gij niets, ik was toen al;
ik leefde in de zonde;
maar sinds Uw Geest mij wondde
en mij de zielerust ontstal,
vond ik mijzelf bedrogen;
mijn ik had mij belogen.
2. Gij werdt toen iets, maar ik bleef veel;
’k zou zelf mijn heil doen dagen;
voor niets zou ik versagen;
ik droeg vol moed het zwaar gareel
der wet; maar ach, mijn strijden
kon niet mijn ziel bevrijden.
3. Toen werdt Gij veel, toch bleef ik iets;
ik zou dan door mijn smeken
U wel het harte breken;
maar, o mijn ziel, het baatte niets;
de hemel ging niet open
bij al mijn worst’lend hopen.
4. Toen werd ik niets en Gij werdt Al;
o grondeloos erbarmen,
daar zonk ik in Uw armen!
Geen hel, die U mij roven zal.
God, Die oneindig groot is,
hoort hem die gans ontbloot is!
Robert Murray M'Cheyne
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
- J.C. Philpot
- Berichten: 11167
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Het is zeer zeker nu de tijd dat elk waarachtig christen zich op dit onderwerp zal bezinnen. Wij moeten ons afvragen of wij de wedergeboorte kennen, en bereid zijn verantwoording af te leggen van de hoop die in ons is. Wanneer de waarheid wordt aangetast, zullen zij die de waarheid liefhebben deze meer dan ooit aangrijpen.
Moge er toch meer ernst en beslistheid onder Gods volk komen, een diepe vastberadenheid des harten om altijd aan de zijde des Heeren te staan. Ik wil trachten de wedergeboorte voor u duidelijk te stellen. Ik besef heel goed dat ik niets nieuws te vertellen heb. Ik weet dat ik niets kan zeggen wat niet door anderen beter onder woorden is gebracht. Maar elk aanvullend getuigenis kan zijn nut hebben in een aangevochten zaak als deze.
Een wedergeboren mens gelooft, dat Jezus Christus de enige Heiland is door Wie hij vergeving kan krijgen en gered kan worden. In zichzelf ziet hij niets dan onwaardigheid, maar in Christus heeft hij volle vrijmoedigheid en vertrouwen om tot God te gaan. Hij gelooft dat al zijn zonden zijn vergeven en zijn ongerechtigheid werd weggedaan. Hij gelooft in God de Vader, Die Jezus, zijn Heere, uit de doden opgewekt heeft; dat Jezus Christus overgeleverd is om zijn zonden, en opgewekt om zijn rechtvaardigmaking. (Rom. 4:24‑25).
Hij kan zijn duizend vrezen en twijfels hebben. Soms kan hij zeggen dat hij zijn geloof kwijt is. Maar vraagt u hem of hij op iets anders vertrouwt dan op Christus, hoor dan wat hij antwoordt. Vraag hem of zijn hoop op eeuwig leven rust op zijn eigen goedheid, zijn goede werken, zijn gebeden, zijn dienst in of buiten de gemeente, of iets van hemzelf, hoor dan wat hij antwoordt. Hoewel hij zal toegeven dat hij zich zwak voelt en slecht, zal hij Christus niet willen opgeven. Hem behoort hij toe, in leven en in sterven, Christus is zijn God en Zaligmaker. Gelooft u, dat Jezus is de van God gezonden Redder der wereld, ook uw Redder?
Ds. J.C. Ryle
Moge er toch meer ernst en beslistheid onder Gods volk komen, een diepe vastberadenheid des harten om altijd aan de zijde des Heeren te staan. Ik wil trachten de wedergeboorte voor u duidelijk te stellen. Ik besef heel goed dat ik niets nieuws te vertellen heb. Ik weet dat ik niets kan zeggen wat niet door anderen beter onder woorden is gebracht. Maar elk aanvullend getuigenis kan zijn nut hebben in een aangevochten zaak als deze.
Een wedergeboren mens gelooft, dat Jezus Christus de enige Heiland is door Wie hij vergeving kan krijgen en gered kan worden. In zichzelf ziet hij niets dan onwaardigheid, maar in Christus heeft hij volle vrijmoedigheid en vertrouwen om tot God te gaan. Hij gelooft dat al zijn zonden zijn vergeven en zijn ongerechtigheid werd weggedaan. Hij gelooft in God de Vader, Die Jezus, zijn Heere, uit de doden opgewekt heeft; dat Jezus Christus overgeleverd is om zijn zonden, en opgewekt om zijn rechtvaardigmaking. (Rom. 4:24‑25).
Hij kan zijn duizend vrezen en twijfels hebben. Soms kan hij zeggen dat hij zijn geloof kwijt is. Maar vraagt u hem of hij op iets anders vertrouwt dan op Christus, hoor dan wat hij antwoordt. Vraag hem of zijn hoop op eeuwig leven rust op zijn eigen goedheid, zijn goede werken, zijn gebeden, zijn dienst in of buiten de gemeente, of iets van hemzelf, hoor dan wat hij antwoordt. Hoewel hij zal toegeven dat hij zich zwak voelt en slecht, zal hij Christus niet willen opgeven. Hem behoort hij toe, in leven en in sterven, Christus is zijn God en Zaligmaker. Gelooft u, dat Jezus is de van God gezonden Redder der wereld, ook uw Redder?
Ds. J.C. Ryle
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft die heeft ook lief dengene die uit Hem geboren is 1 Johannes 5:1b
Het gevoel waar hier naar verwezen wordt, is een liefde van de heiligen voor de heiligen. Welke natuurlijke zwakheden wij ook in hen mogen ontdekken, wat voor verschillende meningen zij ook over ons hebben, en tot welke tak van de christelijke kerk zij ook mogen behoren, toch bepaalde onze Goddelijke verwantschap dat wij hen moeten liefhebben als broeders. Als wij in een belijder het beeld van Christus zien , de geestelijke familieband, ongeacht alle verschillen in leer, kerkverband, gaven, kundigheid, rang, rijkdom of volk, dan zal onze liefde ons direct opwekken om die persoon te herkennen als een gelovige in Jezus en hem erkennen als een broeder in den Heere.
Ik kan achting hebben voor zijn karakter, zijn gaven prijzen, zijn talenten bewonderen en voelen dat er een overeenkomst is van aard, van smaak en van oordeel, maar mijn christenliefde komt voort uit een bron die oneindig veel hoger en heiliger is . Ik heb hem lief omdat de Vader in hem is, omdat de Zoon in hem is en omdat de Heilige Geest in hem is. Ik heb hem lief omdat hij een aangenomen kind is van hetzelfde gezin; een lid van Christus en van hetzelfde lichaam; en een tempel van diezelfde Heilige Geest. Ik heb hem lief die is geboren, omdat ik Hem liefheb, Die hem geboren heeft.
Het is Christus in de ene gelovige, Die naar Zichzelf uitgaat in een andere gelovige. Het is de Heilige Geest in de ene tempel, Die gemeenschap houdt met Zichzelf in een andere tempel. En daaruit hebben wij het bewijs van onze overgang uit de dood in het leven. Omdat wij het Goddelijk origineel liefhebben, hebben wij ook de menselijke kopie lief, hoe onvolmaakt de gelijkenis ook mag zijn. De Geest van God Die in de wedergeboren mens woont, hunkert naar het beeld van Jezus, waar Hij dat ook maar kan vinden. Hij vindt het niet nodig om na te gaan tot welke kerk de persoon, die op Hem lijkt, behoort.
Welnu, als wij ontdekken dat ons hart uitgaat in zoete, heilige en biddende liefde tot elke gelovige in Christus, het doet er niet toe tot welke kerk hij behoort, maar vooral die het beeld van de Zaligmaker het meest dragen, dan woont de Geest van Christus in ons. Daar treffen wij de liefde aan die alle scheidingsmuren in de Kerk overstijgt en ondanks partijen, geloofsbelijdenissen toont ze haar eigen Goddelijke natuur en hemelse geboorte, door zich te vermengen met dezelfde liefde, die gloeit in de boezem van een ander. En waar deze liefde tot de broederen helemaal niet aanwezig is, in welke belijder dan ook, daar vragen wij die persoon, met alle tere liefde die hoort bij en waar geloof: “Waar is het bewijs van uw vereniging met het lichaam van Christus?” U hebt u enghartig afgewend, op een koele manier, misschien wel met een zekere minachting, van iemand die God liefheeft, die door Christus is verlost en in wie de Heilige Geest woont, omdat hij niet in uw bevinding past.
Hoe kunt u de Vader liefhebben en het kind haten? Wat voor liefde hebt u tot de Oudste Broeder, terwijl u de jongste veracht? Als u een levende rank bent van dezelfde Wijnstok en die gevoelens koestert die tot gevolg hebben dat u geen liefde hebt tot andere christenen en geen gemeenschap met hen wilt hebben, kunt u dan Christus dieper verwonden, door Wie zij zijn verzegeld geworden tot de dag der verlossing?
Octavius Winslow
Het gevoel waar hier naar verwezen wordt, is een liefde van de heiligen voor de heiligen. Welke natuurlijke zwakheden wij ook in hen mogen ontdekken, wat voor verschillende meningen zij ook over ons hebben, en tot welke tak van de christelijke kerk zij ook mogen behoren, toch bepaalde onze Goddelijke verwantschap dat wij hen moeten liefhebben als broeders. Als wij in een belijder het beeld van Christus zien , de geestelijke familieband, ongeacht alle verschillen in leer, kerkverband, gaven, kundigheid, rang, rijkdom of volk, dan zal onze liefde ons direct opwekken om die persoon te herkennen als een gelovige in Jezus en hem erkennen als een broeder in den Heere.
Ik kan achting hebben voor zijn karakter, zijn gaven prijzen, zijn talenten bewonderen en voelen dat er een overeenkomst is van aard, van smaak en van oordeel, maar mijn christenliefde komt voort uit een bron die oneindig veel hoger en heiliger is . Ik heb hem lief omdat de Vader in hem is, omdat de Zoon in hem is en omdat de Heilige Geest in hem is. Ik heb hem lief omdat hij een aangenomen kind is van hetzelfde gezin; een lid van Christus en van hetzelfde lichaam; en een tempel van diezelfde Heilige Geest. Ik heb hem lief die is geboren, omdat ik Hem liefheb, Die hem geboren heeft.
Het is Christus in de ene gelovige, Die naar Zichzelf uitgaat in een andere gelovige. Het is de Heilige Geest in de ene tempel, Die gemeenschap houdt met Zichzelf in een andere tempel. En daaruit hebben wij het bewijs van onze overgang uit de dood in het leven. Omdat wij het Goddelijk origineel liefhebben, hebben wij ook de menselijke kopie lief, hoe onvolmaakt de gelijkenis ook mag zijn. De Geest van God Die in de wedergeboren mens woont, hunkert naar het beeld van Jezus, waar Hij dat ook maar kan vinden. Hij vindt het niet nodig om na te gaan tot welke kerk de persoon, die op Hem lijkt, behoort.
Welnu, als wij ontdekken dat ons hart uitgaat in zoete, heilige en biddende liefde tot elke gelovige in Christus, het doet er niet toe tot welke kerk hij behoort, maar vooral die het beeld van de Zaligmaker het meest dragen, dan woont de Geest van Christus in ons. Daar treffen wij de liefde aan die alle scheidingsmuren in de Kerk overstijgt en ondanks partijen, geloofsbelijdenissen toont ze haar eigen Goddelijke natuur en hemelse geboorte, door zich te vermengen met dezelfde liefde, die gloeit in de boezem van een ander. En waar deze liefde tot de broederen helemaal niet aanwezig is, in welke belijder dan ook, daar vragen wij die persoon, met alle tere liefde die hoort bij en waar geloof: “Waar is het bewijs van uw vereniging met het lichaam van Christus?” U hebt u enghartig afgewend, op een koele manier, misschien wel met een zekere minachting, van iemand die God liefheeft, die door Christus is verlost en in wie de Heilige Geest woont, omdat hij niet in uw bevinding past.
Hoe kunt u de Vader liefhebben en het kind haten? Wat voor liefde hebt u tot de Oudste Broeder, terwijl u de jongste veracht? Als u een levende rank bent van dezelfde Wijnstok en die gevoelens koestert die tot gevolg hebben dat u geen liefde hebt tot andere christenen en geen gemeenschap met hen wilt hebben, kunt u dan Christus dieper verwonden, door Wie zij zijn verzegeld geworden tot de dag der verlossing?
Octavius Winslow
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe; opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven, Hebr. 6:11, 12.
Jean Mestrezat schreef: Drie dingen, mijn broeders, vereisen de volle zekerheid van het geloof in het nieuwe verbond. Ten eerste de aard van het verbond. Ten tweede Gods eer. Ten derde de heiligmaking van de gelovige.
Ik zeg ten eerste: de aard van het verbond. Aangezien het natuurverbond gesloten werd met de mens in de integriteit en gerechtigheid waarin hij geschapen was, kon de mens die heilig en rechtvaardig was niet twijfelen aan Gods liefde tot hem, aangezien God de gerechtigheid van nature bemint en beloont. Het was dus niet nodig dat God in dit verbond van de mens eiste dat hij zich ervan zou overtuigen dat God hem liefhad en hem goed wilde doen, want deze overtuiging werd noodzakelijkerwijs verondersteld en daarom niet geëist. Maar in het genadeverbond, waarin God handelt met de van zonde overtuigde mens, wiens geweten hem Gods toorn voor ogen stelt, was het nodig om van de mens te eisen dat hij zich zou verzekeren van Gods barmhartigheid en welwillendheid, want anders zou hij van God vervreemd blijven, en zo is de overtuiging die hij opvat van Gods goedheid en barmhartigheid de eerste stap om tot God te naderen. Insgelijks: omdat het verbond, wat bij de Sinaï met het volk van Israël gesloten werd, de vloek tegen de zondaars absoluut verkondigde en de geesten met vrees vulde, was het nodig dat het genadeverbond daartegenover de mensen barmhartigheid en vrede zou aanbieden voor zondaren, en van de mens de overtuiging zou eisen van Gods liefde en welwillendheid jegens berouwvolle zondaren. Ook kwam niets beter overeen met de aard van een genadeverbond dan het eisen van het geloof en de volle verzekering van Gods liefde als voorwaarden om de goederen te verlenen die dit verbond aanbood, alsof God tot de zondaars sprak: naast dat Ik zo welwillend en zo goed ben dat Ik Mijn Zoon overgeef voor uw verlossing, en u in Hem het eeuwige leven en het koninkrijk der hemelen geef, eis Ik niets meer van u, als enige voorwaarde, dan dat u het goed gelooft wat Ik u geef, en dat u verzekerd zult zijn van deze goedheid en liefde tot u.
Beminnelijke voorwaarde en zeer geschikt om de hoogste goedheid te tonen, en om een verbond volledig gratis te maken. Want de mens doet niets anders dan het ontvangen en geloven van de beloften van barmhartigheid en genade die God hem doet. Hij werkt niet. Hij spant zich niet in om de goederen van het verbond te verkrijgen en te verdienen. Hij doet niets meer dan zijn hand, of liever: zijn hart, openen voor God om Zijn liefde te ontvangen. Het is als wanneer u een aalmoes geeft aan een arme, en dat de arme zijn hand opent om die te ontvangen. Dit openen van de hand geeft u niets, maar neemt slechts uw welwillendheid aan, en het is niets anders dan een accepteren van de gift die u hem geeft. Zo moest de mens gerechtvaardigd worden, opdat de zaligheid volledig uit barmhartigheid zou zijn. En hieruit blijkt hoe vreselijk en afschuwelijk de zonde van ongeloof is, en dat de mensen om deze misdaad terecht worden uitgesloten van alle goederen van het Evangelie, want diegene die het Evangelie niet wil geloven doet God onrecht: hij loochent Gods immense barmhartigheid en liefde tot de zondaren, en hij ontzegt God, door een extreme ondankbaarheid, het genoegen wat Hij zich voorstelde om ons ervan te overtuigen hoe groot Zijn liefde was en waar dit Hem toe aangezet heeft, namelijk: dat Hij Zijn Enige niet gespaard heeft voor ons. Zeg mij: wat een overtreding is het dan, nadat Jezus Christus Zijn bloed voor u vergoten heeft, dat u de liefde niet wilt geloven die God tot u gehad heeft?
Ten tweede vereiste Gods eer deze volle zekerheid, want zij verheerlijkt en prijst God het meest, aangezien de liefde die deugd is waar God Zijn eer voornamelijk in gesteld heeft. Omdat het geloof de overtuiging is van deze liefde van God, is het geloof van alle daden van de mens die daad waardoor God het meest geëerd wordt. Kom dan, o boetvaardige zondaar, wiens zonden rood zijn als vermiljoen, maar die daar afstand van wil doen: verzeker u volledig van Gods genade om u in Jezus Christus uw zonden te vergeven, en u zult iets gedaan hebben wat God zeer aangenaam is. U zult Hem ten hoogste verheerlijkt hebben door te erkennen dat Hij ten hoogste goed en barmhartig is. Bovendien verheerlijkt u Zijn waarheid als u gelooft, aangezien Hij u in het Evangelie verkondigt dat Hij Zijn Zoon voor u in de dood overgegeven heeft, zoals de heilige Johannes zegt: die de getuigenis van Christus heeft ontvangen, die heeft verzegeld dat God waarachtig is, Joh. 3:33. Als u niet gelooft dan doet u deze twee kwaden: het eerste, dat u God Zijn waarheid ontzegt en het tweede, dat u niet gelooft dat Hij goed genoeg is, of dat de verdienste van Zijn Zoon groot genoeg is om uw zonden uit te wissen.
- J.C. Philpot
- Berichten: 11167
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Ik geloof dat het zaligmakend geloof een wonder is. Het is een gave van God (Efeze 2:8; Filippenzen 1:29). Mensen, wij allen op enig moment, die dood zijn in de zonde, kunnen dit wonder niet tot stand brengen. Wij moeten door God uit de dood worden opgewekt (Efeze 2:5).
Het feit dat wij geestelijk dood en blind zijn in onze opstand tegen God, neemt onze verantwoordelijkheid niet weg. Wij zijn verantwoordelijk om te geloven, en wij moeten opnieuw geboren worden om te kunnen geloven.„Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren.” (1 Johannes 5:1)
Het geloof is het levende teken dat wij opnieuw geboren zijn. Het wonder van de wedergeboorte brengt het geloof tot stand. Daarom laat de Bijbel niet toe dat wij redeneren dat het geloof, willen wij tegenover God verantwoordelijk kunnen worden gehouden, een beslissing moet zijn die wij uit onszelf kunnen nemen. Voordat ik ertoe in staat ben, moet het mij door God gegeven worden. De gedachte dat ik uiteindelijk over mijzelf beschik, is geen Bijbels uitgangspunt.
Ds. J. Piper
Het feit dat wij geestelijk dood en blind zijn in onze opstand tegen God, neemt onze verantwoordelijkheid niet weg. Wij zijn verantwoordelijk om te geloven, en wij moeten opnieuw geboren worden om te kunnen geloven.„Ieder die gelooft dat Jezus de Christus is, is uit God geboren.” (1 Johannes 5:1)
Het geloof is het levende teken dat wij opnieuw geboren zijn. Het wonder van de wedergeboorte brengt het geloof tot stand. Daarom laat de Bijbel niet toe dat wij redeneren dat het geloof, willen wij tegenover God verantwoordelijk kunnen worden gehouden, een beslissing moet zijn die wij uit onszelf kunnen nemen. Voordat ik ertoe in staat ben, moet het mij door God gegeven worden. De gedachte dat ik uiteindelijk over mijzelf beschik, is geen Bijbels uitgangspunt.
Ds. J. Piper
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield