Gedichten

Gebruikersavatar
Adagio
Berichten: 676
Lid geworden op: 22 Feb 2018, 16:06

Re: Gedichten

Berichtdoor Adagio » 24 Mei 2022, 10:58

Uit psalter 161

My soul, in silence wait for God;
He is my help approved,
He only is my rock and tow'r,
And I shall not be moved.

My honor is secure with God,
My Saviour He is known;
My refuge and my rock of strength
Are found in God alone.

On Him, ye people, evermore
Rely with confidence;
Before Him pour ye out your heart,
For God is our defense.

For surely men are helpers vain,
The high and the abased;
Yea, lighter than a breath are they
When in the balance placed.

Online
Gebruikersavatar
helma
Berichten: 17548
Lid geworden op: 11 Sep 2006, 10:36
Locatie: Veenendaal
Contact:

Re: Gedichten

Berichtdoor helma » 27 Jul 2022, 16:18

My name is Jacob. Genesis 32:27

1 Nay, I cannot let Thee go,
Till a blessing Thou bestow;
Dot not turn away Thy face,
Mine’s an urgent, pressing case.

2 Dost Thou ask me, who I am?
Ah! my Lord, Thou know’st my name:
Yet the question gives a plea
To support my suit with Thee.

3 Thou didst once a wretch behold,
In rebellion blindly bold,
Scorn Thy grace, Thy pow’r defy,
That poor rebel, Lord, was I.

4 Once a sinner, near despair,
Sought Thy mercy-seat by pray’r:
Mercy heard and set him free;
Lord, that mercy came to me.

5 Many years have pass’d since then,
Many changes I have seen,
Yet have been upheld till now:
Who could hold me up but Thou?

6 Thou hast help’d in ev’ry need,
This emboldens me to plead;
After so much mercy past,
Canst Thou let me sink at last?

7 No—I must maintain my hold,
’Tis Thy goodness makes me bold;
I can no denial take,
When I plead for Jesus’ sake.

~ John Newton

GerefGemeente-lid
Berichten: 3401
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Gedichten

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 28 Jul 2022, 12:09

Neem mij gevangen, Heer',
dan ben ik waarlijk vrij.
Mijn zwaard leg 'k aan Uw voeten neer,
dat ik verwinnaar zij.
Als ik moet gaan alleen,
slaat mij de overmacht:
houd Uwe armen om mij heen
en leid mij door den nacht.

Mijn hart is arm en bang,
een riethalm in den wind,
In weerloos wank’len ondergang
tot het zijn Meester vindt.
Het kan in vrijheid gaan,
als Gij 't gebonden houdt,
door Uwe liefde rondom vaân,
door angst noch dood benauwd.

Mijn arm is zwak en moe,
ik heb slechts kleine kracht,
maar in het arm'lijkst wat ik doe,
wordt Uwe kracht volbracht.
Opdat ik iets vermoog’:
ga in den strijd vooraan.
Uw heil'ge adem van omhoog
ontplooi’ de kruistochtvaân.

GerefGemeente-lid
Berichten: 3401
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Gedichten

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 06 Aug 2022, 15:19

Als gras en hooi is hier des mensen leven,
die heerlijk bloeit, zijnd' een wijle verheven,
als een schone bloeme staand' op dat veld.
Maar als de wind eenmaal daarover drijvet,
zij vergaat haast, zodat niet langer blijvet
haar plaatse, daar ze voormaals was gesteld.

Psalm 103 vers 8 (berijmd - Datheen)

GerefGemeente-lid
Berichten: 3401
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Gedichten

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 06 Aug 2022, 18:06

Zoete banden
(te zingen op de wijs van ‘Wat de toekomst brenge moge’)

1. Zoete banden die mij binden,
aan des Heeren lieve volk,
wis, zij zijn mijn hartevrinden,
hare taal mijn hartetolk.
’t Zijn de kinderen van één Vader,
en van ’t zelfde huisgezin.
Wij bestaan elkander nader,
als de band van aardse min.


2. Ach, hoe kan ’t mijn hart vervoeren,
als dat volk aan mij verhaalt,
waar gevallen zijn de snoeren,
en hoe ’t harte onbepaalt,
aan den Heere is gebonden,
hoe z’ omhelsde ’t Gode Lam,
tot verzoening van de zonden,
hoe dat Jezus ’t harte nam.


3. Juist mijn eigen hartentale,
spraken zij met zoeten toon,
als dat volk mij ging verhale,
hoe zij met Gods Eigen Zoon,
in een zalig oudertrouwe,
zijn verenigd na den geest,
als Zijn bruid en echte vrouwe,
nu en namaals aldermeest.


4. Onuitsprekelijke banden,
één van geest en één van zin,
al was ’t volk van verre landen
smolt toch samen in.
Elk verhaalt zijn weg en zaken,
hoe hem Jezus is ontmoet.
Ondertussen ziet gij blaken,
hunne ziel in liefde zoet.


5. ’t Zelfde werk en ’t zelfde leven,
was er dikwijls omgegaan,
even als ’t mij was gegeven,
dit deet mij verwonderd staan,
zeggend: "’k Ben met ’s Heeren kinderen,
één van weg en één van hart."
Dit deed ongeloof vermind’ren,
en het stilde mijne smart.


6. Spraken zij hoe gans verloren,
elk zijn arme ziel zag staan,
Onder zonde, vloek en toren,
alzo was ’t ook mij gegaan.
Was het dat ze mij verhaalden,
hoe ze arm en aan het end
kwamen, waar ze God bepaalde.
Dit was mij niet onbekend


7. Was het dat ze mij vertelden,
hoe dat alle hoop verdween,
wat ze mij ook hier van meldden,
’t kwam zo innig overeen.
Spraken zij hoe dat ze zagen
Jezus was alleen van doen,
om de Godheid te behagen,
In Zijn bloed tot zielsrantsoen.


8. Riepen zij met heilig beven:
"Geef mij Jezus of ik sterf,
Jezus is mijn zieleleven,
buiten Jezus het verderf."
Was hun bidden roepen, wenen,
om die een'ge Toeverlaat,
was om Jezus al het stenen,
dat was uit mijn hart gepraat.


9. Allerhande zielestanden,
dat was mij dat volk gemeen.
’t Waren altemale banden,
die de harten bond in één,
Klaagden zij van diep ellende,
angst en smart en zielenood.
Dit en was geen onbekende,
taal al was mijn ziele dood.


10. En wat zag ik ene schoonheid,
in het echte volk van ’t Lam,
Die op hun zo klaar ten toon leid,
dit mij ook het harte nam.
’k Zag met Goddelijke stralen,
’t kostelijke Gode-beeld,
mij niet moog'lijk af te malen,
zo als ’t in hun wezen speelt.


11. ’t Schone beeld van heiligheden,
straalde van hun wezen of
’t nieuwe schepsel had zijn leden,
dit was recht tot ’s Heeren lof,
’t zuchten, klagen, weenen, schreien,
dat men daar om Jezus doet,
en den zang der maagdenreien,
alles was mij even zoet.


12. ’t Was één volk, het wist te binden,
d’ Allerhoogste met geweld,
dwongen God en bleven vrinden,
o, hoe was dat volk gesteld.
Ja, de Koning was gebonden,
op Zijn schone galereij,
en van liefde zelfs verslonden,
dit was wonderlijk voor mij.


13. Wonder leefde zij in vrede,
dat was zoet en aangenaam,
vol van enkel lief’lijkheden,
o, hoe smelt dan ’t hart tezaam.
Samen dienden zij den Heere,
één van hart en één van weg.
O, hoe zoet is dat verkeren,
daar geen aanstoot nederleg.


14. Dit ’s mijn hoop en mijn vertrouwe,
dat ik met Messias bruid,
eeuwig zonder druk of rouwe,
leven zal eeuw in, eeuw uit.
Als dat volk uit alle talen,
vrijgekochten van Gods Zoon,
eeuwig zullen zegepralen,
met het Lam op Zijnen troon.


15. Eeuwig zullen triomferen,
verre boven zon en maan,
eeuwig zal ik daar verkeren,
in de rij der zal’gen staan:
zou ik dan dat volk verlaten,
daar ik met haar eens genood,
’t eeuwig wand’len langs de straten,
van den hemel na de dood.


wijlen ds. Johannes Groenewegen
Laatst gewijzigd door GerefGemeente-lid op 06 Aug 2022, 22:02, 1 keer totaal gewijzigd.

Gebruikersavatar
Marck
Berichten: 888
Lid geworden op: 02 Mar 2019, 11:26

Re: Gedichten

Berichtdoor Marck » 06 Aug 2022, 18:46

GerefGemeente-lid schreef:Zoete banden
(te zingen op de wijs van ‘Wat de toekomst brenge moge’)

1. Zoete banden die mij binden,
aan des Heeren lieve volk,
wis, zij zijn mijn hartevrinden,
hare taal mijn hartetolk.
’t Zijn de kinderen van één Vader,
en van ’t zelfde huisgezin.
Wij bestaan elkander nader,
als de band van aardse min.


2. Ach, hoe kan ’t mijn hart vervoeren,
als dat volk aan mij verhaalt,
waar gevallen zijn de snoeren,
en hoe ’t harte onbepaalt,
aan den Heere is gebonden,
hoe z’ omhelsde ’t Gode Lam,
tot verzoening van de zonden,
hoe dat Jezus ’t harte nam.


3. Juist mijn eigen hartentale,
spraken zij met zoeten toon,
als dat volk mij ging verhale,
hoe zij met Gods Eigen Zoon,
in een zalig oudertrouwe,
zijn verenigd na den geest,
als Zijn bruid en echte vrouwe,
nu en namaals aldermeest.


4. Onuitsprekelijke banden,
één van geest en één van zin,
al was ’t volk van verre landen
smolt toch samen in.
Elk verhaalt zijn weg en zaken,
hoe hem Jezus is ontmoet.
Ondertussen ziet gij blaken,
hunne ziel in liefde zoet.


5. ’t Zelfde werk en ’t zelfde leven,
was er dikwijls omgegaan,
even als ’t mij was gegeven,
dit deet mij verwonderd staan,
zeggend: "’k Ben met ’s Heeren kinderen,
één van weg en één van hart."
Dit deed ongeloof vermind’ren,
en het stilde mijne smart.


6. Spraken zij hoe gans verloren,
elk zijn arme ziel zag staan,
Onder zonde, vloek en toren,
alzo was ’t ook mij gegaan.
Was het dat ze mij verhaalden,
hoe ze arm en aan het end
kwamen, waar ze God bepaalde.
Dit was mij niet onbekend


7. Was het dat ze mij vertelden,
hoe dat alle hoop verdween,
wat ze mij ook hier van meldden,
’t kwam zo innig overeen.
Spraken zij hoe dat ze zagen
Jezus was alleen van doen,
om de Godheid te behagen,
In Zijn bloed tot zielsrantsoen.


8. Riepen zij met heilig beven:
"Geef mij Jezus of ik sterf,
Jezus is mijn zieleleven,
buiten Jezus het verderf."
Was hun bidden roepen, wenen,
om die een'ge Toeverlaat,
was om Jezus al het stenen,
dat was uit mijn hart gepraat.


9. Allerhande zielestanden,
dat was mij dat volk gemeen.
’t Waren altemale banden,
die de harten bond in één,
Klaagden zij van diep ellende,
angst en smart en zielenood.
Dit en was geen onbekende,
taal al was mijn ziele dood.


10. En wat zag ik ene schoonheid,
in het echte volk van ’t Lam,
Die op hun zo klaar ten toon leid,
dit mij ook het harte nam.
’k Zag met Goddelijke stralen,
’t kostelijke Gode-beeld,
mij niet moog'lijk af te malen,
zo als ’t in hun wezen speelt.


11. ’t Schone beeld van heiligheden,
straalde van hun wezen of
’t nieuwe schepsel had zijn leden,
dit was recht tot ’s Heeren lof,
’t zuchten, klagen, weenen, schreien,
dat men daar om Jezus doet,
en den zang der maagdenreien,
alles was mij even zoet.


12. ’t Was één volk, het wist te binden,
d’ Allerhoogste met geweld,
dwongen God en bleven vrinden,
o, hoe was dat volk gesteld.
Ja, de Koning was gebonden,
op Zijn schone galereij,
en van liefde zelfs verslonden,
dit was wonderlijk voor mij.


13. Wonder leefde zij in vrede,
dat was zoet en aangenaam,
vol van enkel lief’lijkheden,
o, hoe smelt dan ’t hart tezaam.
Samen dienden zij den Heere,
één van hart en één van weg.
O, hoe zoet is dat verkeren,
daar geen aanstoot nederleg.


14. Dit ’s mijn hoop en mijn vertrouwe,
dat ik met Messias bruid,
eeuwig zonder druk of rouwe,
leven zal eeuw in, eeuw uit.
Als dat volk uit alle talen,
vrijgekochten van Gods Zoon,
eeuwig zullen zegepralen,
met het Lam op Zijnen troon.


15. Eeuwig zullen triomferen,
verre boven zon en maan,
eeuwig zal ik daar verkeren,
in de rij der zal’gen staan:
zou ik dan dat volk verlaten,
daar ik met haar eens genood,
’t eeuwig wand’len langs de straten,
van den hemel na de dood.


wijlen ds. Jacobus Groenewegen


Mooi!

Gebruikersavatar
Hendrikus
Berichten: 16188
Lid geworden op: 10 Apr 2004, 09:37

Re: Gedichten

Berichtdoor Hendrikus » 06 Aug 2022, 20:05

GerefGemeente-lid schreef:Zoete banden
(te zingen op de wijs van ‘Wat de toekomst brenge moge’)

wijlen ds. Jacobus Groenewegen

De goede man heette Johannes, niet Jacobus.

De melodieverwijzing is naar "Wie sleet heugelijker dagen"; hoe die wijs gaat, kun je vinden op pag. 128 van de uitgave van de Lofzangen Israëls uit 1999 (De Groot Goudriaan). De melodie "Wat de toekomst..." bestond in de tijd van Groenewegen nog niet.

Luistervoorbeeld:
https://www.gezangboek.nl/Zoete_banden_die_mij_binden.html

De oorspronkelijke tekst vind je hier:
https://www.dbnl.org/tekst/groe019lofz01_01/groe019lofz01_01_0029.php
~~Soli Deo Gloria~~

GerefGemeente-lid
Berichten: 3401
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Gedichten

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 06 Aug 2022, 22:18

Hendrikus schreef:
GerefGemeente-lid schreef:Zoete banden
(te zingen op de wijs van ‘Wat de toekomst brenge moge’)

wijlen ds. Jacobus Groenewegen

De goede man heette Johannes, niet Jacobus.

De melodieverwijzing is naar "Wie sleet heugelijker dagen"; hoe die wijs gaat, kun je vinden op pag. 128 van de uitgave van de Lofzangen Israëls uit 1999 (De Groot Goudriaan). De melodie "Wat de toekomst..." bestond in de tijd van Groenewegen nog niet.

Luistervoorbeeld:
https://www.gezangboek.nl/Zoete_banden_die_mij_binden.html

De oorspronkelijke tekst vind je hier:
https://www.dbnl.org/tekst/groe019lofz01_01/groe019lofz01_01_0029.php

Geef mij maar de melodie van The Rose.

Gebruikersavatar
Hendrikus
Berichten: 16188
Lid geworden op: 10 Apr 2004, 09:37

Re: Gedichten

Berichtdoor Hendrikus » 06 Aug 2022, 22:54

GerefGemeente-lid schreef:Geef mij maar de melodie van The Rose.

Leuk geprobeerd, maar ik hap niet :nananere
~~Soli Deo Gloria~~

GerefGemeente-lid
Berichten: 3401
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Gedichten

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 06 Aug 2022, 22:56

Hendrikus schreef:
GerefGemeente-lid schreef:Geef mij maar de melodie van The Rose.

Leuk geprobeerd, maar ik hap niet :nananere

Waarom niet?

Je weet wel wat ik bedoel?

Maar het was wel een poging inderdaad... :yahoo
Laatst gewijzigd door GerefGemeente-lid op 06 Aug 2022, 22:56, 1 keer totaal gewijzigd.

Gebruikersavatar
Johann Gottfried Walther
Berichten: 4196
Lid geworden op: 05 Feb 2008, 16:49

Re: Gedichten

Berichtdoor Johann Gottfried Walther » 06 Aug 2022, 22:56

1 Drie dingen troosten mijn gemoed
en maken mij het sterven zoet,
zodat ik zonder schromen
de dood zie tot mij komen.

2 Het eerste, dat mij juichen doet,
is dat ik ben in Christus' bloed
gewassen van mijn zonden,
die mijne ziel verwonden.

3 Het tweede troost mijn ziel nog meer:
dat ik nu leef en sterf den Heer',
Die mij nooit zal begeven,
maar door de dood doet leven.

4 Het derde troost mij bovenal:
ik weet nu waar ik varen zal,
de hemel is mijn erve,
zodat ik vrolijk sterve.

Jacobus Borstius (1612-1680)

1 Zalig, zalig, niets te wezen
in ons eigen oog voor God,
eigen zin en lust te vrezen,
steeds te rusten in ons lot,
need'rig, kinderlijk en stil
ons te voegen naar Zijn wil.

2 Is ons trots, hoogmoedig eigen
nog zo dikwijls ongezind,
om zich naar Uw wil te neigen,
waar het hart slechts rust in vindt,
werp die hoogmoed dan, o Heer',
door Uw Geest in ons terneer!

3 Wat wij hebben of vermogen,
wat ons lief is, wat ons lust,
al 't begeren onzer ogen,
ons genoegen, onze rust,
wat men denke, spreke, doe:
alles hoort de hemel toe.

4 Vragen wij, wat goed of kwaad is:
voor 't geloof is alles goed.
Al wat d' uitvoer van Uw raad is,
Vader, dat is alles goed!
Gij, o Heer', zo wijs als trouw,
weet best, wat ons schaden zou.

5 Mag Uw Naam maar eer ontvangen,
't ga ons slecht, of 't ga ons goed;
dat alleen is ons verlangen,
trouwe Vader, wat Gij doet!
Eer is 't ons, hoe laag het schijn',
zalig, niets voor U te zijn.

Jodocus van Lodenstein (1620 - 1677)

1 Hoog omhoog, het hart naar boven,
hier beneden is het niet!
’t Ware leven, lieven, loven
is maar, waar men Jezus ziet.
Wat men hoor’ of zie op aard’
is ons kost’lijk hart niet waard;
wil men leven, lieven, loven:
’t oog omhoog, het hart naar boven!

2 Jezus, bron dier hemelvreugde,
die ons hart eens smaken zal,
wat ons ooit op aard’ verheugde,
Gij verheugt ons boven al;
daar Gij ons reeds hier bereidt
voor des hemels heerlijkheid,
waar w’ U eeuwig lieven, loven:
Jezus, trek ons hart naar boven!

3 Och, dat aller mensen tongen,
aller eng’len zang, o Heer',
samenstemden, samen zongen
eeuwig tot Uw lof en eer!
Zonder einde geeft Uw lof,
Jezus, ons de rijkste stof!
Trek tot U ons hart naar boven,
dat w’ U eeuwig lieven, loven

Jodocus van Lodenstein (1620 - 1677)
"Zie, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen, om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege alle harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben"

Gebruikersavatar
J.C. Philpot
Berichten: 7567
Lid geworden op: 22 Dec 2006, 16:08
Locatie: Het Ondermaanse | Email: jcphilpotrefoforum@aol.com

Re: Gedichten

Berichtdoor J.C. Philpot » 08 Aug 2022, 07:50

Johann Gottfried Walther schreef:1 Drie dingen troosten mijn gemoed
en maken mij het sterven zoet,
zodat ik zonder schromen
de dood zie tot mij komen.

2 Het eerste, dat mij juichen doet,
is dat ik ben in Christus' bloed
gewassen van mijn zonden,
die mijne ziel verwonden.

3 Het tweede troost mijn ziel nog meer:
dat ik nu leef en sterf den Heer',
Die mij nooit zal begeven,
maar door de dood doet leven.

4 Het derde troost mij bovenal:
ik weet nu waar ik varen zal,
de hemel is mijn erve,
zodat ik vrolijk sterve.

Jacobus Borstius (1612-1680)

Die kende ik niet. Heel mooi!
Man is nothing; he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him.
George Whitefield

Online
Gebruikersavatar
helma
Berichten: 17548
Lid geworden op: 11 Sep 2006, 10:36
Locatie: Veenendaal
Contact:

Re: Gedichten

Berichtdoor helma » 08 Aug 2022, 08:50

...
Laatst gewijzigd door helma op 08 Aug 2022, 10:07, 2 keer totaal gewijzigd.

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29635
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Gedichten

Berichtdoor -DIA- » 08 Aug 2022, 09:09

Een beschrijving der majesteit van het Rijk Gods, en de vreugde der godzaligen vanwege Zijn gerechtigheid en gericht over de afgodendienaars; met daarbij een vermaning tot godzaligheid en geestelijke blijdschap.

God heerst als Opperheer;
Dat elk Hem juichend eer';
Gij, aarde, zee en eiland,
Verheugt u in uw Heiland.
Hem dekt met majesteit
Der wolken donkerheid;
Hij vestigt Zijnen troon
Op heil'ge rijksgeboôn,
Vol recht en wijs beleid.

Een vuurgloed gaat Hem voor,
Den gansen hemel door,
En blaakt aan alle zijden
Hen, die Zijn macht bestrijden;
Zijn felle bliksemschicht
Snelt door al 't zwerk, verlicht
Den gansen wereldkloot;
Het aardrijk ziet zijn nood,
En ijst, en beeft, en zwicht.

't Gebergte smelt als was,
En wordt geheel tot as,
Voor 't aangezicht des HEEREN,
Wien al wat leeft, moet eren.
't Verbaasde hemelrond
Meldt, in dien naren stond,
Zijn billijkheid en macht;
De volken zien Zijn kracht
Op 's aardrijks ruimen grond.

Dat ieder schaamrood zij,
Die, onbeschroomd en vrij,
Een beeld durft eer bewijzen
En nietig' afgoôn prijzen,
Den waren God ten hoon.
Knielt voor Hem, al gij goôn!
Zwicht voor den Opperheer;
Buigt u met ootmoed neer
Voor Zijn geduchten troon.

Gans Sion was verheugd,
En juicht', o HEER', van vreugd,
Met Juda's docht'renscharen,
Wanneer 't de blijde maren
Uws oordeels had gehoord;
Want Gij heerst ongestoord,
En toont Uw macht alom,
Ver boven 't godendom,
't Welk siddert voor Uw woord.

Beminnaars van den HEER',
Verbreiders van Zijn eer,
Hoopt steeds op Zijn genade,
En haat altoos het kwade.
Hij, die in tegenspoed
Zijn gunstgenoten hoedt,
Verleent hun onderstand,
En redt z' uit 's bozen hand,
Die op hun onschuld woedt.

Gods vriend'lijk aangezicht,
Heeft vrolijkheid en licht
Voor all' oprechte harten,
Ten troost verspreid in smarten.
Juicht, vromen, om uw lot;
Verblijdt u steeds in God;
Roemt, roemt Zijn heiligheid;
Zo word' Zijn lof verbreid
Voor al dit heilgenot.
© -DIA-

Job
Berichten: 767
Lid geworden op: 13 Sep 2021, 08:02

Re: RE: Re: Gedichten

Berichtdoor Job » 08 Aug 2022, 09:10

J.C. Philpot schreef:
Johann Gottfried Walther schreef:1 Drie dingen troosten mijn gemoed
en maken mij het sterven zoet,
zodat ik zonder schromen
de dood zie tot mij komen.

2 Het eerste, dat mij juichen doet,
is dat ik ben in Christus' bloed
gewassen van mijn zonden,
die mijne ziel verwonden.

3 Het tweede troost mijn ziel nog meer:
dat ik nu leef en sterf den Heer',
Die mij nooit zal begeven,
maar door de dood doet leven.

4 Het derde troost mij bovenal:
ik weet nu waar ik varen zal,
de hemel is mijn erve,
zodat ik vrolijk sterve.

Jacobus Borstius (1612-1680)

Die kende ik niet. Heel mooi!
Inderdaad! Ik kende alleen deze variant, geborduurd in een lijstje bij diverse ouderen waar ik in mijn jonkheid kwam:

Drie zaken treffen mijn gemoed:
Het eerste dat ik sterven moet.
Het tweede nog veel meer:
Dat ik niet weet wanneer.
Het derde treft mij bovenal:
Waarhenen ik dan reizen zal.


Terug naar “Muziek en Gedichten”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast