Uit uw kerkbode

-DIA-
Berichten: 30210
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Uit uw kerkbode

Berichtdoor -DIA- » 19 Mei 2022, 20:39

Marck schreef:Enthousiast over de Saambinder van deze week. Aandacht voor o.a. de oudvaders en de leergangen van de CGO hierover, introductie artikelen richting komende GS, mooie boekbesprekingen etc. Wou ik even kwijt ;)


Ik las hem ook vandaag. Het is wel geen Kerbode, maar er stonden weer behartigenswaardige artikelen in. Ik noem dan met name:
In alles weerlegd
* Armageddon (hierover is in het verleden veel gespeculeerd)
* Het stukje van ds. Vogelaar: Het is avond in de wereldgeschiedenis. Het is ook avond in de kerken.
* Verder het stukje van M. Meade (1629-1699)
© -|||-

Gebruikersavatar
Marck
Berichten: 1023
Lid geworden op: 02 Mar 2019, 11:26

Re: Uit uw kerkbode

Berichtdoor Marck » 19 Mei 2022, 22:33

-DIA- schreef:
Marck schreef:Enthousiast over de Saambinder van deze week. Aandacht voor o.a. de oudvaders en de leergangen van de CGO hierover, introductie artikelen richting komende GS, mooie boekbesprekingen etc. Wou ik even kwijt ;)


Ik las hem ook vandaag. Het is wel geen Kerbode, maar er stonden weer behartigenswaardige artikelen in. Ik noem dan met name:
In alles weerlegd
* Armageddon (hierover is in het verleden veel gespeculeerd)
* Het stukje van ds. Vogelaar: Het is avond in de wereldgeschiedenis. Het is ook avond in de kerken.
* Verder het stukje van M. Meade (1629-1699)


Hoi. Idd het is zelfs ook niet het door mij eveneens gewaardeerde Kerkblad. Maar wel bedankt voor de door jou genoemde artikelen.

-DIA-
Berichten: 30210
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Uit uw kerkbode

Berichtdoor -DIA- » 29 Okt 2022, 20:36

In de Kerkbode is de meditatie gewijd aan de tijd van de Herfst. Een treffende gelijkenis kunnen we hier zien, als we er ogen voor hebben.

Meditatie
En wij allen vallen af als een blad
Jesaja 64:6c

Het jaargetijde dat wij nu intreden kenmerkt zich door het afvallen van het blad. Al is het dat het zomerweer nog lange tijd handhaaft, toch doet de herfst zijn intrede. De eerste bode daarvan is wel het verkleuren van het blad. Straks is alles weer kaal en zien wij het afgevallen blad verrotten op de aarde. Als wij dan die verterende massa zien, denkt u dan nooit eens aan de bladerpracht in de zomer? Waar is dat alles gebleven, wat blijft er over? Niets!
Eeuwenlang zijn de bladeren gekomen en gevallen. De aarde heeft de gevallen bladeren in zich opgenomen, verwelkte bloemen zijn tot stof verteerd en ze komen niet meer terug.
Dit alles zijn we zo gewend; het is de loop van de natuur, zeggen we. Weinigen letten op de wijsheid en grootsheid van de Schepper.

Verdorde bladeren maken weer plaats voor nieuwe, die straks ook weer afvallen.
De herfst predikt ons de vergankelijkheid van het zienlijke. Er komt een tijd dat de bladeren voor de laatste keer komen en afvallen. De tijd van de wederkomst van Christus. Dan houdt de gewone loop van de natuur op, na deze tijd zal er geen tijd meer zijn, dan is het eeuwigheid.
De profeet Jesaja bepaalt ons bij het vallen van de bladeren in de herfst. Hij vergelijkt er ons leven bij, en zegt: en wij allen vallen af als een blad. Al in de lente vallen, bij harde wind, bladeren van de bomen, alzo ook in de zomer. Hebt u er wel eens op gelet dat de ene boom vroeger zijn blad laat vallen dan de andere? Ons leven is als een blad dat afvalt. Denk aan de geslachten die kwamen en gingen. Tot stof zijn ze teruggekeerd. Ook ons geslacht gaat dezelfde weg. Velen van degenen met wie we opgroeiden zijn als een blad afgevallen.

Een geslacht dat komt is als een boom. Het ene blad valt af in zijn jeugd, het andere in de mannelijke leeftijd, sommigen in de ouderdom. Kijkt u naar de boom, dan ziet u nog enkele vergeelde bladeren hangen, en die vallen straks ook. De mens gaat naar zijn eeuwig huis. De oorzaak van dit alles? Het is onze diepe val in Adam. Welk een rampzalige staat is het waarin we door eigen schuld terecht gekomen zijn. Wanneer het blad van de boom afvalt blijft er niets van de boom over. Zo is het bij de mens niet.
Als een mens als een blad van een boom afvalt, vraagt Hellenbroek: ‘Sterft dan alles wat van de mens is?’ Dan antwoordt hij: ‘Nee, de ziel is onsterfelijk’.

De mens heeft een onsterfelijke ziel, voor een eeuwigheid geschapen. De ziel leeft voort, en keert terug tot Hem, die haar gegeven heeft.
Waartoe? Om geoordeeld te worden. Paulus zegt: ‘en daarna het oordeel’. Gewis, onze misdaden voeren ons weg als een wind.
Waarheen? Wel, als wij in onze zonden gestorven zijn, naar de plaats waar wening is en knersing der tanden.
O lezer, grijpt het afvallen van het blad u niet aan? Kijk ernaar en denk erover.
Bent u nog onbekeerd, denk dan dat u zult afvallen en wat er dan van uw arme ziel zal worden als u zo sterft. Het uiterlijke van uw blad verteert, maar uw ziel zal smarten lijden, gelijk de rijke man. Straks, na de jongste dag, met ziel en lichaam beide. Misschien drijft deze overdenking u uit naar God, en leert u schreeuwen: Heere, bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn! Ik kan U niet ontmoeten!

Ga toch niet zo gerust en zorgeloos daarheen, jongen of meisje, man of vrouw, want uw blad valt straks af, en dan is het te laat! Men kan zich in de pracht van een boom verheugen, doch het is voor korte tijd. Men verheugt zich ook in u. De ouders in de kinderen, de man in de vrouw. Het is voor een korte tijd. Het eerste blad valt spoedig en de anderen volgen.
Verblijdt u zich in de wereld, zondig vermaak en zingenot? Het is voor een korte tijd, dan komt het eeuwig wee! Leer uit de natuur uw vergankelijkheid en lees in het Woord van de Heere uit doodstaat, en bid of de Heere door Zijn Geest uw ogen verlicht.

En wij allen vallen af als een blad. Dat geldt ook voor Gods volk. Ook zij moeten sterven, en hun lichaam keert tot stof. Hun ziel is echter geborgen in een Ander. Hun misdaden zijn verzoend door Christus.
De één heeft een toevluchtnemend en de ander een verzekerd geloof. Maar het is hun allen om God te doen. Want buiten Hem is er geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.
O wonder! nooit naar God gezocht en gevraagd. De Heere vroeg echter naar hen. Ze mochten hun dood en doemschuld aanvaarden en de zijde van God kiezen.
Hun zijn de beloften van God vermaakt in Christus. Hun bloed is dierbaar in Gods ogen. In hun strijd, en vreze voor de dood, ondersteunt Hij en richt de gebogene op. Ook zij vallen af als een blad, en toch vallen zij niet af. Hoe is dat mogelijk?

De oplossing ligt in Psalm 1 vers 3. Zij zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd en welks blad niet afvalt. Bij alles wat afvalt en vergankelijk is, blijft Gods werk. Dat werk is onvergankelijk en onveranderlijk. Het is een heilig mysterie, dat gaat het verstand te boven. Afvallen als een blad, en toch niet afvallen. Dat kunnen vele bekommerden niet zien. Hun vreze voor afval is vaak groot. En toch: de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn,

Denk aan de gewerkte liefde, het ingeplante geloof en de levende hoop. Bij de scheiding van ziel en lichaam, gaat de ziel naar haar Hoofd Christus. God is de God van Abraham, Izaäk en Jakob. God is niet alleen een God van de doden, maar ook van de levenden. Dit alles ligt in de Boom des Levens. Zij werd getoond aan Johannes op Patmos. Lees het maar in Openbaring 22: In het midden van haar straat en op de ene en andere zijde der rivier was de Boom de Levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijn vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.
De altijd groene Boom de Levens, is hun leven, daarom vallen de bladeren niet af.
Het leven der genade wordt menigmaal vergeleken bij de vier jaargetijden. Toch zijn ze gelijk de eik en de haageik, waarin na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn. Jesaja 6 vers 13.
Als de wereld straks met blad en boom voor eeuwig zal ondergaan en verdorren, zal de Kerk eeuwige groenheid openbaren door de heilige Levensboom. De jaargetijden houden dan op. Volmaakt zal dan Psalm 1 vers 2 van toepassing zijn: ‘En sierlijk pronkt met onverwelkte bladen’. De vraag is waar onze plaats dan zal zijn. Als een boom, geplant aan de glazen zee in de heilige aanbidding, of eeuwig in de zee van Gods eeuwige toorn.
--------------------------------------------------------
De oude in de najaarslaan

Het bos zwijgt stil, de zieke blaren vallen.
De korte zomer is voorgoed voorbij.
Verdreven zijn de zangers, die zo blij
de hele dag hun liederen lieten schallen.


Het woud poogt nog zijn schoonheid uit te stallen,
veel kleuriger dan in de prille mei.
Het is van korte duur in 't afgaand tij:
de blaren dekken 't mos met duizendtallen.


De oude wandelt door de najaarslaan,
hij ziet met weemoed al dit sterven aan,
het vluchtig vlieden van de jaargetijden.


Het leven is een komen en een gaan.
Hij heeft de herfsttaal duidelijk verstaan.
Zwaar zal het vallen om voorgoed te scheiden.


Weet iemand van wie bovenstaand gedicht is? De stijl lijkt heel veel op Marinus Nijsse.
Zou hij het gedicht hebben?
© -|||-

2e Hans
Berichten: 16
Lid geworden op: 12 Aug 2022, 12:25

Re: Uit uw kerkbode

Berichtdoor 2e Hans » 29 Okt 2022, 22:44

Dat gedicht ken ik niet, DIA.

Ik vind dit één van de mooiste:


Najaarslaan.

Ik keek in de gouden heerlijkheid
Van een najaarslaan,
Het was of ik goudene deuren wijd
Zag openstaan,
Het werd mij, toen ik binnen ging,
Of ik door gouden gewelven liep:
Ik aarzelde even, ik ademde diep,
Diep van verwondering.
Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout
Doet wat verboden is;
Ik sprak: ‘Zijn voor mij die gewelven gebouwd?
Ben ik zoo rijk, dat van louter goud
De gang mijner woning is?’
Toen sprak ik: ‘Deze gouden grot
Is immers geen menschenpaleis.’
Ik sprak: ‘Het is een betooverd slot,
Dat lang op sprookjeswijs
Geslapen heeft en stil gewacht,
Op één, die de poorten ontdekken zou,
De doode gewelven wekken zou
Van 't huis, dat ieder menschenhuis
Te boven gaat in pracht.’
Ik sprak: ‘Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk!
Hoe ben ik zoo rijk, mijn God!
Welk aardsche woning is gelijk
Aan dit, mijn sprookjesslot?’
Trotsch, of ik een prinsesje waar,
Ging ik door 't goud;
Aan beide zijden stonden daar,
Schragend de gangen, hoog en zwaar,
De zuilen opgebouwd.
Waar gouden de portalen zijn,
Hoe zullen daar de zalen zijn!
Ik zag aan 't einde van mijn pad
Een kleine ronde poort,
Als blauw saffier in goud gevat,
En haastig, vol verlangen trad
Ik door de gangen voort.
Ik sprak: ‘Als bij mijn aankomst wijd
Die poorten openstaan,
In welk een groote heerlijkheid
Zal ik dàn binnengaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn,
De zalen in te gaan!’

Jacq.vd Waals

-DIA-
Berichten: 30210
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Uit uw kerkbode

Berichtdoor -DIA- » 31 Okt 2022, 09:11

2e Hans schreef:Dat gedicht ken ik niet, DIA.

Ik vind dit één van de mooiste:


Najaarslaan.

Ik keek in de gouden heerlijkheid
Van een najaarslaan,
Het was of ik goudene deuren wijd
Zag openstaan,
Het werd mij, toen ik binnen ging,
Of ik door gouden gewelven liep:
Ik aarzelde even, ik ademde diep,
Diep van verwondering.
Ik voelde mij eerst als een kindje, dat stout
Doet wat verboden is;
Ik sprak: ‘Zijn voor mij die gewelven gebouwd?
Ben ik zoo rijk, dat van louter goud
De gang mijner woning is?’
Toen sprak ik: ‘Deze gouden grot
Is immers geen menschenpaleis.’
Ik sprak: ‘Het is een betooverd slot,
Dat lang op sprookjeswijs
Geslapen heeft en stil gewacht,
Op één, die de poorten ontdekken zou,
De doode gewelven wekken zou
Van 't huis, dat ieder menschenhuis
Te boven gaat in pracht.’
Ik sprak: ‘Hoe ben ik zoo rijk, zoo rijk!
Hoe ben ik zoo rijk, mijn God!
Welk aardsche woning is gelijk
Aan dit, mijn sprookjesslot?’
Trotsch, of ik een prinsesje waar,
Ging ik door 't goud;
Aan beide zijden stonden daar,
Schragend de gangen, hoog en zwaar,
De zuilen opgebouwd.
Waar gouden de portalen zijn,
Hoe zullen daar de zalen zijn!
Ik zag aan 't einde van mijn pad
Een kleine ronde poort,
Als blauw saffier in goud gevat,
En haastig, vol verlangen trad
Ik door de gangen voort.
Ik sprak: ‘Als bij mijn aankomst wijd
Die poorten openstaan,
In welk een groote heerlijkheid
Zal ik dàn binnengaan,
Indien van goud de gangen zijn,
Hoe groot moet mijn verlangen zijn,
De zalen in te gaan!’

Jacq.vd Waals


Die ken ik ook, maar de "najaarslaan' van de dichter van gedicht dat ik boven plaatste ken ik niet. Ik zei al dat de stijl me doet denken aan Marinus Nijsse.
© -|||-


Terug naar “Kerk en Cultuur - Kerkelijke bladen”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast