Meditatie

-DIA-
Berichten: 23766
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Meditatie

Berichtdoor -DIA- » 29 Feb 2020, 12:01

DE RAAD VAN AMBROSIUS

Een bezeten wereld
In het jaar 1935 schreef de historicus J. Huizinga het boek ‘In de schaduw van morgen’. Hij schreef in de tijd na de crisis van 1929. De tijd van de steeds brutalere opkomst van Nazi-Duitsland. De tijd van de verschrikkingen die dit net zich mee zou brengen.
Veelzeggend zijn dan ook de eerste zinnen die hij schreef: “Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit de arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.

“Maar de geest geweken”
Huizinga’s woorden zijn profetisch geweest. Dat heeft het verloop van de geschiedenis uitgewezen. De waanzin is inderdaad uitgebroken in razernij. Er brak een allesverwoestende oorlog uit. Naar schatting 65 miljoen mensen kwamen om. In 1945 (dit jaar 75 jaar geleden) bleef ons werelddeel totaal berooid en verwoest achter. Maar let vooral op de laatste vier woorden van Huizinga. “Maar de geest geweken.”
Huizinga zag het voor zich. Een samenleving die haar stuur volledig kwijt is geraakt. Een samenleving die van haar fundamenten is losgeraakt. Een samenleving die ook totaal verbrokkeld is. Een samenleving die doelloos voortdrijft.

O zeker. De periode ná de Tweede Wereldoorlog is materieel een periode van herstel geweest. De West-Europese samenleving is herbouwd. Techniek en wetenschap hebben zich razendsnel ontwikkeld. De welvaart is tot ongekende hoogte gekomen. Maar we moeten ook zeggen: “Maar de geest geweken.”
Als het gaat om het fundament van onze Joods-christelijke beschaving, is de periode na de Tweede Wereldoorlog een periode van voortgaande afbraak geweest. De ontkerkelijking heeft zich onomkeerbaar doorgezet. Een gemeenschappelijk patroon van normen en waarden zijn we kwijtgeraakt. De intrede van andere wereldgodsdiensten, zoals de Islam, heeft het allemaal nog ingewikkelder gemaakt,

Wereldwijd.
Buiten Europa doen zich eveneens bizarre ontwikkelingen voor. Denk aan de vluchtelingenstromen die in Afrika en Azië op gang komen (waarvan sommige geschat worden op een miljoen mensen).
Denk aan de handelsoorlog tussen China en de Verenigde Staten die zich op allerlei wijzen openbaart.
De gevolgen van de uitbraak van her coronavirus zijn nog niet te overzien.
Denk aan de onzichtbare oorlog die plaats vindt op het terrein van ICT: als een samenleving sterk afhankelijk is van ICT, is zij ook zeer kwetsbaar voor inbraak, hackers en dergelijke. Denk voorts aan nepnieuws, lekken, etc.

De Christelijke gemeente
Te midden van deze verwarrende ontwikkelingen staat de christelijke gemeente van onze tijd. De christelijke gemeente staat in ons land vrijwel aan de rand van de samenleving. Zij wordt in toenemende mate van buitenaf bedreigd. Van binnenuit wordt het gemeenteleven soms verteerd door verwijderingen, tegenstellingen, verkoeling van de liefde, etc.
Huizinga gebruikte het woord ‘bezeten’. Laten we ter waarschuwing bedenken dat dit woord duidt op de duisternis dezer eeuw en op het werk van de geestelijke boosheden in de lucht. *1

Het zien op Jezus
Wat staat het christendom anno 2020 te doen? Vanwaar zal komen mijn hulp? *2
Onverwacht kwam ik (opnieuw) in aanraking net het eeuwenoude boek van Isaak Ambrosius, een van onze Engelse oudvaders (1904-1664). De titel van zijn bekendste boek luidt ‘Het zien op Jezus’.
De boodschap van dit boek past voortreffelijk bij de situatie waarin de christelijke gemeente verkeert.
Amrbrosius betoogt dat de christen van álles moet afzien, en slechts zien op Jezus. De christen moet afzien van kwade dingen:
“Handel zo weinig mogelijk met kwade dingen, met de wereld, met de zondige wellusten en rijkdommen. Hoe minder, hoe beter. Wereldse dingen zijn als lijm, Wilt u uw hart daarbij laten liggen, het zal eraan vast raken. En dan is er geen ander middel: óf bekering, óf het helse vuur zal ze moeten scheiden.”
Maar een christen moet ook afzien van goede dingen, zo schrijft hij:
“Wij moeten onze zinnen aftrekken van álle dingen die ons in onze christelijke loop kunnen afkeren van het zien op Jezus. Wij moeten de handen en ogen afwenden van alle dingen afwenden, die ons in de weg staan tot Jezus Christus. Des Heeren bevel aan Lot was: Zie niet achter u om.”

Een ernstige waarschuwing
Zijn inleidende opmerkingen op dit grote werk (dat het zó waard is om gelezen te worden), besluit hij met een ernstige waarschuwing. Een waarschuwing, waarmee we deze bijdrage ook willen afsluiten.
Ter overdenking. Persoonlijk. Met elkaar.

“Bedenk hoe kort uw tijd hier in de wereld is. U die leest of hoort, die praat en gaat, zult weldra op de schouders worden weggedragen. En in het stof gelegd, zult u voor de wormen worden gelaten. Het scheelt niet veel, of u bent er al…
Er zijn slechts weinig dagen meer, weinig maanden of jaren. En wat dan, als die zijn voorbijgegaan.
Bedenk welk een grote rekenschap u moet geven op alle aardse dingen. Overdenk de laatste rekening!
Och, wat zal het een droevige rekening zijn, als op uw briefje staat dat u de meeste tijd hebt doorgebracht om op aardse dingen te zien.”


Noten:
1.) Efeze 6:12 kanttekening: “Zo wordt het rijk des satans genaamd, omdat hij door onkunde of onwetendheid van God en Zijn Woord de mensen tot allerlei zonden en boosheden brengt.” en “de geestelijke der boosheid, dat is, geesten die tot boosheid zijn genegen eb de mensen daartoe zoeken te brengen”.
2.) Psalm 212:1 kan op deze wijze vertaald worden.


Bron: De Wachter Sions, 27 februari 2020
Zoek den vrede en jaag hem na

CvdW
Berichten: 1353
Lid geworden op: 23 Mar 2015, 14:07

Re: Meditatie

Berichtdoor CvdW » 29 Feb 2020, 12:21

Bedankt voor het plaatsen!

-DIA-
Berichten: 23766
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Meditatie

Berichtdoor -DIA- » 26 Mar 2020, 10:22

EEN STEM UIT HET VERLEDEN, zo lezen we met enige regelmaat in De Saambinder, landelijk orgaan van de Gereformeerde Gemeenten.
In de overzeese gemeenten wordt THE BANNER OF TRHUTH gelezen. Ook in dit blad staan overdenkingen die het lezen waard zijn. We pakken er deze keer twee, beide uit genoemd blad, uit repectivelijk 2011 en 2012. Ondanks dat het dus van redelijk recente datum is zijn de schrijvers van deze meditaties de strijd reeds lang te boven, en mogen we geloven dat zij van Godswege de bazuin aan de mond moesten zetten.

UIT “THE BANNER OF TRUTH”, 1 SEPT. 2011

De Vijandschap Tegen Christus
Ds. Chr. van Dam (1893-1976)

“Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels; Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou” (Handelingen 4:27-28).

Uit het verband van deze tekst blijkt duidelijk, dat zodra Christus gepredikt wordt in de kracht des Heiligen Geestes, dus met de betoning van de kracht Zijner opstanding, de priesters onder Israel zich naijverig en vijandig stellen tegenover de ware Priester. En dat temeer omdat die prediking zulk een rijke vrucht afwerpt. Dat duizenden de grote Nazarener beginnen te erkennen als de Zoon van God en als de Zaligmaker der wereld, met verzaking van hun wettische gerechtigheid, als zijnde een wegwerpelijk kleed. Groter ergenis is voor de priesters immers niet denkbaar, die zelf niet anders hebben dan wettische vroomheid en daardoor begeren, dat niemand iets anders of beters hebben zal. Zalig worden uit vrije genade, alleen door het werk van een ander, willen zij niet.

Hun hoogmoed wil zelf hun zaligheid uitwerken en verdienen. Hoogstens willen zij enige helpende genade erkennen, een pelagiaanse opvatting dus. Zij hebben in het minst geen besef van hun totaal verdorven aard en natuur, geen Godskennis en geen zelfkennis; er is zelfs geen begrip van zonde en schuld. Daardoor hebben zij gans geen behoefte aan Christus’ gerechtigheid.

En dat zijn nu de priesters, die het volle de wet moeten uitleggen en de weg aanwijzen tot verlossing van de vloek van de wet. Godsdienstig zijn zij in overvloedige mate, maar juist daardoor staan zij vijandig tegenover Hem, Die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen en om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Zij hebben een ijver voor de wet Gods, en evenwel wederstaan zij de wil Gods. Zij hebben hun mond overvol van het Woord Gods, doch in de praktijk verwerpen zij het.

De priesters staan in hun vijandschap tegen Christus niet alleen; zij worden juist als tempelwachters tot optreden gedrongen door de Sadduceeërs, die zich ergeren omdat zij de opstanding van Christus horen verkondigen. Petrus en Johannes worden door de tempelwacht gegrepen en in de gevangenis opgesloten, welke zich in de tempel bevindt. En wanneer het Sanhedrin zitting houdt, zullen zij geoordeeld worden.

Doch als de nieuwe dag dan aanbreekt, mogen de apostelen ervaren, dat het hun in de ure des gevaars gegeven wordt, onverschrokken te getuigen van de gekruisigde Christus. Zij verklaren zelfs openlijk, dat ze God meer wensen te gehoorzamen dan mensen, indien men hun het spreken in die Naam verbieden zal. En God de Almachtige verlost Zijn knechten, door mensenvrees te verwekken bij de leden van de Hoge Raad, zodat zij de apostelen, na hen gewaarschuwd en bedreigd te hebben, laten gaan. En als dan de apostelen tot de hunnen gekomen zijn, vertellen zij alles wat de overpriesters en ouderlingen tot hen gezegd hebben, hetgeen tot gevolg heeft dat zij eendrachtiglijk hun stem opheffen tot God.

In dit gebed komt onder meer voor de bovengenoemde klacht: “Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welke Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls, om te doen al wat Uw hand en Uw raad tevoren bepaald had dat geschieden zou.” Deze woorden slaan terug op Psalm 2:2; “De koningen der aarde stellen zich op en de vorsten beraadslagen tezamen tegen de Heere en tegen Zijn Gezalfde.” Herodes als vertegenwoordiger van de koningen der aarde, en Pontius Pilatus als speelbal van de oversten der Joden, worden nu vrienden in hun afkeer van een vijandschap tegen Jezus Christus, de Gezalfde des Heeren.

Wat met Christus geschied is, heeft zijn voortgang in hetgeen de Zijnen ervaren. Er wordt een verbond gemaakt tussen Joden en heidenen tegen Jezus, en dat alles naar hetgeen Gods raad tevoren had bepaald, dat geschieden zou. Wetend of onwetend voert elk schepsel Gods raad uit. Gewillig of onwillig moet elk mens Sions Koning dienen, in de volvoering van Gods raad, in het verleden, in het heden, en in de bange toekomst. Geen wraakgevoel, geen afbidden van het lijden, doch alleen een smeken om standvastigheid en vrijmoedigheid is te vinden in bovengenoemd gebed. En de Heere antwoord met de vervulling van de Heilige Geest en de vrijmoedig-makende genade onder elkander en in het openbaar (vers 33).

De geschiedenis van Gods kerk herhaalt zich alle eeuwen en in het bijzonder in de tijd waarin wij leven. Tegenover een handvol mensen, die God wensen te dienen en te vrezen naar Zijn Woord, stelt zich de massa heidenen en godsdienstigen tezamen in verbond tegen Jezus de Nazarener. Luide wordt het uitgesproken: “Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen op ons werpen.” Allerwege openbaart zich het verzet en de tegenstand, gepaard gaande met hoon en smart over allen, die aan Gods Woord vasthouden, als voortekenen der vervolgingen, die op de van God bepaalde tijd over het geestelijke Israel komen zullen. En dat te meer daar de krachtdadige werking des Geestes zo weinig gevonden wordt, en veelal de wijze met de dwaze maagden in slaap gevallen zijn.

Jammerlijke verdeeldheid onder de belijders der waarheid Gods verteert de krachten. In theorie mogen men dezelfde belijdenis hebben, maar als het op de praktijk aankomt, blijkt al spoedig dat er geheuld wordt met de vijanden des volks. Waarom dan toch? Omdat alle godsdiensten en belijdenissen die uit een verbroken werkverbond opkomen, de vijandschap en tegenstand van het mensenhart tegen Christus niet vermogen te breken; omdat de belijdenis van zonde en ellende ons nog geen zondaar voor God maakt; omdat de godsdienst zonder God de kracht mist om de zonde te kunnen haten gelijk God ze haat. Zonder ware genade kan de mens zich niet onderwerpen aan de haat en smaad van de God vervreemde wereld, en zoekt men een tussenweg, die alles kan voldoen.

Zijn de getrouwen in de lande zeer weinig geworden, zij zijn er evenwel nog zeer zeker. Maar er wordt door hen ook veel verdrukking geleden. Ja, de Heere Jezus heeft het zelf gezegd: ‘In de wereld zult gij verdrukking hebben.” En het zal nog erger worden naarmate de grootste afval toeneemt. Hoe nodig zou het ook nu zijn om de stem eendrachtig op te heffen tot God, gelijk de gemeente te Jeruzalem.

Dat daartoe de Geest der genade en der gebeden werd uitgestort over allen, die bij alle verschil van opvattingen wensen vast te houden aan de eeuwige waarheid Gods, niet alleen leerstellig, maar vooral ook in de praktijk van het leven. Dan zou men zich meer schouder aan schouder tegen de gemeenschappelijke vijand stellen, hetgeen dus neerkomt op een waken en bidden, persoonlijk en gemeenschappelijk, tegen het dreigend gevaar. Dat dan innerlijke, geestelijke kracht mocht worden gezocht en gevonden om te kunnen staan in de dag der verzoeking, die over de hele wereld komen zal.

Door het geloof zal het mogelijk zijn de wereld te overwinnen, al schijnt het, dat het geloof juist aanleiding zal zijn voor de wereld om degenen, die van de wereld niet zijn, van de wereld te verbannen en uit te roeien.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Dan nog een Dankdagmeditatie van wijlen ds. J. van Vliet, gepubliceerd in THE BANNER OF TRUTH van 1 november 2012

Ware dankdag
Ds. J. Van Vliet (1921-1985)

“De Heere HEERE deed mij aldus zien: een korfmet zomervruchten. En Hij zeide: Wat ziet gij Amos? En ik zeide: een korfmet zomervruchten. Toen zeide de Heere tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan” (Amos 8:2).

“Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, die zal Ik Gods heil doen zien.” Dit zullen we moeten verstaan om ware dankdag te houden. Dan zullen we ook geen schijn voor zijn houden. Dan dienen we ter harte te nemen het onderwijs uit Gods Woord.
In dit visioen van de korf met zomervruchten geeft de Heere een beeld om te leren en de boodschap te brengen wat de Heere ervan denkt en wat Hij er aan denkt te doen. Terwijl de oogstdienst wordt gehouden, verheft Amos zijn stem en zegt: “De Heere Heere deed mij aldus zien.”

Als de dankdag wordt gehouden is het dan niet groot wanneer de Heere Zijn stem nog laat horen en Zijn boodschap wil doen brengen? Is het u dan ook om de waarheid te doen? Wat zag Amos, en wat toonde de Heere hem? Het verdient wel bijzondere aandacht, dit herfstvisioen van een korf met zomervruchten. Amos zegt dit mooie stilleven, een mand met rijp fruit, te hebben gezien. Het laatste wat als dankoffer voor de Heere ingezameld werd, was het fruit. Een lust voor de ogen, zo’n korf met zomervruchten, met rijp fruit. Een fraai stilleven. De vruchten lachen u toe. Zo te zien feestelijk.

Maar u mag wel goed opletten. Dit was het beeld van het volk Israël. De Heere had grote zegeningen en weldaden geschonken. En moeten wij dit op dankdag niet herkennen? Is er dan geen groot onderscheid met anderen? Wat een mooi stilleven! Helaas, men had de Heere niet nodig, en erkende Hem niet voor de vele onverdiende zegeningen. Nu wil de Heere in dit herfstvisioen de werkelijkheid laten zien. Een fraai stilleven; het is feestelijk zo te zien. Het is echter vreselijk. Want hoe luidt het Goddelijke antwoord en de verklaring welke de Heere hiervan geeft?

“Toen zeide de Heere tot mij: het einde is gekomen over Mijn volk Israël; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.” Zomervruchten zijn rijpe vruchten en zo is Israël ook te zien. Het is rijp voor het oordeel, dat niet meer af te wenden is. Uiterlijk was alles goed en even rijk. Het was net als een schilderij. Wat een mooi fruit in die korf. Om jaloers op te worden! Maar, o wee; van binnen was het zo anders dan het van buiten leek. Zoals de zomervruchten rijp waren om opgegeten te worden, zo maakte zich de innerlijke toestand van het volk Israël rijp voor het oordeel.

Wat een ontdekkende verklaring. Bij dieper onderzoek bleek: veel vorm, doch helaas het wezen werd gemist. De schijn bedriegt. Tussen leer en leven was een grote afstand. Het op het eerste oog zo mooie stilleven van Israëls volksbestaan bleek bij nader toekijken toch deerlijk tegen te vallen. Welk een boodschap en goddelijke verklaring: het volk is rijp voor de ondergang.

En hoe is de werkelijke toestand nu tegenwoordig? Is deze niet zorgwekkend, als we letten op het maatschappelijk en staatkundig leven? Welk een zedenverwildering en steeds verdergaande openbaring van de mens der zonde. Roepen de vele zonden niet al duidelijker om de rechtvaardige oordelen Gods?

Maakt het ons eens zo bevoorrechte land zich niet al meer rijp voor de ondergang in deze tegenwoordige, boze wereld? In vergelijking met andere landen lijkt ons volksbestaan nog wel een mooi stilleven, doch bij nader onderzoek valt het zo bitter tegen. Want wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen.

Van buiten gezien is er, ondanks de toenemende afval, toch nog wel een godsdienstig leven. En waar er nog rechtzinnigheid is, zijn er nog volle kerken. Nieuwe kerken worden er nog gebouwd, en de arbeid van evangelisatie en zending vindt voortgang. De belijdenis wordt nog gehandhaafd en de Heere heeft nog Wachters op Sions muren. Dat is groot en goed. Maar de vraag is nog belangrijker hoe de gezindheid van ons hart is. Want God ziet op de bodem van de ziel. Zoals Amos zijn volk kende en hun overleggingen vertolkte, zo doorgrondt de Heere ons hart. Het uitwendige is belangrijk, zeer zeker, dat moet in orde zijn. Maar er is meer nodig, ook voor een dankdag. Dan hebben we voor een ware dankdag bovenal wel nodig de behoefte van de dichter: “Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg.”

Zelfbeproeving is noodzakelijk voor oud en jong. Wij behoren allen tot de wereldoogst. Als deze rijp is, gaat het bevel uit: Zend uw sikkel en maai! Eenmaal zullen wij allen gemaaid worden en op de dorsvloer van zuivering worden gebracht.

Neem ter harte de ernstige vermaning van dit visioen van de korf met zomervruchten, van het stilleven van de rijpe fruitmand. Zullen wij straks rijp zijn als kaf voor het oordeel, of als koren om in de eeuwige schuren Gods te worden binnengebracht?
Dat onderscheid zal zo groot zijn!

Is bij u het stilleven een onrustig leven geworden? Dan hebt u aan de vorm en uitwendige godsdienst niet genoeg. De ware godsvreze moet in ons hart geboren worden als een genadegave van de hemel. Ware rust is er alleen door de ware genade van God om Christus’ wil. Door Zijn inkomst als de Rustaanbrenger is er uitkomst en dan ook toekomst.

Zelfs eenmaal een eeuwige rust voor al het volk van God. Dan wordt een biddend volk een aanbiddend volk; dan is het eeuwig dankdag.
“Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.”

Einde citaten.

De inhoud van deze meditaties acht ik zeer goed om met aandacht en opmerkzaamheid te lezen. Juist voor onze tijd hebben deze vroegere leraars een boodschap uit Gods Woord.
Zoek den vrede en jaag hem na

Gebruikersavatar
refo
Berichten: 20682
Lid geworden op: 29 Dec 2001, 12:45

Re: Meditatie

Berichtdoor refo » 26 Mar 2020, 10:48

Ds Baan zei gisteren in de uitgezonden preek: stel je toch eens voor dat de Synode een plan beraamt om Jezus ter dood te brengen! Zo is het wel.

Nu kan dat natuurlijk fysiek niet meer, maar we moeten als Gergemmers etc. wel oppassen dat we niet alle werk van de Geest afkeuren, omdat het niet gebracht of gezegd wordt zoals het vroeger ging.


Terug naar “Theologie - Bezinning”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 2 gasten