Meditatie

-DIA-
Berichten: 24211
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Meditatie

Berichtdoor -DIA- » 16 Mei 2020, 13:31

TER OVERDENKING
Uit een preek van wijlen ds. G. Schipaanboord

Het staat er niet tevergeefs in Psalm 50: Gijlieden denkt dat Ik ten enemale ben als gij. Wij zijn altijd maar bezig om wat tot Zijn goddelijke natuur behoort, tot zijn menselijke, en omgekeerd, wat tot Zijn menselijke natuur behoort om dat te gaan vergoddelijken.
Die grote fout maakte doctor Maarten Luther ook. Die ging de menselijke natuur van Christus vergoddelijken. Vandaar zijn leer in het Avondmaal, waarin hij dwaalde, met al het licht en al de genade die hij van de hemel ontvangen had, en die was niet gering!
Zie, gemeente, wat hebben we toch nodig, dat licht van God de Heilige Geest. Opdat we toch niet in dwaalwegen of dat we niet in zijwegen zouden vervallen.
En nu heeft Christus dat verlossingsplan op Zich genomen. De Vader heeft dat verlossingsplan uitgedacht, en dat welbehagen zal nu in dat Wonderkind van Bethlehem geopenbaard worden.
En is dat nu voor ons een wonder? Er zijn veel mensen die praten over wonderlijke dingen, grote dingen, enzovoort. Maar wanneer je aan diezelfde mensen vraagt: Luister eens even, ben je al eens in die stal geweest? En hebt ge dat in de staat van Zijn vernedering gezien, zoals Hij daar neder ligt, wat onze staat is, want daartoe wilde Christus, in die staat der vernedering afdalen. Want daar is wat gebeurd, gemeente, daar in het Paradijs. Daar zijn we uit de staat van verhoging door de zonde gevallen in de staat van vernedering. En nu komt die tweede Adam, en Ledeboer zegt dat zo heel eenvoudig maar zo waar: de eerste Adam niet geleerd dat is de tweede Adam niet begeerd… En dan zijn er wat een mensen, ooh, die lopen met een Jezus in hun hoofd en met een Jezus onder hun armen, maar ach, gemeente, daar is nooit plaats voor gemaakt. En geliefden, waar gaat de Heere nu plaats maken in het hart en in het leven van Zijn Kerk? Dat gaat in een weg van onmogelijkheid. En die weg van onmogelijkheid dat wordt een weg van omkomen. Is er dan nog een weg en een middel om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? En dan roept heel christelijk Nederland: Jezus! Dan moet je in Jezus geloven! Maar dat zegt de onderwijzer van ons dierbaar troostboek niet. O nee? Nee. Die zegt heel wat anders. Die zegt dit: God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschied. En dat heeft Ledeboer zo heel eenvoudig uitgedrukt: Zijt Ge met mijn doem gediend, Heere, ik heb het verdiend. Want denk eraan, mijn onbekeerde medereiziger, volk van God, er gaat een hellevaart voor een hemelvaart. Dies ben ik Heere Uw gramschap dubbel waardig. En geliefden, nu dat eeuwige wonder, waar ze dan een helwaardig schepsel, door die dierbare Geest, waar ze hun doodvonnis met hun hartenbloed zullen onderschrijven, daar wordt de hel voor dezulken gesloten, en daar wordt de hemel geopend: Ik voor u, daar gij anders de eeuwige straf zou lijden. Wat dacht u, gemeente, dat de bekeringsweg die God met Zijn Kerk houdt, dat dat een praatje is!? Nee. En, geliefden, wanneer de Kerke Gods, door de bearbeiding van de Heilige Geest, in het ontledigen, in het ontgronden van alles wat geen God in Christus is, wanneer die lieve Geest ze gaat brengen van het klaaghuis in het werkhuis, en van het werkhuis in het armenhuis, wat zijn die gelukkig. Ik heb Mij overgehouden een arm en een ellendig volk. En gemeente, waar dan die Kerke Gods uit die bediening van Hem mag gaan leven, al is het door de traliën van Zijn Woord, hetzij in Zijn Persoon of in de bediening of in de opening het Evangelie, gemeente, dan wordt er weer een gemis geboren. Kijk maar duidelijk in het leven van Maria, en van al dat volk. Want geliefden, voordat die Christus Zich in Zijn verhoging gaat openbaren, gaat de staat van vernedering vooraf. En die staat van vernedering dat is dat stuk der ellende. En daaruit worden ze verlost. En dan hebben ze er nog helemaal geen erg in, wat Paulus ze later nog gaat leren door die Goddelijke Geest, zolang als de mens leeft, heerst de wet over hem. En weet u, wat nu zo bang wordt in onze dagen? Broeders kerkenraad? Dat is dit stuk, dat Frans gaat worden in onze Gereformeerde Gemeenten. Wanneer men een Christus op een plaats gaat stellen, waar Christus Zich nooit kan openbare. Ik zal een afgesneden zaak op aarde doen. En dan weet ik het, volk van God, o, dan gaan degenen met een Jezus in hun hoofd, die gaan dan zeggen: Ze spreken een weg tot de Weg. Maar dan doet ons troostboek het ook! Want als God in een mensenleven komt, dan begint het niet met Jezus. Geen sprake van. Want die kennen ze niet. Maar waar begint het dan mee? Wel, geliefden, dan begint het hiermee, namelijk, wat de godvruchtige Comrie ons leert, en waar ik het hartelijk mee eens ben, Hij gaat ze ontdekken aan hun dadelijken zonden…

(de hele preek is onder deze link te beluisteren)
https://www.youtube.com/watch?v=UKD0HtemNXo
Een mens kan beter onrecht lijden dan onrecht doen. (citaat van: Mijn, lieve onvergetelijke moeder)

Vervolgde
Berichten: 55
Lid geworden op: 25 Mar 2020, 12:38

Re: Meditatie

Berichtdoor Vervolgde » 16 Mei 2020, 14:24

LEERREDE: DE SPRAKE KANAÄNS.

Voorzang: Psalm 87 vs. 1-3.

Mijne Geliefden! Dewijl wij, voor zoover wij den Heere toebehoren, als één familie bijeen zijn, zullen wij het genot hebben, ons in deze ure te onderhouden in een taal, die de wereld niet verstaat, die zij in hare hoogheid veracht, en die toch zo vertrouwelijk en gemoedelijk, zo welluidend en opwekkend is. De taal, - die ik bedoel, heet bij den Profeet Jesaja de "spraak van Kanaän": (Jes. 19 vs. 18.) Bij het vernemen hiervan beproeve zich een iegelijk, of zij hem klinkt als zijne eigene taal, of zij uit zijn hart gesproken is, dan wel of zij hem scherp, hard, ruw en bijgevolg vreemd voorkomt. Op de ganse aarde, zo ver zij zich uitstrekt, zijn er mensen, die deze taal verstaan, die alleen dán gelukkig zijn, wanneer zij een landsman aantreffen, die met hen in deze hartetaal spreekt. - Wat men evenwel ook overal van haar moge zeggen, God noemt haar ene reine spraak.

Het onderwijs in deze taal ontvangen en geven wij evenwel zó, dat eenieder dadelijk daaraan weten kan, uit welk land hij is, en of hij Schibboleth -of Sibboleth zegt. (Richt. 12 vs. 6.) Wij nemen hiertoe aanleiding uit het feest, dat wij vieren, d.i. uit het Pinksterfeest, opdat een iegelijk wete, of hij des Geestes van Christus deelachtig is, of niet. Als wij zeggen, dat wij in deze spraak onderwijs ontvangen en geven, verstaan wij dat zóó, dat wij mensen wel is waar het Woord prediken en horen, en het ook geloven, dat echter de eigenlijke Onderwijzer in deze taal de Heilige Geest is.

Dewijl nu, de vorm van een catechismus de beste leerwijze voor het onderwijs is, willen ook wij ons onderricht in vragen en antwoorden geven.

Tussenzang: Psalm 89 vs. 7.

Mijne Geliefden! Gij ziet mij aan, en ik zie u aan, en daar vragen en antwoorden wij aan de hand van Gods Woord het navolgende:

Vr. Hoe heet gij?
Antw. Ik heet een goddeloze, en toch een rechtvaardige; een onreine uit de onreinen, en toch een heilige; ik heet een mens, bij wie men niets, dan wat menselijk is, vinden zal, en toch, ja juist zó, heet ik een die "Godes" is. Ik draag een naam, dien niemand kent, dan die hem ontvangt, en die naam is: zoon Gods. - Ik schrijf met mijne hand: Ik ben des Heeren; en ik word toegenaamd met den Naam van den God Jakobs. (Jes. 44 vs. 5) Mijn naam is bekend in den hemel, en daar staat hij goed opgetekend met bloed in een kroon; op aarde ben ik bekend en onbekend, en daar staat mijn naam slecht aangeschreven, en toch gaan er ook wel goede geruchten van mij. (2 Cor. 6 vs. 8, 9) Dikwijls heb ik geen moed, om mijn naam te noemen; maar moet ik over boord (Jona 1) dan noem ik mij "een Christen"; dat kan ik niet nalaten, vanwege de zalving, die op mij en in mij is.

Vr. Welke is uw godsdienst?
Antw. Naar mijnen godsdienst ben ik een Hebreeër, een Jood, doch de besnijdenis des harten ontvangen hebbende, en dat wel zonder handen. (Rom. 2 vs. 29) Verder is dit mijn godsdienst, dat ik mij houd aan den onzichtbare God, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, alsof ik Hem zag, dat ik Hem alleen vrees en Zijne geboden onderhoud. Mijn godsdienst bestaat hoofdzakelijk in het doen, en daarbij in getuigenis af te leggen daarvan, dat een Ander alles voor mij en door mij doet, en dat ik bij al doen niets anders op het oog heb, dan de eer van Zijn Naam en het waarachtig heil mijns naasten.

Vr. Hoe oud zijt gij?
Antw. Ik ben een pasgeboren kindeken, begerig naar de redelijke en ónvervalste melk, opdat ik door dezelve moge opwassen. (1 Petr. 2 vs. 2) Overigens heb ik ook wel vernomen, - en dit geschiedde in geen hoek, - dat God mij van eeuwigheid gekend heeft; daarom reken ik mijn leeftijd ook wel van dát ogenblik af; overigens ben ik altijd tevreden, als God tot mij zegt: “Heden heb Ik u gegenereerd".

Vr. Waar zijt gij geboren?
Antw. Eerst ben ik geboren in een paradijs, - daar stierf ik; anders reken ik mijn geboorte van dát ogenblik af, dat de raad des vredes ook voor mij werd gehouden.
Ik zag evenwel het eerste levenslicht in de stad des verderfs, in het land der Amorieten en Hethieten. -
Wederom werd ik geboren te Bethlehem en op Golgotha, - en eindelijk in de grondeloze diepte mijner verlorenheid; daar was het tevens een vlak veld, waar ik heen geworpen lag in mijn bloed, en waar niemand naar mij omzag, dan God. (Ezech. 16 vs. 5, 6)

Vr. Wanneer zijt gij geboren?
Antw. Het was een donkere nacht, - maar met een snelheid, groter dan die der hinde, brak over mij het morgenlicht aan.

Vr. Wie is uw vader?
Antw. Mijn eerste vader was een bedorven Syriër (Deut. 26 vs. 5); hij is zeer rijk geweest, heeft grote schulden gemaakt, en niets kunnen betalen; deze schuld ging op mij over, en al werkte ik nu ook mijn leven lang met vlijt, dan zou het toch een eeuwige schuld blijven.

Vr. Wie is uwe moeder?
Antw. Mijne moeder is "vlees", en toen zij mij baarde, baarde zij mij als een verdraaid kind; mijn gehele innerlijk wezen bestond uit ondeugd, uit haat tegen God en den naaste, en in de 'ganse ziel en het ganse lichaam was niets dan allerlei ziekte der zonde en de dood.

Vr. Hebt gij nog een anderen vader?
Antw. Ik word in den nood gedrongen en geperst, om uit te roepen: "Abba, lieve Vader!" - en als ik dan neêr zit als een wenend kind, dan drukt Hij mij aan Zijn hart, en spreekt mij moed in; Hij is een Vader, Die mij in Zijn huis heeft opgenomen en op voorspraak van Zijn enig ééngeboren Kind heeft aangenomen. Hij is de God en Vader van mijn Heere Jesus Christus. Lk schaam mij, dat ik zeggen moet, dat ik zo dikwijls den moed niet heb, om te bekennen, dat deze glorierijke Vader mijn Vader is, dewijl ik zulk een slecht, ongehoorzaam en ondankbaar kind ben; - maar toch: Vader is Hij, mijn God en mijn Vader, en Hij zal het blijven.

Vr. Hebt gij ook nog een andere moeder?
Antw. Ja, mijn andere moeder, die mij uit God door het Woord, door overschaduwing des Heiligen Geestes ontvangen en gebaard heeft, is een vrije, een edelvrouw; zij heet het Jerusalem, dat boven is. (Gal. 4 vs. 26) Door deze moeder weet ik het, van welken Vader ik een kind ben. Zij was zeer oud, toen zij mij baarde, en allen zeiden, dat zij nooit een lkind zou ter wereld brengen, want zij was onvruchtbaar en te zwak.

Vr. Hebt gij ook broeders en zusters?
Antw. Somtijds denk ik, dat ik geheel alleen sta en eenzaam en verlaten op de wereld ben; dit zal echter wel ten dele aan mijne eigenzinnigheid, eigenliefde en aan mijnen hoogmoed liggen. Soms vind ik een broeder of een zuster, die mij verstaat; maar naar het Woord mijns Vaders heb ik er 144.000, en daarenboven nog zoo velen, dat niemand hen tellen kan. (Openb. 7 vs. 4, 9)

Vr. Zijt gij gehuwd?
Antw. Er is mij in mijn ellende en in mijn eenzaamheid en armoede een wonderschone Koning verschenen, en zo lelijk als ik was, zeide Hij tot mij: "Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in, barmhartigheden; en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen". (Hos. 2 vs:18-19) En nadat Hij dit gezegd had, stak Hij mij een ring aan de vinger. Ik heb Hem dikwijls wedergevonden, nadat ik Hem verloren had, -dikwijls weêrgezien, nadat ik Hem in lange tijd niet zag, en dan heeft Hij herhaalde malen, tot mij gezegd: "Ik heb u van eeuwigheid liefgehad, daarom heb Ik u tot Mij getrokken uit louter barmhartigheid".

Sedert langen tijd is Hij van mij opgevaren, maar ik gevoel het nu en dan aan den ring, dat Hij wederkomen en mij tot Zich nemen zal, opdat ik eeuwig bij Hem blijve. - Ik had eerst een andere man, maar die is dood; die sloeg mij hard, geselde en tiranniseerde mij; mijn tegenwoordige Man spreekt altijd alleen vriendelijke, liefelijke woorden: "Ammi, Rucháma", - d.i. "Mijn volk, begenadigde". (Hos. 1 en 2) Hij leeft met mij geheel volgens het trouwformulier.

Vr. Hebt gij familie?
Antw. Ik heb vele kinderen gehad bij de eerste man; die bevielen mij eerst zeer goed en waren de lust mijner ogen en mijn geluk; zij werden spoedig groot, maar zij zijn de een na den ander gestorven aan de tering. Vraag mij niet naar familie; want ik ben eenzaam en onvruchtbaar, alsof ik zonder man ware. Ik heb evenwel een belofte, dat ik een blijde moeder van zeven worden zal, dat mijne woning te klein zijn zal, om alle kinderen te bergen, dat mijn zaad zijn zal als de sterren des hemels, en dat al mijne kinderen van de Heere zullen geleerd zijn. Menigmaal sta ik voor deze belofte en lach, gelijk Sara lachte, toen ook zij zulk ene belofte ontving. De kinderen overigens, die ik heb, zijn mij van den hemel toegezonden, en zijn mij tot tekenen en wonderen van den Heere der heirscharen. (Vergel. Jes. 54, Ps. 113 vs. 9 en Jes. 8 vs. 18.)

Vr. Hoe noemt gij uwen Koning?
Antw. Ik kan Hem niet noemen, want Hij is Wonderbaar. Als ik Hem noemen moest, dan zou ik dood aan Zijne voeten nedervallen. Ik noem Hem mijnen Vriend; en Hij is wit en rood. Hij houdt woord en trouwe, heeft mij lief, voedt en beschut mij, en heeft met mij het uiterste geduld. (Zie Richt. 13 vs. 18, Jes. 9 vs. 6 en Hoogl. 5 vs. 10)

Vr. Wat denkt gij van uw gestalte?
Antw. Mijn Vriend zegt, dat ik schoon ben; ik kan het echter niet begrijpen. Ik kom mijzelf voor als een ongevormde vleesklomp; en somtijds heeft mijn Vriend ook geen gestalte noch schoonheid in mijn ogen. Wanneer Hij mij evenwel, als ik zoo ellendig ter neder lig, op den wagen van Zijn vrijwillig volk zet, dan vraag ik niet naar mijn gestalte, maar verblijd mij daarin, dat Hij zo met mij daarheen rijdt, en dan zou ik, wat mijn gestalte aangaat, met alle engelen niet willen ruilen. (Hoogl. 1 vs. 8; Hoofdst. 4 vs. 7; Jes. 53 vs. 2, 3; Hoogl. 6 vs. 11)

Vr. Wat denkt gij van uwe lengte?
Antw. Ach, ik wil altijd een span langer zijn, dan ik ben, en ben er dikwijls bezorgd over, dat ik te kort en te klein ben; want die lieden, die een lange gestalte hebben, zeggen, dat ik niets beteken, en meten mij dan van het hoofd tot de voeten, en dan word ik al kleiner en kleiner, totdat ik een worm word, die zich in het stof tot zijnen Schepper uitstrekt. Hij toch geeft genadiglijk aan eenieder zijne bepaalde maat en te Zijner tijd ook den wasdom; en terwijl ik nu klein word voor het aangezicht van mijnen groot God, en met den kleine Josua, Kaleb en David op Hem zie, word ik getroost, dat ik geheel naar de maat der Wet ben, en de Og's en Goliath's en alle reuzen hebben voor mij niet meer hunne lange schaduwen, en de zo grote bultige berg Basan wordt klein bij den anders, zo lage heuvel Zion. (Jes. 2 vs. 2;. Ps. 68 vs. 17)

Vr. Wat denkt gij van uwen gang?
Antw. Die is in mijn ogen slecht, want het is mij, bij de vorige tijd vergeleken, alsof ik al meer en meer achteruitga; maar het werk, dat ik onderwijl doe, moet toch wel recht zijn; - zo zegt tenminste de Werkmeester, aan Wie ik het werk heb af te leveren. Ben ik moede, dan krijg ik nieuwe kracht, en zo gaat het toch voorwaarts. Mijn Vriend heeft mij schoenen geschonken, hierin is mijn gang, zoals Hij zegt, als die van een koningsdochter, - mijn gang gaat recht uit, en alles wat op de weg mij tegenkomt, moet voor mij wijken; in deze schoenen loop ik en word niet moede, hoe zwak ik ook ben. (Jes. 40 vs. 29-31; Hoogl. 7 vs. 1.)

Vr. Maar hoe zijt gij zo zwart, zo gewond, en hoe zijn uwe ogen zoo rood, alsof gij geweend had; van waar komt het, dat gij zoo bleek zijt, en uw wangen zo ingevallen en zo doorgroefd zijn?
Antw. Ik ben zwart door de brandende zonnehitte; dat kan niet anders op de reis door deze woestijn. Ik ben gewond, doordien de vijanden mijns Vriends mij hebben geslagen, omdat zij mijn Vriend haten, - ook mijne bekenden en die mij liefhebben, hebben mij geslagen, omdat zij mij en mijnen Vriend nog niet recht kennen, en mijn en hun Vriend voor een vijand houden. (Hoogl. 1 vs. 5, 6; Hoofdst. 5 vs. 7)
"Wel, laat hen dan varen!"
Neen, Ik was weleer ook zo verkeerd en sloeg hen, die zo zijn, als ik thans ben. En de groeven in mijne wangen komen daarvan, dat ik zo dikwijls wenen moet over mijn innerlijke verdorvenheid. Dat gaat evenwel alles voorbij; en als ik mijn Vriend slechts heb, dan komt alles in één oogwenk terecht. Dan ben ik toch liefelijk, - Hij zegt het immers. Dan heb ik ook geen zonde of verdorvenheid, dewijl Hij dat alles van mij neemt. Hij legt Zijn wonden op mijn wonden, en dan heb ik geen wonden meer, en ben opgeruimd, vrolijk en vergenoegd; - en als Hij zegt: "Hoe ziet gij zo mager, gij koningskind?" dan ben ik op eens sterk.

Vr. Hoe kleedt gij u?
Antw. Ik word altijd gekleed. Vroeger kleedde ik mijzelf met schorten van vijgebladeren; nu word ik echter dagelijks, op het bevel van mijnen Vriend, door engelen gekleed; ik draag een kleed van lamsvellen en een rok, die zonder naad is, uit één stuk geweven; dat is mijn priesterlijk kleed. Ik draag een leeuwenhuid, dat is mijn koninklijk kleed. Ik draag een bruiloftskleed, en zorg, dat ik het op de hoge feestdagen aanheb. Ik draag een gouden kleed, als ik aan Zijne Rechterhand zit; ik draag gestikte klederen, als ik tot Hem ga; ik draag een koninklijken hoed, aan welks voorzijde een plaat bevestigd is, waarop Zijn Naam staat: de Heiligheid des Heeren. Ik heb allerlei wisselklederen, die ik alle van mijn Koning ten geschenke gekregen heb, en Hij heeft er nog vele in Zijn kasten. In mijn hart draag ik Zijn beeld; dat maakt al de beelden van de mode der wereld, die uit mijn hart aan mijn ogen worden voorgetoverd, lelijk en afschuwelijk. (Gen. 3; Matth. 22 vs. 12; Ps. 45 vs. 14; Zach. 3 vs. 4,5; Ex. 28 vs. 36)

Vr. Maar van al deze klederen zie ik niets; ik zie alleen, dat gij een bestoven rouwkleed aanhebt? Antw. Laat u dat niet hinderen, dat betekent niets; dat is mijn reiskleed. De andere klederen zijn voor het oog verborgen. Gij weet immers, dat ik hier als vreemdeling verkeer!

Vr. Ik zie u wel eens in een wapenrusting, - beschrijf mij die en uw strijd!
Antw. Welaan, ik draag een harnas. In mijn ogen schijnt dat zelfs tegen den lichtste stoot of aanval niet bestand te zijn, maar het heeft zich altijd bewezen te zijn een harnas Gods. Ik stà dan, de lendenen omgord hebbende met een gordel, die "waarheid" heet; dikwijls is het mij daarin, alsof de waarheid aan de zijde van de vijand ware, maar deze gordel houdt de slappe lendenen recht, zodat ik daarin staande blijf. Ik draag een pantser het borstwapen der gerechtigheid; ik meen wel dikwijls dat de gerechtigheid toch niet bij mij is, maar dan ervaar ik het, dat dit borstwapen uit over elkander schuivende platen bestaat, zodat al de ongerechtigheid van den antichrist er toch niet doorheen komt. Mijn voeten zijn geschoeid; maar als ik lopen moet, dan denk ik te zullen vallen; dan word ik evenwel in mijn schoenen ovéreind gehouden, en loop daarin zonder moe te worden. Ik draag een schild, en houd het den vurige pijlen des vijands voor; ach, wat is het mij achter dat schild dikwijls bang, hoe vol versaagdheid en twijfelmoedigheid ben ik, vrezende, dat dit schild zal doorboord worden! Het heeft zich evenwel altijd als ondoordringbaar bewezen. Ik draag ook een helm; ach, hoe dikwijls meen ik, dat het zwaard des vijands die helm en te gelijk mijn hoofd zal klieven; maar hoe is die in waarheid een helm der zaligheid! Elk vijandelijk zwaard is daarop telkens in stukken gesprongen. Ik draag een zwaard en omklem het met de hand; wel meen ik dikwijls, dat het in vergelijking met de lange zwaarden der vijanden te kort is, maar tot hiertoe heb ik van dat zwaard kunnen zingen: Het is in den Naam des Heeren, dat ik met u de vijanden verhouwen heb! Niets is bestand tegen dit zwaard. - Hier hebt gij nu een korte beschrijving van mijne wapenrusting. Mijn beste wapen is: "geroep om hulp"; en na elke verkregen overwinning denk ik: "Nog één zoodanige slag, en ik ben gevallen in de handen van Saul!" Maar mijn Koning zegt gedurig: "Gij zult stille zijn, want Ik zal voor u strijden". Zo ging het tot dusverre goed, en er was een stem des gejuichs en des heils, waar ik meende alles verloren te hebben. (Ef 6.)

Vr. Kunt gij mij iets van uw levensgeschiedenis mededelen?
Antw. Dat kan ik in weinige woorden doen: Ik was dood in zonden, en ik werd levend gemaakt! ik was blind, en werd ziende gemaakt; lam was ik, doof, stom en melaats, en ik kreeg voeten, om te springen als een hert, - oren, om te horen, wat zij, die om mij heen zaten, niet vernamen; --ik ontving een tong der geleerden, om het A. B. C. des geloofs te stamelen, het "Onze Vader" uit te spreken, de veelvuldige lof Gods te verkondigen, om Zijne gerechtigheid te boodschappen in de grote Gemeente. Ik was verloren, en zag mij meermalen, volkomen gered; ik verdierf alles, en toch werd mij alles weer goed gemaakt; ik verkwiste alles, en kreeg toch alles terug.
Mijne levensgeschiedenis is die van den verloren zoon, van David met Bathseba en Uria, van Manasse, van Petrus in de zaal van Kajafas, van Paulus op den weg naar Damascus, van Maria Magdalena. Zij staat beschreven in Psalm 32 en 51, Ezech. 16 en Hos. 2. Zij is in een hoofdsom: "Ik wist, dat gij een overtreder zoudt genoemd worden van den buik af", en: "Dit is Mijn Verbond met u, dat gij vanwege uwe schaamte en schande uwen mond niet zult opendoen, als Ik het u alles zal vergeven hebben". (Jes. 48 vs. 8. - Ezech 16 vs. 63.)

Vr. Waar leeft gij van?
Antw. Ik leef niet van gestolen goed, maar van hetgeen mij op een eeuwigen rechtsgrond, met eeuwig geldenden rechtstitel is toegekomen. Ik vond een akker met een schat; ik verkocht alles om die akker, en de Koning gaf mij de schat; die schat is mijn. Ik leef uit het geloof aan hetgeen mijn Koning mij heeft beloofd. Ik leef niet alleen bij brood, maar bij alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat. Het heeft den schijn, alsof ik van aalmoezen leef; want ik bedel, - maar dat doe ik alleen bij mijn Koning. Ik leef van de renten van een Kapitaal, dat in trouwe handen bewaard wordt, en voor alle dieven en alle geweldenarij veilig en zeker is, ja, zeker blijft, al gaaf de aarde in vlammen op. Ik ben in volle gemeenschap van goederen getrouwd, en heb alles bij de hand; ik kan het reine zilver en goud van alle goede werken uitgeven, als ik maar gedachtig blijf aan mijnen Koning en mijn gemeenschap met Hem; doe ik dat niet, dan heb ik niets, waarvan Ik leven kan, en zou van honger en dorst moeten omkomen; want met hetgeen ik uit mijn huis heb medegebracht, is niets te beginnen. Hij evenwel, Die getrouw is, geeft mij wat ik behoef, en verwijt mij niets. Ik leef evenwel bij Hem van ruilhandel; Hij neemt al het mijne, dat volstrekt geen waarde heeft, en dat Hij ook niet kan gebruiken, en Hij geeft mij al het Zijne, - dat is van oneindige waarde, en ik kan het best gebruiken, als ik het eerst met het mijne beproefd heb, en daarmede te schande geworden ben.

Vr. Wat is uw voedsel?
Antw. Wanneer ik maar honger en dorst heb, een vette maaltijd, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn. (Jes. 25 vs. 6) Ik eet van het brood mijns Konings, en drink van den wijn, dien Hij schenkt. (Spr. 9 vs, 5.) Ik moet mij evenwel schamen, dat ik dikwijls zo verzadigd ben, en het mij is, als walgde mij het manna; dan moet ik zwijnen draf eten en vuile edik drinken, maar daarbij kan ik het niet uithouden, en ik word gedreven door eeuwige liefde, om die slechte kost te laten staan, en verblijd mij, dat ik, evenals een Mefiboseth, mijn leven lang aan den tafel van koning David mag aanzitten. (2 Sam.- 9 vs. 13.) Ik geniet de vruchten van wat Hij heeft uitgewerkt, wandel in mijn lusthof te midden van de rozen, en eet appelen en druiven. (Hoogl. 1. vs. 14, Hoofdst. 2 vs. 5 enz)

Vr. Waarmede houdt gij u het meest bezig?
Antw. Het is moeilijk, daarop een antwoord te geven. - Wanneer ik de geboden mijns Konings gadesla, hoe die zo geestelijk zijn, en acht geef op de uitgangen mijns harten, ach, dan is er geen zonde, waarmede ik mij niet afgeef. Waarmede ik mij bezighouden moet en gaarne bezighoud, dat doe ik niet; en waarmede ik mij niet heb bezig te houden, ja, wat ik haat, dat doe ik. (Rom. 7 vs. 15, 19.) Ik houd mij bezig met allerlei boze gedachten, met ongeduld, met alles wat verkeerd en tegen God in is. Wederom ben ik meestal bezig met versaagd-zijn, met klagen, wenen, schreien, met bidden en hopen; - en ook daarmede, dat ik beken, minder te zijn dan een stofje, en dat de Heere het alles en alleen is; - daarmede, dat ik met mijn hart vertrouw, dat Hij het met mij maken, en het voleinden zal naar het getuigenis Zijns Woords en Zijner belofte; - daarmede, dat ik de toevlucht neem tot Zijn genade en barmhartigheid tegen zonde, nood en dood; - eindelijk is ook dit mijne bezigheid, dat ik blijmoedig belijd en mij daaraan houd, dat mijn Koning en mijn God mijn hoogste goed en de enige onuitputtelijke bronwel van alle heil is; dat bij mij en alle schepsel, op zichzelf beschouwd, niets te vinden is, maar mijn vrucht uit Hem is gevonden. (Hos. 14 vs. 9.)
Voorts ben ik een dienstmaagd, om de voeten der heiligen te wassen, en somtijds speel ik op het orgel, op de fluit, of op de harp. - Ik houd mij dus daarmede bezig, dat ik voortdurend alle onreinheid opzoek, dat ik de middelen ter hand neem, om alles rein te krijgen, en dat ik op den zevenden dag rust van mijnen arbeid, en dan den ganse dag luister naar het bazuingeschal.

Vr. Wie zijn uwe vijanden, en wie uwe vrienden?
Antw. Het schijnt, dat ik haat, die mij liefhebben, en dat ik bemin, die mij haten. (2 Sam. 19 vs. 6.) Het zijn mijn vijanden, die mij vleien; en mijn vrienden, die mij op het hoofd slaan. Vraagt gij naar de oorzaak hiervan?
Mijne eigenlijke vijanden brengen aan het licht, dat mijn wapenrusting goed, en mijn zwaard niet te kort is; maar er zijn vrienden, die mij lastigvallen en mij kwellen, doordien zij zichzelf zoeken, en niet wat mijns Konings is. God rekene hun dit niet toe. De vrienden van mijn Koning zijn mijn boezemvrienden, en Zijn vijanden haat ik met een volkomen haat. (Ps. 139 vs. 21, 22.) Ik ben voor mijzelf de ergste vijand, en mijn Vriend is mijn enige Vriend, ook dan, als Hij Zich tegen mij stelt als een vijand.

Vr. Zeg mjj iets van het karakter van uw vrienden?
Antw. Hun karakter is: Recht voor zich heen, - alles voor den Heere! Hun "ja" is ja, hun "nee" nee. Zij zeggen het niet alleen, maar doen het. Zij bewaren het Woord des Heeren in hunne harten; zij zijn een volk dat niet liegen zal; zij menen het óprecht. Zij hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Zij hebben de heiligheid lief, en hebben rust noch duur, totdat zij het “hoe” gevonden hebben; hoe zij namelijk ertoe komen zullen, dat zij zich met de Wet in overeenstemming bevinden. Zij zoeken niet hun lust, maar het welbehagen Gods. Zij zijn niet ongestadig, en hebben een afkeer van alle halfheid; zij rusten in God, en houden zich stil in Zijn Woord. Zij werken niet op eigen hand; zij genieten, en komt het bevel; dan staan zij op. Zij haten zichzelf, daartoe ook vader, moeder; vrouw, kind, have en goed, en alles, wat den wil Gods in den weg is, - en dat doen zij met volharding. In alle stukken zijn zij standvastig en volhardende. Zij laten zich van God alles zeggen, alles toeschikken en brengen; zij verwachten niets van zichzelf. Een kudde schapen zijn zij, die over alle duivelen en slangen heengaat en ze vertreedt; zij zijn een slagorde, blinkende in de zon met de gouden helmen, harnassen en schilden, - een heerlijk volk. (Hoogl. 6 vs. 9.) Zij zorgen, dat zij olie in de lampen hebben, en al slapen zij ook, als de Bruidegom vertoeft te komen, hun karakter is toch: Op! als de wachter roept. Zij gedragen zich als onderdanen, als diénstknechten des Allerhoogsten, als kinderen des lichts; - zij zijn het evenbeeld des Heeren en worden gaarne aan Zijnen dood gelijkvormig gemaakt. Zij zijn Zijn eigendom, en moeten uit alle banden en uit elk graf tevoorschijn komen; zij laten zich door zonde, duivel noch dood weerhouden. Zij versmaden des Heeren uitnodiging en Zijn tafel niet om een vrouw, of een kind, om een akker of een juk ossen. Zij brengen in volstandigheid vruchten voort (Luk. 8 vs, 15) want zij blijven in den Wijnstok; zij getuigen blijmoedig van den Heere, en in hun ogen is de Heere alleen groot; daarom laten zij de wereld woeden en met hen doen, wat haar goed dunkt; zij versagen nooit, al moeten zij ook hun leven op het spel zetten. Zij hebben voortdurend behoefte aan troost; daarom nemen zij ook de toevlucht tot de volheid huns Heeren. Zij zijn als een akker of tuin, die zich door de Heere laat bewerken, - zij zijn als een leerling, die den mond zijns onderwijzers vraagt. Zij weten, dat zij onsterfelijk en schatrijk zijn, hoewel zij dat in hope zijn; daarom vragen zij naar leven noch dood, naar rijkdom noch armoede, één ding is hun genoeg: Niemand of niets scheidt hen van de liefde des Heeren. (Rom. 8 vs. 38, 39.)

Vr. Hoe weet gij, dat gij op den rechten weg zijt? Die weg is zoo zonderling, het gaat immers door enkel hindernissen heen, en gij schijnt wel geheel alleen uw weg te reizen?
Antw. Ik zie niet op den weg, maar op mijnen Leidsman; Die heeft het mij gezegd, toen Hij mij op den weg zette, en mij het einde ervan toonde; want de afgrondén en al de hindernissen zag ik toen niet. Hij heeft immers tot mij gezegd: Dit is de weg, wandel in denzelven; en wijk niet af noch ter rechter-, noch ter linkerzijde"; en: "Deze weg is smal, en weinigen zijn er, die denzelven vinden"; toch vind ik somtijds een en pelgrim, die dezelfde weg reist. Hij gaf mij ook een kompas en een lamp mee, om de kentekenen van den goede weg te kunnen onderkennen, welke zijn: smal, oneffen, door weinigen betreden, bezaaid met kruisen en doornenkronen, enz. De verkeerde weg, dien ik somtijds ook wel zou willen inslaan, verlaat ik spoedig weder.

Vr. Wat is dat kompas?
Antw. Zijn Woord, dat niet liegt. Zijn Woord is mijn lamp, ook mijn stok en mijn staf.

Vr. Maar wánneer gij in het duister wandelt?
Antw. Dat hindert niet, die lamp brandt in mijn hart. Ook is Hij mij des daags tot een wolkkolom en des nachts tot een vuurkolom. Hij, de Heere, is mijn overvloedig licht, juist in het donker en in den bange nacht; en Hij heeft het ook gezegd: "Wie is er onder ulieden, die in de duisternis wandelt, en geen licht heeft? - dat hij betrouwe op den Naam des Heeren, en steune op zijnen God". (Jes. 50 vs. 10.)

Vr. Zijt gij dan in het geheel niet bang, dat gij op dezen weg verdwalen of omkomen zult?
Antw. Somwijlen wel, want dikwijls zie ik niets meer van den weg; - maar wanneer ik een ogenblik stil sta en mij bedenk, dan vrees ik in het geheel niet. Ik heb van den Koning een groot gevolg meegekregen, een machtige schare dienaren. Gij ziet die niet? 0, ik menigmaal ook niet, als ik niets zie dan den vijand, niets dan Ezau met zijne vierhonderd!

Vr. Noem mij deze dienaars?
Antw. Wel, het zijn Zijne heilige engelen, - Mahanaïm (Gen. 32 vs. 1, 2); vaak ontmoet ik ook een van mijns gelijken; dan gaat het gans eigenaardig op den weg; ook is Hij Zelf dikwijls bij ons, en wij denken er niet aan, dat Hij het is; maar ons hart is brandende in ons vanwege Zijne onzichtbare zalige tegenwoordigheid. (Luk. 24 vs. 13 vv)

Vr. Weet gij wel, dat gij nog voor een open zee komt te staan, en dat gij nog door een rivier heen moet, die vol is aan hare oevers?
Antw. Ik heb daarvan wel zoo iets vernomen, ook heb ik het weloverwogen, toen ik den weg insloeg, maar ik heb Zijn Woord te allen tijde waarheid bevonden te zijn, en het woord van den vijand en van de wereld leugen. Ook in den oven der ellende, en in de hitte van den strijd met het verderf heb ik de waarheid ondervonden van de woorden des heeren: “Vrees niet! Wanneer gij zult gaan door het water Ik zal bij u zijn, en door de rivieren zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken" (Jes. 43 vs. 1, 2), en: Hij verandert stromen in het droge. Weet gij hoe? Hij gaat als de Eerste in de stroom, en Hij gaat er ook ais de Laatste uit. De Arke des Verbonds vermag meer dan alle vloeden des doods. (Jos. 3.)

Vr; Maar hoe dan, als u een giftige slang bijt?
Antw. Dan zie ik stervende op de koperen slang. -- dat is zo Gods wil.

Vr. Maar waarom neemt gij niets uit de wereld mede?
Antw. Wat God Zelf mij geeft, al schijnt het ook weinig, is meer dan de overvloed van vele goddelozen. Dat ik eerlijk eet en drink: dat ik mij kleed naar behoren, en wat verder mijne behoeften zijn, dat alles geeft Hij mij van Zijn aardrijk. De aarde toch is mijns Konings, mitsgaders hare volheid. (Ps. 24 vs. 1.) Van de wereld wil ik echter niets hebben; mijn erfdeel is daarboven. De duivel heeft niets, hoe veel hij ook belooft. Wie het minst bij zich heeft, die reist het gemakkelijkst; ook heb ik beloftenissen: waarin overvloedig goud gelegen is. Ik reis met een goeden kredietbrief, en mijn Koning heeft overal Zijn betaalmeesters.

Vr. Waar trekt gij dus heen? .
Antw. Daarheen, waar reeds mijn wandel is, naar het Jerusalem, dat geen mens, maar God Zelf gebouwd heeft voor mij en al de Zijnen, - gebouwd op het bloed des Verbonds.

Vr. Zijt gij daarvan zeker en gewis?
Antw. Ik heb zegel en brief, namelijk den Geest, die Hij mij geschonken heeft, en Zijn Woord.

Vr. Maar al die oude zonden? en nog eens als gij voor die diepe stroom komt? Gij hebt immers geen bootje, en op die stroom is er ook geen?
Antw. Ik moet toch in den hemel!

Vr. Wat is dan uw verwachting?
Antw. Mijn zekere verwachting is, dat mijn Heer, mijn Zielebruidegom mij zal tegenkomen aan de poorten Zijner stad. Hij heeft mij het antwoord gegeven op mijn gebed. Hij heeft gezegd: "Ik kom haastiglijk!"

Vr. Maar hoe Komt gij die stad in, die zoo hoog ligt?
Antw. Op engelenwagens! Hij Zelf zet mij daarop en dan geen tranen meer!

Mijne Geliefden! Dit is nu zo iets van de sprake Kanaäns. Die haar niet kan meêspreken, ga als een kind in de leer bij den enige Profeet. Die haar veracht wete, dat de Vader, Die Zijne kinderen alzo leert spreken, hem zolang ook veracht. Die haar geleerd heeft, bedenke, van Wien hij haar geleerd heeft, opdat hij Hem vreeze, en Hem eerbiedig aanbidde. Het spreken evenwel maakt niet zalig, zo het hart er niet bij is. Schibboleth alleen komt over den stroom. Daar heet het: Voorwaarts! haast u, behoud u om uws levens wil.
Amen.

Nazang: Psalm 147 vs. 10.

Gebruikersavatar
Bonny
Berichten: 2147
Lid geworden op: 03 Aug 2007, 16:29
Locatie: In partibus infidelium
Contact:

Re: Meditatie

Berichtdoor Bonny » 16 Mei 2020, 21:18

Vervolgde schreef:LEERREDE: DE SPRAKE KANAÄNS

Van wie is deze meditatie?
The Groom's still waiting at the altar

-DIA-
Berichten: 24211
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Meditatie

Berichtdoor -DIA- » 16 Mei 2020, 23:11

Bonny schreef:
Vervolgde schreef:LEERREDE: DE SPRAKE KANAÄNS

Van wie is deze meditatie?

In de vorm lijkt het wat op dr. H.F. Kohlbrugge, maar ik weet het verder ook niet.
Een mens kan beter onrecht lijden dan onrecht doen. (citaat van: Mijn, lieve onvergetelijke moeder)

gallio
Berichten: 1433
Lid geworden op: 14 Jan 2004, 17:01

Re: Meditatie

Berichtdoor gallio » 17 Mei 2020, 00:34

-DIA- schreef:
Bonny schreef:
Vervolgde schreef:LEERREDE: DE SPRAKE KANAÄNS

Van wie is deze meditatie?

In de vorm lijkt het wat op dr. H.F. Kohlbrugge, maar ik weet het verder ook niet.

Klopt, Volgens Google staat er een kopie van het boek in de Harvard University. Kan ik morgen lezen als dat zo uitkomt.

Vervolgde
Berichten: 55
Lid geworden op: 25 Mar 2020, 12:38

Re: Meditatie

Berichtdoor Vervolgde » 18 Mei 2020, 10:40

Het is inderdaad een preek van Dr. H.F. Kohlbrugge.

En er wordt goed aangedaan dit onderwijs ter harte te nemen, in plaats van de tale Kanaäns af te schilderen als iets mystieks.
Spreekt men deze taal niet, dan behoort men tot de wereld en deelt met haar. Die boodschap lijkt me toch eenvoudig en goed te begrijpen.

Jantje
Berichten: 11959
Lid geworden op: 18 Mei 2017, 20:42
Locatie: Zeeland

Re: Meditatie

Berichtdoor Jantje » 18 Mei 2020, 10:49

Vervolgde schreef:Het is inderdaad een preek van Dr. H.F. Kohlbrugge.

En er wordt goed aangedaan dit onderwijs ter harte te nemen, in plaats van de tale Kanaäns af te schilderen als iets mystieks.
Spreekt men deze taal niet, dan behoort men tot de wereld en deelt met haar. Die boodschap lijkt me toch eenvoudig en goed te begrijpen.
Zeker. Geheel eens.
Was getekend,
uw medeforummer Jantje

Geytenbeekje
Berichten: 3520
Lid geworden op: 26 Jun 2018, 21:37

Re: Meditatie

Berichtdoor Geytenbeekje » 18 Mei 2020, 10:50

En een bekeerd iemand uit de evangelische hoek die nooit de SV heeft gelezen ?

Gebruikersavatar
J.C. Philpot
Berichten: 4262
Lid geworden op: 22 Dec 2006, 16:08
Locatie: Het Mesech der ellende

Re: Meditatie

Berichtdoor J.C. Philpot » 18 Mei 2020, 11:08

Geytenbeekje schreef:En een bekeerd iemand uit de evangelische hoek die nooit de SV heeft gelezen ?

Die zal geen SV taal spreken, maar wel de tale kanaans. En ook als je de SV-terminologie kent, kan het zijn dat je een vreemdeling bent aan de ware tale kanaans.
Man is nothing; he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him.
George Whitefield

Gebruikersavatar
Herman
Berichten: 5526
Lid geworden op: 29 Dec 2001, 13:21
Locatie: Geldermalsen

Re: Meditatie

Berichtdoor Herman » 18 Mei 2020, 11:16

De sprake Kanaäns en de tale Kanaäns zijn twee verschillende zaken. Het eerste betreft het geestelijk en persoonlijk kennen van de gereformeerde geloofswaarheden en het tweede is het op beeldende wijze gebruik maken van bijbeltaal om geestelijke ervaringen te omschrijven.

Kohlbrugge had niet veel op met de afgescheidenen, dus je kunt hem moeilijk als een pleitbezorger van hun taalgebruik opvoeren.

Gebruikersavatar
J.C. Philpot
Berichten: 4262
Lid geworden op: 22 Dec 2006, 16:08
Locatie: Het Mesech der ellende

Re: Meditatie

Berichtdoor J.C. Philpot » 18 Mei 2020, 11:27

Herman schreef:De sprake Kanaäns en de tale Kanaäns zijn twee verschillende zaken. Het eerste betreft het geestelijk en persoonlijk kennen van de gereformeerde geloofswaarheden en het tweede is het op beeldende wijze gebruik maken van bijbeltaal om geestelijke ervaringen te omschrijven.

Dank! Dat is inderdaad een goed onderscheid. Ik haalde het ook door elkaar.
Man is nothing; he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him.
George Whitefield

Vervolgde
Berichten: 55
Lid geworden op: 25 Mar 2020, 12:38

Re: Meditatie

Berichtdoor Vervolgde » 18 Mei 2020, 11:28

Herman schreef:De sprake Kanaäns en de tale Kanaäns zijn twee verschillende zaken. Het eerste betreft het geestelijk en persoonlijk kennen van de gereformeerde geloofswaarheden en het tweede is het op beeldende wijze gebruik maken van bijbeltaal om geestelijke ervaringen te omschrijven.

Kohlbrugge had niet veel op met de afgescheidenen, dus je kunt hem moeilijk als een pleitbezorger van hun taalgebruik opvoeren.


Ik weet niet waar dit onderscheid vandaan komt, of waar het op is gebaseerd. Ook de afscheiding heeft niet te maken met dit onderwerp.
Ik vraag me af: vanwaar en waarom dit venijn?

Erskinees
Berichten: 865
Lid geworden op: 14 Jun 2018, 21:15

Re: Meditatie

Berichtdoor Erskinees » 18 Mei 2020, 11:36

Vervolgde schreef:
DDD schreef:Ik geloof daar niet in. Het is een mooie inlegkunde bij het begrip, maar zo wordt de uitdrukking meestal niet gebruikt.

Het wordt (erg grofweg geschetst) gebruikt voor:
-kerkelijk jargon (dat is de definitie in modern en orthodox-gereformeerde kringen)
-bevindelijke uitdrukkingen (dat is de definitie die de Saambinder hanteert, vrij algemeen gebruikt in bevindelijk gereformeerde kringen)
-geloofsherkenning bij andere gelovigen (deels bevindelijk-gereformeerd, deels evangelisch)

De tale Kanaäns is niet zomaar een woord, maar een begrip dat direct aan de Bijbel is ontleend.
Helaas wordt deze taal nog weinig vernomen, wat veelzeggend is ten aanzien van de gezondheid van de Kerk.
Om toch meer duidelijkheid te verschaffen over deze taal en wie haar gebruiken, heb ik in het topic Meditatie een rede over deze taal geplaatst.

In een ander topic verwees je naar deze leerrede n.a.v. een post van DDD die ging over kerkelijk jargon en bepaalde bekende bevindelijke uitdrukkingen. De leerrede gaat echter niet over deze dingen (de sprake Kanaäns, zoals Herman dit noemt) maar over de geloofstaal die herkenning geeft tussen de ware gelovigen. Dat laatste is wel de tale Kanaäns. Deze herkenning staat echter los van jargon of bepaalde uitdrukkingen die mystiek overkomen. Kohlbrugge doelt uitdrukkelijk niet op deze categorie en je kan en mag hem daarvoor m.i. ook niet gebruiken ter onderbouwing.

Vervolgde
Berichten: 55
Lid geworden op: 25 Mar 2020, 12:38

Re: Meditatie

Berichtdoor Vervolgde » 18 Mei 2020, 12:38

Erskinees schreef:Kohlbrugge doelt uitdrukkelijk niet op deze categorie en je kan en mag hem daarvoor m.i. ook niet gebruiken ter onderbouwing.


Hoewel niet helemaal on topic, plaats ik de reactie toch maar direct onder dit bericht.

In de eerste plaats is het de vraag of ik Kohlbrugge wil gebruiken voor een bepaald standpunt. Bewust heb ik de leerrede niet geplaatst in het topic over het kerkelijke jargon. Die discussie wil(de) ik helemaal niet voeren. Wat ik wil(de) laten zien is de waarachtige inhoud van de tale Kanaäns.
Vandaar dat ik daar schreef:
Om toch meer duidelijkheid te verschaffen over deze taal en wie haar gebruiken, heb ik in het topic Meditatie een rede over deze taal geplaatst.


In de tweede plaats is het opvallend dat bepaalde begrippen heftige reacties oproepen, terwijl de inhoud bij weinigen helder is. Bevinding is zo’n term en “tale Kanaäns” is er ook zo één. Het overzicht van DDD is nog feitelijk te noemen, andere reacties geven eerder een gevoel van de schrijver weer, zoals: het is mystiek, het is de taal van de afgescheidenen, etc. Om dergelijke reacties in te dammen kan een dergelijke leerrede nut hebben. Mogelijk dat men dan meer bescheiden spreekt over zaken waar geen kennis van is.

In de derde plaats is het opvallend dat op een reformatorisch forum veel gezegd kan worden (of mogelijk zelfs te veel), maar de bevindelijke zijde van het geloofsleven bijna per definitie onder vuur ligt. Ik vraag mij af waar dat vandaan komt? Zou het dan toch te maken hebben met het door Kohlbrugge genoemde “Schibboleth -of Sibboleth”?

Erskinees
Berichten: 865
Lid geworden op: 14 Jun 2018, 21:15

Re: Meditatie

Berichtdoor Erskinees » 18 Mei 2020, 12:43

Vervolgde schreef:Om dergelijke reacties in te dammen kan een dergelijke leerrede nut hebben..

Op een discussieforum kan je reactie verwachten omdat de deelnemers het leuk en interessant vinden om te reageren. "Indammen" van reacties zou geen doel moeten zijn.
Vervolgde schreef:Mogelijk dat men dan meer bescheiden spreekt over zaken waar geen kennis van is.

Het lijkt mij nuttiger dat jij je wat meer bescheiden opstelt, op deze wijze valt er niet op een christelijke wijze met elkaar te praten.
Laatst gewijzigd door Erskinees op 18 Mei 2020, 12:44, 1 keer totaal gewijzigd.


Terug naar “Theologie - Bezinning”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 2 gasten