Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29860
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 03 Aug 2022, 23:17

We hebben al een hele poos gemerkt dat in de kerken, en dan noemen we geen kerkverbanden, maar in het algemeen, vrijwel geen kerk is die niet is besmet met dwalingen als het Pelagianisme en het Remonstrantisme.
Er heerst hierover heel veel verwarring, en daardoor is een een langs elkaar heen praten en elkaar niet begrijpen. Als eerste is, denk ik nodig om te kennen (of te herkennen) wat en wie de mens is geworden na de val. Wat dat betreft is onze tijd niet anders dan de jaren '30 van de 20e eeuw. Alleen wellicht iets meer en verder afgeweken.
In het GEREFORMEERD WEEKBLAD werd in de jaren 1935-1937 een uitvoerige historische uiteenzetting gegeven van wat deze dwalingen altijd in de Kerk hebben veroorzaakt, en dat hier ook, ja meer dan in de jaren 30 van de 20e eeuw aandacht voor zou moeten zijn. Om te begrijpen wat er in feite gaande is. Het zijn redelijk lange artikelen, en ik denk dat voor sommigen wellicht wat doorzettingsvermogen nodig is om van deze heldere artikelen kennis te nemen.
Ik heb ongeveer de helft van de artikelen nu wat hertaald, d.w.z. beperkt. Ik heb me voornamelijk beperkt tot het weglaten van naamvallen, enkele staande uitdrukkingen daargelaten.

Tot zover ik het wat hertaald heb, lijkt het me een uiterst leerzame verhandeling, waar het eerst het Pelagianisme en dan daaraan verwant het Remonstrantisme (waar zoveel verwarring over is) hier te kopiëren. Het zijn (ik meen) 32 artikelen die waarschijnlijk zijn geschreven door de toenmalige hoofdredacteur, prof. H. Visscher, of ds. I. Kievit. Ik kan dit niet voor honderd procent bewijzen, omdat de artikelen niet ondertekend zijn. Het was in die tijd meestal zo dat niet-ondertekende artikelen van de hoofdredactie waren.
De brontekst is te vinden in digibron:
https://www.digibron.nl/zoeken/zoekwoor ... strantisme)/Datum-tussen/1936-01-01:1937-12-31/Bron/Gereformeerd%20Weekblad/


Remonstrantisme
HET kan geen kwaad wanneer onze lezers nog eens opnieuw bepaald worden bij het wezen van het Remonstrantisme, daar dit op de Dordtse Synode wel veroordeeld, maar daarom nog niet gedood en begraven werd. Ook leerde de geschiedenis, dat het in zijn consequenties moest leiden tot een steeds verder gaande verweking van de Christelijke beginselen. En toen de Cartesiaanse wijsbegeerte met haar rationalistische strekking zich deed gelden, en ook in de wereld van de Hogescholen en de theologie aantastte, lag het voor de hand, dat zulk een verloop aan de invloed van het Remonstrantisme ten goede moest komen. En dat niet alleen, maar ook dat het Remonstrantisme zelf er door gedrongen werd tot steeds verdergaande consequenties, die het ten slotte tot een modernisme brachten, waar in vergelijking het oorspronkelijke Remonstrantisme nog wel zeer orthodox in veler oren moet klinken.
Ook uit de geschiedenis van het Remonstrantisme blijkt duidelijk, dat in de aanvang onbeduidend schijnende verschillen, later wanneer zij tot volle ontplooiing gekomen zijn, wortelden in diepgaande beginselen. Men kan dit ook in onze tijd waarnemen, want het blijkt, dat in een betrekkelijk korte tijd onder ons verenigingen en bonden zeer ver uit de lijn lopen, waarin zij begonnen waren. Zodra leiders de teugels in handen kregen, die op de beginselen weinig nauwkeurig waren, omdat zij deze wel formeel beweerden te aanvaarden, maar er innerlijk vervreemd van gebleven waren.
Zo is het bedroevend te zien, hoezeer ons kerkelijk leven verworden is. Deze verwording is in de diepste grond daaraan te danken, dat de leidende kringen in de kerk, die toen het tijd was van handelen, zich om het beginselverloop niet bekommerden, omdat zij er geen oog voor hadden.
Het kwaad woekerde straffeloos voort en toen men er oog voor begon te krijgen, was het te laat om er nog met enige kans van slagen tegen op te treden.
Zo is het in de kerk gegaan. De degelijke, geharnaste strijders voor de gezonde leer van de Reformatie vonden al tegenover zich een massa, waarin de grote meerderheid reeds door de dwalingen was aangetast, waarin zij terecht het begin van de ondergang zagen. En deze mannen des geloofs hadden een dikwijls bange levensstrijd, daar zij, evenals in onze dagen, vaak het geval is, de zogenaamde intellectuelen tegenover zich vonden, terwijl de grote hoop met een slaapmuts diep over de oren, bleef toezien als werkeloos toeschouwer bij de lijdensweg van de getrouwe belijders en strijders. Een merkwaardig voorbeeld daarvan ligt voor ons in het “Examen van het ontwerp van tolerantie”, waarin Comrie en de zijnen een scherpzinnige kritiek oefenen op de geestelijke stromingen van hun dagen, die een treffend beeld van de geestelijke verwording te zien geven. Er was toen een brede kring van mensen, die het met de leer niet meer zo nauw namen, die, zoals men thans zou zeggen, ruim van hart beweerden te zijn, al maar riepen om verdraagzaamheid en liefde en vrede.
Men moest het niet al te nauw nemen met de leer en vooral meer op het leven letten. Nu, wie zal ontkennen, dat het leven, dat de mensen leiden, de handelingen, die zij doen, van groot belang zijn. Het maakt op de wereld een zeer onaangename indruk, als iemand, die als, laat ik maar zeggen, gereformeerd bekend staat, oneerlijke handelingen verricht, Gods Naam en zaak tot een aanfluiting maakt door goddeloze daden. Alleen maar, de mensen, die dikwijls hoog opgeven van verdraagzaamheid, van betoning van de liefde, van een ruim evangelie, blijken op de keper beschouwd in hun leven ook niet altijd aan hun idealen te beantwoorden. Onder het masker van de schone evangelische schijn woekert ook vaak een ongerechtigheid en vijandschap, die vloekt tegen het luide geroep om vele schone zaken, waaronder liefde en verdraagzaamheid een eerste plaats innemen. Indien de massa van degenen die zich op het evangelie, op het Woord der waarheid, beroepen, dat ook in hun leven hadden geopenbaard, de wereld zou er zeker wel anders uitzien dan thans!
Het is al lang geleden, dat een overigens degelijk man van links ethische richting, nadat ik een ernstig gesprek met hem had gehad, mij op de schouder klopte en enigszins ontroerd tegen mij zei: „Vriend, gij zijt veel beter dan uw leer." Ik heb hem toen geantwoord: „Vriend, gij zijt veel slechter dan uw leer." „Hoe dan?" zo vroeg hij. „Ja", zei ik, „gij zijt veel slechter dan uw leer, want gijlieden hebt het altijd over de liefde, over de verdraagzaamheid, maar de gereformeerde mensen ondervinden daarvan nooit iets, dan alleen, dat zij bij elke gelegenheid gewogen en te zwaar bevonden worden niet alleen, maar bovendien nog als een onverdraaglijk ras worden uitgescholden soms op weinig liefelijke wijze." Zo is het nu eenmaal in deze hedendaagse wereld en zo was het in de tijd van het verloop der leer niet alleen, maar de eeuwen door.
Het is dan ook begrijpelijk, dat het bovengenoemd Examen van Comrie c.s. aanvangt met te zeggen tot de lezers: „Dat het jeukerig verstand van de mensen weinig behagen vind dan in zaken, die nieuw, ongewoon, of van allen zo niet begrepen zijn, leert de dagelijkse ervaring, die de toejuichingen hoort van de geletterde wereld aan zulke, die wat nieuws weten te zeggen, en de wierookdamp ziet opgaan, welke de betweters zichzelf aansteken."
In de wereld kon Comrie dat plaatsen, zelfs niet afkeuren, daar een vooruitgang op wetenschappelijk gebied door hem geprezen en aanbevolen werd. Het Gereformeerd beginsel heeft grote verdienste voor de wetenschap gehad en ook een licht vaak ontstoken in donkerheid van bijgeloof. Immers, het heeft zich, denk slechts aan ons Avondmaalsformulier, altijd verzet tegen de magische en fetisjistische dwaasheden, die zich in de Roomse Kerk en hare omgeving zulk een ruime plaats hebben verworven. Ons Avondmaalsformulier snijdt niet alleen dieven, oplichters, bedriegers, hoereerders en dergelijke af, niet alleen alle afgodendienaren, maar ook „alle tovenaars en waarzeggers, die vee of mensen mitsgaders andere dingen zegenen en zulken zegeningen geloof geven."
Automobielen met een wijwaterkwast bewerkt en amuletten, mascottes en wat er van dien aard moge zijn, werden reeds door onze Vaderen verboden. Tegen verlichting en wetenschap hebben zij zich niet gesteld, al hebben zij het misbruik, dat daarvan gemaakt werd en wordt, niet geprezen. Maar wel hebben zij grote nadruk gelegd op de zuiverhouding der leer, want daarbij had men niet van doen met louter menselijke, wereldse zaken, maar met hetgeen „de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is", heeft geopenbaard.
Het is een teken van de geestelijke verwording van onze dagen, dat men niet meer zo nauw op de leer let. Men ziet niet meer, dat Gods geopenbaarde Woord er bij in het geding is. De eerbied voor dat Woord wordt niet meer zo diep gevoeld. Doch de goede oude schrijvers stonden daar geheel anders tegenover. Zij moesten niets hebben van mensen, die de openbaring Gods, uit welke alleen zaligmakende wijsheid toevloeit, door bijvoegsels van eigen vernuft vermeerderden of de oude beproefde Evangelieleer verlatende, een ander Evangelie brachten, dat zij zelf hadden uitgedacht. Zij moesten niets hebben van mensen, die eigen fantasieën en vindingen in de plaats van de leer stelden, met wijsgerige theorieën kwamen en de mensen verleidden van de gevoelens der Vaderen af te laten. Zij hielden vast aan de leer, die de Heilige Geest aan de Kerk had onderwezen. En zo stelden zij zich tegen hen, die „hoog gevoelden van zichzelf, daarentegen zeer laag van de Vaderen", zoals Comrie schreef.
En zo was er in zijn dagen een groot aantal predikanten, „stout genoeg en om zo te schrijven van de Dordtse Vaderen met geen ander doel dan om de vastgestelde leer van onze Kerk om te keren of dezelve door het invoeren van een middelweg tussen de rechtzinnigheid en de Pelagiaanse dwalingen aan de Remonstranten te verraden. En wie nu zijn ogen opent en ziet welk een verwarring er onder ons heerst, die ziet precies hetzelfde geschieden. Het verraad aan de leer, aan de kerk en aan het volk is aan de orde van den dag.
Onder het masker van een vroom getint remonstrantisme, of enige Gereformeerde termen, onder het deksel van preken zonder gezangen, van schijnvroomheid en gebaren, worden gruwelen van onwaarachtigheid bedreven. Zo werd het levensbelang van onze Kerk soms uitgeleverd onder de schijn van voor haar herstel te ijveren om zich vette traktementen toegekend te zien. Of de verkrachting van de ambten te volmaken door haar vrijheid te verkopen. En dat alles werd gedekt soms door vrome frasen en vormen van het Gereformeerde leven, terwijl onder dit alles de werkelijke leer der Kerk door „een wijd gapende Tolerantie en vereffening van onze verhevene Geloofswaarheden met de Remonstrantse dwaling" verdoezeld werd.
Het is daarom van groot belang, dat ons Hervormd Gereformeerde volk wakker wordt, opdat het zich zal afkeren van de valse leer tot de „bewaring van de zuiverheid der Hervormde leer".
Onze mannenverenigingen hebben hier een taak om in de gemeente weer het licht der waarheid te ontsteken. Voor dat licht moet het donker zwichten. In de zuiverhouding der leer ligt het behoud van de Kerk ook voor de toekomende geslachten. Het moge met ons natuurlijk oog beschouwd, soms hopeloos schijnen, daar onder al deze misleiding het ongeloof voortwoekert en schijnt te triomferen, de Heere is toch ook in donkere dagen, als er van Zijn Kerk weinig meer te zien is, de God van Zijn volk. Hij heeft er ook nu nog zevenduizend, die de knie voor Baäl niet buigen. En het is van belang ons daarin te beproeven, of wij recht staan voor de Heere in de belijdenis van Zijn Naam. Indien dat zó is, dan zullen wij tot die zevenduizend ons aaneensluiten om te ervaren, dat de Heere ons niet begeven, noch verlaten zal.
Het is zeer wel te begrijpen, dat mannen als Comrie, Voetius en anderen bij de verdraagzame, en als men hen geloven wilde, van liefde blakende, quasi Gereformeerden in hun dagen niet in ere waren. Zij openden de ogen van hun tijdgenoten voor de dwalingen, die onder het masker van geleerdheid werden opgediend en oefenden een fijne en grondige kritiek op de vooraanstaande dwaalleeraars, die onder brede kringen van de toenmaals deftige burgerij in grote ere stonden. Het ging destijds precies als thans. Hoewel latere geschiedschrijvers van modernen huize objectief genoeg waren om de gegrondheid van hun kritiek te erkennen, werden zij in hun dagen gehoond en gesmaad en heette het “Examen van het ontwerp van tolerantie” een "eer-rovend" geschrift. Zoals het meer gaat, werden zij later na hun dood in het gelijk gesteld. Maar bij hun leven werden zij als oproermakers door de toenmalige libertijnen, die in naam de belijdenis vasthielden, aan de kaak gesteld. Inderdaad waren zij echter Godvrezende mannen, die om het behoud der Kerk voor den Naam en zaak des Heeren het pleit hebben gevoerd. Zij schaamden zich de leer niet, spraken het uit, dat zij als volgelingen van Voetius het Calvinisme van Calvijn zelf beleden en hebben daarvoor gestreden en geleden ook, want dé heren van de verdraagzaamheid en de liefde waren ook tegenover hen noch verdraagzaam, noch liefdevol.
Of zij dan niet wat hard waren in hunne oordelen? Volgens de zachtzinnige, zoetlieve verdraagzaamheid waren zij veel te hard, want zij noemden de dingen bij hun naam en de personen ook al schreven zij in samenspraken, waarbij zij de personen, die zij bestreden, precies tekenden naar het leven. Zo werd de toenmalige Prof. Alberti te Leiden als "Euruodius" juist getypeerd, omdat hij bekend stond als een man, die de achtbaarheid der toga wel eens vergat bij scherts in het gezelschap. Natuurlijk moesten Comrie en Holtius het ontgelden daarvoor en werden zij beschuldigd van "onbesuisde taal en doldriftigheid", ook al werd dan erkend, dat zij "doorkundig" waren. De geschiedenis heeft dan ook Comrie's kritiek bevestigd, want dergelijke mannen hebben het modernisme en de moderne Schriftkritiek voorbereid.
Inderdaad hangt dan ook de Remonstrantse leer ten nauwste samen met het waarachtig zien van Gods Koninkrijk, want alle vraagstukken, die op de Dordtse Synode in verband met de daar aan de orde zijnde vragen ter sprake komen moesten, hangen wezenlijk samen met de leer van de kennis van God. Het werk van de zaligheid is ten slotte het werk van den Drie-enige God. Het gaat niet om buiten de Vader, die de Raad des Vredes denkt, noch ook buiten de Zoon, Die de Vader gegeven heeft in de ondoorgrondelijkheid Zijner goddelijke liefde, opdat wie in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. En het gaat ook niet om buiten de Heilige Geest, Die de Heere Jezus beloofd heeft om de Zijnen in alle waarheid te leiden en die als Heiligmaker van Gods uitverkoren Kerk, haar vergadert, leert en leidt, opdat Gods Koninkrijk komen zal. En Gods kinderen verkrijgen in de levensweg, waarlangs zij geleid worden, dan ook een levende kennis aan de Drie Personen, zoals onze belijdenis leert, dat de Heilige Drievuldigheid geleerd wordt ,,uit de getuigenissen der Heilige Schrift, alsook uit hun werkingen en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen." God Drie-enig is dus de Zaligmaker. Zoals Hij de Schepper is, zo is Hij ook de Herschepper. En zoals Hij in het werk der schepping de enige Werkmeester is, zo is Hij ook de enige Werkmeester der herschepping.
Indien dit zo niet was, voor de gevallen zondaar zou er geen uitgang tot het leven overblijven. Al moge het waar zijn, dat de mens in zijn val slechts kleine overblijfselen overgehouden heeft, die slechts herinneren aan het schone scheppingsbeeld, dat de Heere hem bereid had door hem te scheppen naar eigen beeld en gelijkenis, dat betekent toch niet, dat hij zich uit zijn doodstaat oprichten kan.
"Van God, die zijn ware leven was", heeft hij zich door zijn zonden afgescheiden, daar hij zijn gehele natuur verdorven heeft. En zo staat de mens schuldig en is hij onderworpen aan de lichamelijke en geestelijke dood. Hij is dank zij zijn val, in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden en verloor zijne uitnemende gaven. Al het licht, dat in hem was, veranderde in duisternis.
Zo is dus de mens een volstrekt zondaar, die toch nog juist zoveel van zijn oorspronkelijke staat heeft overgehouden, dat hem daardoor alle onschuld is benomen. Hoewel dus de mens onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, betekent dit toch niet, dat hij als "een stok en een blok" is, om dan de omschrijving over te nemen, waarmede zij gaarne schermen, die menen daardoor te kunnen ontkomen aan de volstrektheid van de zondestaat van de mens. Nee, de mens is geen willoos ding geworden door zijn val, maar werd een gevallen mens. Hij draagt het geweten in zich, dat er hem voortdurend aan herinnert, dat hij een zedelijk redelijk wezen is, die als zodanig eenmaal Gode rekenschap geven zal van zijn daden niet alleen, maar ook van alle geestelijke gaven, hem door de Heere geschonken in zijnen scheppingsoorsprong. Hij is dus "geen stok en geen blok", maar een uiterst actieve zondaar, die van nature geneigd is tot alle kwaad en een grote vijand van God en zijn naaste, al hult hij zich soms in een schijn van vrome daden en al tracht hij zich de hemel te ontsluiten door eigen vermogen. Het feit. dat hij geen stok en geen blok is, maakt juist zijn zondestaat zo vreselijk, want daarom is de zonde in hem een ongebroken, altijd weer opkomende onwil en tegenstand tegen God en Zijn ordinantiën. Van een bukken onder de Heere wil hij niet weten en in de verzondigdheid van zijn wezen kan hij daartoe niet komen. Zelfs de wil om onder God te komen ontbreekt hem. Ja, hij kan niet willen komen tot het leven.
En daarin nu ligt juist de hinderpaal, waarover velen struikelen in de leer van de waarheid niet alleen, maar ook voor zichzelf, om tot het waarachtige leven te komen. Een zondaar wil iedereen nog wel zijn, maar een verloren zondaar, dood in zonden en misdaden, wil geen mens van nature zijn. En zo zien wij dan ook in den loop der eeuwen, dat niet alleen duizenden aan de diepe zin van het Evangelie zich ergeren, maar zich die ergernis ook openbaart in pogingen om tegenover de onwederlegbare klare uitspraak van Gods Woord en de ervaring tevens een leer uit te denken om toch aan den doodstaat van de mens te ontkomen, door hem een zedelijk vermogen toe te kennen, dat hem in staat zou stellen zichzelf de weg tot het leven weer te ontsluiten, als had de Heere voor het paradijs geen cherub gesteld en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde om te bewaren de weg van de boom des levens.
De ganse geschiedenis door verschijnt de vrome mens, die door eigen zedelijke kracht zich de toegang opnieuw wil ontsluiten door aan den zondestaat van de mens het volstrekte karakter te ontnemen en den mens wederom de vermogens toe te kennen, die hij toch wezenlijk verloren heeft. Daarin speelt met het natuurlijk zondaarshart ook de filosofie een grote rol. De heidense wijsheid, die is opgebloeid buiten het licht van Gods openbaring om, heeft uit de aard der zaak geen ander licht gehad dan dat van de natuurlijke rede. En dus zij was in haar vlucht gedragen door het streven naar hetgeen zij waar en goed en schoon zich dacht. En zo was er het natuurlijke streven om zichzelf op de vleugelen van het menselijk genie te verheffen boven het aardse naar de bergtoppen, die gehuld schenen in de glans van het eeuwige licht. En zo kwam het, zoals de apostel Paulus het te Athene zei tot de Grieken, dat er onder hunne poëten waren, die gezegd hadden, dat zoal niet de mensen in het algemeen, dan toch zeker de beschaafde Grieken, van Gods geslacht waren. Toch gold het onder dit alles, dat deze wereld God niet gekend heeft door de wijsheid, dat zij God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt. Zij veranderden de waarheid Gods in de leugen en eerden het schepsel en dienden het boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid. En tot die schepsel-verering behoort ook, dat de mens in plaats van als een verloren zondaar onder God te buigen, niet komt tot de belijdenis van de apostel, die het wist en getuigde, dat in hem, dat is in zijn vlees, geen goed woont. En daarom grijpt de heiden naar de wijsheid en de Jood naar de Wet. En daarin worden zij nagevolgd door velen, die onder het Evangelie levend, tot de diepe zin van het Evangelie niet komen. En zo is het dan ook verklaarbaar, dat heel spoedig reeds in de gemeenten van Christus leringen gedrongen zijn, die met het Evangelie wezenlijk niet harmonieerden. Daarom is er dan ook zulk een groot onderscheid tussen de geschriften, die door de Kerk als canoniek zijn aanvaard en de zogenaamde apocriefe literatuur. Dat onderscheid is zo opvallend groot niet alleen door het kinderlijke karakter, dat vaak deze geschiedverhalen kenmerkt, maar voornamelijk door de leer, die er uit spreekt en waarin zeer duidelijk niet Evangelische gronden doorschemeren, daar het Evangelie tot een wet dikwijls vervormd wordt in plaats van de genade Gods in heerlijkheid uit te dragen. Hoe blijkt daaruit ook duidelijk hoe het komt, dat dergelijke geschriften niet zijn opgenomen in den Canon, hoe er een leiding van de Geest is geweest, die Gods Kerk geleid heeft bij de keuze van de geschriften, die zij als levensnorm, dus als Gods Woord had te aanvaarden. Ik behoef het slechts met een enkel voorbeeld duidelijk te maken, hoe wettisch het Evangelie dikwijls verstaan werd. In de Brief van Barnabas. een brief, die zeer waarschijnlijk dateert uit het laatste der eerste of het begin der tweede eeuw, waaruit duidelijk blijkt, dat men reeds toen den Zondag als den dag des Heeren erkende (Hoofdstuk 15), zodat dit blijkbaar van het begin der gemeente aan gewoonte was. Welnu, deze brief is bestemd geweest om hen, die nog aan Joodse instellingen gehecht waren, van de druk van de Wet te bevrijden. Het is dus een anti-Joodse brief, die leren wil, dat de Christen met het Joods verleden niet meer van doen heeft. Daarom wordt door den schrijver met grote nadruk er toe opgeroepen den Joodse zuurdesem uit te zuiveren. Hij wijst daartoe op de betekenis van het Nieuwe verbond, dat opgericht is door Jezus, die tekenen en wonderen gedaan heeft, apostelen verkoren heeft, tot behoud der Christenen en door veroordeling van de Joden aan het kruis gestorven is. Met vele allegorische verklaringen van gedeelten uit het Oude Testament tracht hij dit toe te lichten en komt dan te spreken over twee wegen: de weg des lichts en die der duisternis. En van die weg des lichts zegt hij nu: Wie een weg wil bewandelen, die hem naar een bepaalde plaats leidt, moet door zijn daden daarnaar trachten. En dan somt hij op welke daden dan alzo daartoe nodig zijn en geeft daarin zeker allerlei kostelijke zedelijke vermaningen, dat men geen ontucht mag bedrijven, geen overspel doen, geen homoseksuele zonden navolgen, geen abortus plegen, nederig moet zijn, dienstbaren goed moet behandelen, mededeelzaam moet zijn, het aangezicht der heiligen moet zoeken en zorg moet dragen voor een goed geweten. Dit is de weg des lichts. De weg der duisternis is precies het tegenovergestelde, een weg van huichelarij, dubbelhartigheid, overspel, moord, trots, bedrog, boosheid, eigendunk, gifmengerij, toverij, hebzucht, enz. Doch van de diepere ontdekkingen voor zonde en schuld, voor genade en rechtvaardigmaking, daarvan is niets te speuren. Hoe geheel anders spreken ons Paulus' brieven toe!
Uit zulke voorbeelden blijkt, hoe er reeds spoedig, ook mede onder de invloed van de heidense filosofie, een geest was ingedrongen, die met de zin van het Evangelie niet geheel meer harmonieerde. Zo werd er naar mate de eeuwen voortschreden en het Evangelie als een zuurdesem de volken doordrong, een mentaliteit geboren, die ten slotte leiden moest tot een conflict met de Geest der waarheid, die Gods gemeente door de loop van de eeuwen heeft geleid. Het lag voor de hand dat in die worsteling het vraagstuk van zonde en genade met nadruk op de voorgrond moest treden, van hetgeen de gevallen zondaar is en vermag tot zijn zaligheid en ten laatste van Gods verhouding tot een regering van de mens, van Gods alwerkzaamheid in Zijn schepping en van der mensen zedelijke verantwoordelijkheid, van Christus, die de Alfa en de Omega, het begin en het einde is, een volkomen Zaligmaker of slechts een halve Middelaar.
Dat conflict is er de eeuwen door, ook heden nog onder ons.
Er is dus reeds vroeg in de geschiedenis van de Kerk een verloop in de leer, waardoor zij van de zuiverheid afwijkt en de leer van de vrijmachtige genade, zoals zij door de apostel Paulus gepredikt werd, niet meer in haar diepte wordt gekend. En daarmee trad dan ook het leerstuk van de rechtvaardigmaking op de achtergrond. Men verstond maar weinig meer van de jubel van de apostel: „Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? der werken? Neen, maar door de wet des geloofs. Wij besluiten dan, dat de mens gerechtvaardigd wordt zonder de werken der wet."
Langzaam maar zeker week dit diepe geestelijke leven op de achtergrond. Daarbij kwam, dat bij de talrijke overgangen uit het heidendom tot de Kerk er velen hun intrede deden, die een opvoeding gehad hadden onder de invloed der heidense wijsgerige scholen en uit de aard der zaak, ook al gingen zij over, toch de wijsgerige zuurdesem daarmee niet op eenmaal verloren. Zo werden er, wat wij zouden noemen, richtingen geboren, die bij het principieel Christelijke toch ook nog allerlei principieel niet-Christelijke voorstellingen in zich droegen. En daarmee deed de tegenstrijdigheid in beschouwingen haar intrede. Zodra dan ook het grote, allesbeheersende leerstuk van de Heilige Drievuldigheid tot klaarheid was gebracht en de strijd met het Arianisme in beginsel was beslecht, op het concilie van Nicea, 325, duurde het nog tot in 381, toen het concilie te Constantinopel over de Godheid van de Heilige Geest een beslissing bracht, waarbij het Arianisme voor goed had afgedaan. Ook dit Arianisme was in de diepste grond gedragen door beginselen van niet-Christelijke oorsprong, want het leerde, dat de Zoon niet is waarachtig en eeuwig God met de Vader en de Heilige Geest, maar dat Hij het eerste en voornaamste schepsel is, geschapen uit niets in de tijd en daarom niet van één Wezen met de Vader. Christus had door Gods genade goddelijke Naam en waardigheid ontvangen, hoewel Hij naar Zijn wezen niet waarachtig God was. Hogere krachten waren hem wel verleend, zodat Hij de andere schepselen overtrof, maar het Zoonschap was slechts een naam, die Hij zich verworven had.
Ook hier doen zich dus invloeden gelden, die herinneren aan de Griekse geest, die de mens leert opvaren als de adelaar tot het licht, zoals deze werd afgebeeld op de pas geslagen penning bij gelegenheid van het 300-jarig bestaan van de Utrechtse Universiteit. In den loop van de jaren oefende de geest, die de wijsbegeerte beheerste, een grote invloed op de leer van de Kerk aangaande de mens. De voorheen gestrooide zaden ontkiemden tot een leer, die op haar beurt tot diepgaande conflicten aanleiding gaf, omdat daarmee Gods genadedaden ten nauwste verband hielden. De leer der verlossing drong tot een zich rekenschap geven van de mens, die verlost zal worden. Een leer der verlossing heeft geen plaats, indien de behoefte aan verlossing niet wordt gekend. En behoefte aan verlossing kan er niet zijn zonder levend besef van de eigen zondestaat van de mens, zonder de wetenschap van zijn verlorenheid, waardoor hij leert haken naar vrijmaking.
Ook uit dat oogpunt gezien, geeft onze oude Heidelbergse Catechismus de voor alle tijden juiste omschrijving, als zij ons leert, dat wij de grootheid van onze zonde en ellende juist moeten kennen.
Er wordt ook in onze tijd veel overheen gelopen, dat de mens zondaar voor God moet geworden zijn, indien hij aan de genade, die in de Heere Jezus Christus is, deel zal hebben. En zo worden velen misleid door beloften van het Evangelie, die alleen de verloren zondaar toegezegd werden, zich zonder meer toe te eigenen, ook al is er van waarachtige kennis van de zonde geen sprake.
De Christelijke religie heeft zich van meet af aangekondigd met de boodschap, dat de mens moet worden wedergeboren, indien hij het Koninkrijk Gods zal zien, want zij heeft in Gods Woord de mens in zijn verlorenheid leren kennen, verdorven van nature.
Het Woord predikte van den beginne de diepte van de val en daartegenover het wonder van de genade in de Heere Jezus Christus. Doch in deze twee kan nu ook het begin liggen van een ontwikkeling, die leidt tot een miskenning van de mens. Zo ontstond er reeds spoedig een oosterse en een westerse richting. Die oosterse richting erkende wel de verdorvenheid van de menselijke natuur, ontsproten aan de val, beleed wel de behoefte aan verlossing, doch zó, dat er, om die verlossing deelachtig te worden, een samenwerking van de genade van God en de vrije wil van de mens nodig was. Van een volstrekte genade was hier geen sprake. Van predestinatie en electie, voorbeschikking en uitverkiezing wilde zij niet weten.
De westerse richting was veel dieper in haar beschouwingen, leefde diep de verdorvenheid van de menselijke natuur in, en had dus een veel sterker behoefte aan de genadekracht, aan haar herscheppende daden, waardoor de vrije wilsbepaling werd beheerst.
Deze twee richtingen vinden weerschijn in de eigenaardige wegen, waarlangs de mens tot het leven geleid kan worden. Een man als Paulus kende een geweldige omkering, zodat zijn levensgang in twee scherp onderscheiden perioden uiteenvalt.
Anderen, denk slechts aan Timotheüs, werden geleid langs effen wegen en geleidelijke overgangen. Toch kwamen Paulus en Timotheüs beiden tot het leven in Christus.
En zo was er in de oosterse en de westerse richting de weg tot de zaligheid ontsloten naar de zielsbehoeften in haar onderscheidenheid. Doch wel lag het voor de hand, dat, om het dan zo te zeggen, deze onderscheidenheid in ligging een uitgangspunt moest worden, dat voor de gehele waardering van het werk van de zaligheid grote betekenis had.
Allereerst wat de zondeval betreft, trad in het westen de Paulinische voorstelling van de val op den voorgrond.
Hij leerde, Romeinen 5 vers 1, 2: ,,Daarom gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is en door de zonde de dood en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben." Dit leidde tot de onderkenning van de val van de gehele mensheid, daar zij in Adam gezondigd had. De val in Adam werd alzo diep sociaal verstaan, als zich uitstrekkend over het gehele geslacht. Daarmee hebben dan ook allen behoefte aan vergeving van de zonden vanwege hun verzondigde bestaan. En hoewel men reeds besefte, dat als Jezus gekomen was niet om rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering te roepen, de mensen zich dan ook als zondaren moesten kennen om behoudenis te erlangen, dan hielden sommigen toch ook er nog aan vast, dat de mens zich mogelijk ook nog door wetsvervulling een gerechtigheid kon verwerven.
Men onderscheidde aanvankelijk zelfs nog niet scherp de wet der zeden en de ceremoniële wet, tussen de wet der geboden en de wet als theocratische instelling. En zo scheen het, als kon men een gerechtigheid door de wet zich verwerven, die ook een mate van zaligheid schonk en onderscheiden was van de gerechtigheid van het geloof door Christus te verwerven. Dat op deze wijze de wezenlijke Paulinische zin der gerechtigheid door het geloof teloor ging ligt voor de hand. Allerlei met elkaar strijdige leer werd verkondigd, terwijl in de plaats van Gods voorbeschikking een voorwetenschap werd gesteld, waarbij de vrije wil van de mens eigenlijk over zijn zaligheid beschikte.
Daarbij kon het echter niet blijven. Tegenover een steeds verder gaande verloochening der vrijmachtige genade Gods en een wezenlijke vervlakking van de zondestaat van de mens kwam er ook op een dieper inzicht in de zonde en dus een rijkere waardering der genadedaad Gods.
Deze tegenstelling werd tot volle ontvouwing gebracht in de strijd van de grote geniale kerkvader Augustinus en zijn tegenstander Pelagius. In deze twee figuren komt de worsteling van de rein Christelijke en van den door heidense invloeden verslapte geest tot haar meest principiële openbaring.
De oosterse Christelijke volken leefden op te verre afstand, waren bovendien door de taal gescheiden van het westen, dan dat deze leergeschillen in het westen, nog een betekenisvolle invloed konden uitoefenen op de oosterse kerken, die langzamerhand aan hun eigen ontwikkelingsgang bleven overgelaten. Maar in het westen nam de tegenstelling tussen, wat ik zou kunnen noemen, de erkentenis van Gods soevereiniteit en het menselijk beschikkingsvermogen steeds scherper vormen aan, totdat zij zich concentreerde in de twee persoonlijkheden, die de eeuwen door als de dragers verschijnen van de elkaar uitsluitende beginselen, die ook op de Dordtse Synode in het geding waren en tot op deze tijd nog wezenlijk dezelfde zijn.
Augustinus is na een bange zielenstrijd tot vrede gekomen. Vurig van karakter, een man geweldig van kracht ook in zijn weerstand tegen God, heeft een ontroerende worsteling doorleefd tussen vlees en geest, tussen de hartstochten, die hem verteerden, de slavernij der lusten, die hem boeide en de genade van de Heilige Geest, die hem ten laatste te sterk geworden is. Hij was aan zichzelf ontdekt geworden en in die ontdekking aan de gronden van zijn zielsbestaan had hij de waarheid van Gods Woord leren kennen, wanneer het ons, zoals de apostel Paulus het beschreven heeft, onze dood tekent in misdaad en zonde. Hij kwam door een diepe weg tot bekering en dus tot de gemeenschap met de Heere Jezus Christus, tot de ware kennis der verlorenheid, van zijn volstrekte onmacht tot het ware goed, maar ook tot die levende kennis van de Middelaar Gods en der mensen, die de Heere onze gerechtigheid is, bekwaam om alle onze gerechtigheid te bedekken. De diepe afgronden van zijn zonde had hij gezien en de hemelhoge bergen van Gods gerechtigheid. De wegen, waarlangs hij geleid werd, leidden er toe, dat hij wel een diep inzicht moest verkrijgen in de geweldige tegenstelling tussen het goede en het kwade, tussen God en satan. Daarom is hij Manicheeër geweest, leerde hij in de sekte van Mani eenmaal God en satan als eeuwige vijanden kennen. Doch hij was geen man om bij dat tweeslachtige te blijven en kon niet rusten, voordat hij gekomen was tot de kennis van Hem, die gezegd heeft en zeggen kan: ,,Ik ben de Heere en niemand meer. Ik formeer het licht en schep de duisternis, Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de Heere doe alle deze dingen." Zo kwam hij tot de belijdenis van Gods soevereiniteit, maar verschijnt daarmee ook tevens als de grote van God verwekte leraar, die tegenover alle lering, die het vrome vlees verheerlijkt, onverschrokken en onvervaard optreedt en alzo de grote figuur werd, die voor alle komende eeuwen aan Gods strijdende Kerk op aarde de weg wijst, die zij zal hebben te volgen, de grote lijnen trok, die in latere tijden van verwarring de goede richting aangeven, waarin zich het volk zal bewegen, dat verteerd wordt van een heimwee naar het betere, dat is naar het hemels vaderland.
De volstrektheid van den zondestaat en de volstrekte genade daartegenover bood de grote tegenstelling, die uit de aard der zaak aanleiding gaf tot een veelvuldig streven haar door halfslachtigheden te overbruggen. De mensen willen nog wel zondaar heten, als het niet te persoonlijk hun wordt aangezegd. Het is de verkiezende genade Gods, wanneer een mens, zodra als tot David hem persoonlijk gezegd wordt: ,,Gij zijt die man", hij met een David zich diep verootmoedigt, zoals in de 51e Psalm ons getekend wordt. Het natuurlijk beloop is, dat de man, die zondaar heet, zich tracht vrij te pleiten en zichzelf te verlossen door de inspanning van zijn kracht. Zo wordt er een levensbeschouwing geboren, waarin de hoop gesteld wordt op hetgeen hij zelf vermag, op eigen deugd en plichtsbetrachting, waarbij dan de Heere Jezus als helpende Redder een deel van het reddingswerk krijgt te verrichten, een deel, dat groter of kleiner is, naarmate de zondaar zich braver, zedelijk sterker en beter waant. Hoe beter de zondaar zichzelf waardeert, hoe minder hij Christus als Zaligmaker behoeft. Zoo ligt dus in de volstrektheid van den zondestaat en hare tegenstelling met de volstrekte genadedaad de grote prikkel tot de leerstellige conflicten, die de eeuwen door elkaar opgevolgd zijn.
In de oude westerse Kerk verscheen het in de worsteling tussen Augustinus en Pelagius. Was de eerste geleid door diepe wegen van ontdekking voor zonde en schuld tot de kennis van Christus, de Britse monnik Pelagius was doortrokken van de monniken-geest, die in de Britse Kerk, krachtens haar oorspronkelijke samenhang met de oosterse, inheems was. Pelagius' naam wijst op zijn Griekse afkomst. Hij was in de geschriften van de Griekse kerkleeraars bekend en hij stemde in met een leer, waarin de vrije wil een allesbeheersende plaats innam. Hij was, wat zijn leven aangaat, een tegenbeeld van Augustinus, die gegaan was door diepe dalen, langs donkere wegen en door Gods wondere genadedaad opgenomen uit de afgrond van verlorenheid. Pelagius daarentegen genoot als monnik een algemene hoogachting, had een voorbeeldig streng zedelijk leven geleid. Niemand minder dan zijn grote tegenstander Augustinus zelf heeft erkend, dat hij een goed en prijzenswaardig man was, beminnelijk in de omgang. Hij leidde een zeer deugdzaam leven en streefde naar zedelijke volmaking. Zo ging zijn levensweg van den beginne in vroomheid en deugd voorbij en kende hij niet de geweldige zedelijke schokken, noch de bange zielenstrijd om licht en leven, om uitredding en verlossing. Hij was als van zelf gekomen tot wat hij geloof noemde en vele brave zondaren na hem. En het besluit om Gode te leven, kostte hem niets, want hij had het ongemerkt, vanzelf en zonder tegenstand en tegenspraak van zelf gekregen. Het was bij hem geen prijs op de worsteling, en niet geboren door barensweeën van zijn geestelijk leven. Hij dacht zich van nature gehoorzaam aan de heiligende invloed, die van Christus uitging. Naar zijn aanleg had hij niet te kampen met vurige begeerten en brandende hartstochten. Hij was er ook lichamelijk de man niet naar. Hij beoefende de wetenschap in de stilte van zijn kloostercel en monniken-deugd was het ideaal, dat hem aantrok. Geestelijke stormen te midden van de wereld doorleefde hij niet, evenmin als een bange strijd met zichzelf. Het zedelijk ideaal betekende daarom meer in zijn leven dan Christus' verschijning en de ascese en de wil alle zinnelijke begeerte te onderdrukken, gold hem meer dan de sprake van de lippen van de Middelaar, die vergeving van zonde en eeuwige gerechtigheid bracht. En daarmee ging natuurlijker wijze gepaard de voorstelling van hetgeen de mens door eigen wil vermag te bereiken, hoe hij het goede, dat in hem is, kan ontwikkelen tot een hoogte, die ook afhangt van hemzelf. De zedelijke zelfvolmaking treedt hierbij op de voorgrond. Een uitwendig ascetisch leven gold meer dan de innerlijke geestelijke diepten. En zo werd er een richting geboren, die leefde uit den waan, dat men door inspanning van eigen kracht zich kon opheffen tot het hoogste. Zo dacht ook Pelagius, al hield hij onder dat alles Christus als een voorbeeld voor ogen, dat nagevolgd moest worden. Doch ook die navolging was de eis, die hij zelf dacht te kunnen vervullen. Het leven des geloofs trad zo op de achtergrond en maakte plaats voor de eigen wil van zedelijke dienst van God. De mens kon, zo meende hij, zelfs een hogere volkomenheid bereiken dan de wet des Heeren eiste, als hij maar evangelische raadgevingen volgde, waarbij het gehalte van het zedelijke werd afgemeten naar het getal der goede werken. En zo waren er dus, naar zijne mening, verschillende trappen van verdienste, trappen, waarop ook de zedelijke volkomenheid op een zelfde grond werd gebracht en dus ook hoger beloning ontving. En daarmee was dus te niet gedaan het woord des Heeren, die Zichzelf predikte als de deur, door welke wij moeten ingaan. Voor het éne, dat nodig is, had hij oog noch hart. Zo las hij dus ook de Schrift in het licht van zijn zedelijk streven en het Woord werd omgezet in een wet, die de mens te betrachten had. Het Evangelie werd een deugdenleer. En zo werd alles oppervlakkig en ontgingen hem de diepe wortels van het leven, zoals dit gewekt wordt door den Heilige Geest. Voor de gerechtigheid van Christus, voor Zijn opstandingskracht, voor de nieuwheid en vrijheid daarvan, waarmee Christus Zijn kinderen heeft vrijgemaakt, had hij geen ogen. Het wezenlijke van Christus' verschijning ontging hem, zodat geloof en leven voor hem weinig meer betekende en de noodzakelijkheid van de wedergeboorte op den achtergrond werd gezet. Dat is trouwens het noodzakelijk gevolg bij een leer, die in het menselijk vermogen de bron zoekt van een kracht, die de mens in staat zou stellen zichzelf toe te eigenen, hetgeen alleen door Gods vrijmachtige genade kan worden ontvangen. Dat zien wij ook in onze dagen, wanneer de Verbondsleer wordt uitgelegd, zodat wedergeboorte geheel op den achtergrond wijkt voor de eigenmachtige wilsdaad, waarmede de mens zich het geloof, dat Gods gave is en nooit anders dan door Gods Heilige Geest kan worden ontvangen, neemt door de daad van zijn eigen wil, zodat het geloof een wet wordt, die de zondaar maar heeft te doen door aan te nemen en zich toe te eigenen, hetgeen alleen de Heilige Geest ons bereiden kan.
Het sprak dus vanzelf, dat Pelagius vooral in de Bergrede een reeks van evangelische geboden zag en dus beschouwingen voordroeg, die ook in later eeuwen, in onzen tijd bij antimilitaristische en anarchistische idealen, aan de dag treden.
De oorzaak van deze door Pelagius voorgedragen leer was niet daarin gegrond, dat hij als een diepzinnig denker stond tegenover de grote levensproblemen. Het Pelagianisme is niet diep gedacht, even ondiep als de leer van de Epicureeën, die Paulus te Athene ontmoet heeft. Pelagius werd gedrongen door de praktijk. Hij zag verschijnselen optreden in het leven van zijn dagen, waarvan hij nadelen duchtte. Er zijn uit de aard der zaak ook boze dingen in de kring van de kerk. En die boze verschijnselen drongen hem tot een leer, die in het tegendeel verviel van hetgeen hij dacht te bereiken. Het was ook in die tijd gelijk als nu. Er was een Christendom, dat volkomen wereldgelijkvormig was. Een schijn-Christendom gaf de toon aan en Pelagius was daarover met droefheid vervuld. Hij had om zich heen een wereld als de onze, ook daarin dat hij er Paulus' woord aan de Korintiërs op toepaste uit 2 Korinthe 12:20. Er waren twisten en nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden en beroerten. Tegen dat kwaad meende hij zich te kunnen verzetten door hen, die zich Christen noemden, hoewel zij geen Christelijke levenswandel openbaarden, alle grond tot verontschuldiging te ontnemen. Hij zag, dat de mensen, zoals er ook nu velen zijn, door uitwendige godsdienstigheden zich tevreden stelden. Zij waren immers gedoopt, genoten de sacramenten, bezochten trouw de kerk, maar zij leefden in de zonde. Is het niet in brede kringen ook zo in onzen tijd? Welnu, ook daardoor werd Pelagius onaangenaam getroffen. En dus zouden wij nu verwachten, dat hij daartegenover de mensen zou oproepen tot schuldbelijdenis voor God, tot verootmoediging en bekeering. Doch in de plaats daarvan kwam hij met de prediking, dat de mens eerst nut zou hebben van hetgeen God in Woord en Sacrament bereidt, wanneer de geboden werden onderhouden. Van rechtvaardiging door geloof, van een wandel in Christus wilde hij niet weten, van verdieping in het geloof, van wedergeboorte en bekering tot God, van vreze Gods is bij hem geen sprake, doch alleen van het betrachten van de wet. En zo legde hij nadruk op den plicht. Er waren er in zijne dagen, evenals nu, die in hun zonde bleven leven in de hoop, dat zij later na dit leven in het vagevuur wel gereinigd zouden worden en dan toch nog binnenkomen. Tot dezulken spreekt hij van het onuitblusselijk vuur. En er waren er ook, die zich verontschuldigden door een beroep op de menselijke zwakheid en verdorvenheid, op de moeilijkheid om Gods geboden te doen. En om hen te weerleggen, wees hij op het voorbeeld der deugdzamen, die ook mensen waren. De Heere eist geen onmogelijke dingen.
Zo stond Pelagius te midden van zijn dagen voor de wereld, die in het boze ligt. En steeds meer werd hij ervan overtuigd, dat om de mensen tot het goede te brengen, hun geleerd moest worden, dat zij, om Gods wet te doen, aan eigen zedelijke kracht genoeg hadden. De deugdzame heidenen leverden het bewijs, dat ook de aan zichzelf overgelaten mens zoveel goeds had, dat een Christen het dus nog veel verder brengen kon. Daarom ontkende hij, dat de zondeval de natuur verdorven had, was de erkenning van onzen zondestaat slechts een oorkussen voor zedelijke traagheid, een bedeksel der schande. En zo wordt het duidelijk, dat Pelagius het wezen van het Evangelie vernietigde, de genade Gods verdonkerde. Het ontstaan van de zonde was voor dezen oppervlakkige man geen mysterie. De zonde was een natuurlijk verschijnsel, het kwade de noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van het goede en de bron ervan lag in de vrije wil van de mensen, die het goede kon doen en het kwade, al naar in hem de begeerlijkheden van het vlees werden overwonnen of de overwinning behaalden. Van een geestelijk leven in de diepe, Schriftuurlijke zin was geen sprake. Van zonde en schuld had hij geen wezenlijke kennis, van de wonderheid van Gods liefde evenmin. De wereld van onze dagen zou in hem zien de liefdevolle, deugdzamen man en naar Gods Woord gemeten was hij toch, zoals duizenden ook nu zijn, vreemdeling van de belofte, en een bittere vijand van het Evangelie Gods. Want toen hij eenmaal hoorde, hoe iemand Augustinus' woorden na bad: „Mijn God, geef mij wat Gij gebiedt en gebiedt mij wat Gij wilt", toen was hij bitterlijk geërgerd, zoals de zondaar nog in ergernis uitbarsten kan, als hij moet leren, dat de bezoldiging der zonde, ook van de vrome zonde, de dood is, maar de genadegift Gods het eeuwige leven, alleen door Christus Jezus onzen Heere.
Ook bij het Pelagianisme blijkt, dat wij in met het wezenlijk Christendom strijdende geestelijke stromingen niet van doen hebben met uit het Christendom zelf opgekomen bewegingen, maar met van buiten af ingedrongen theorieën, die wel als nieuw worden aangediend, hoewel zij inderdaad zo oud zijn als de mensheid zelf. Er gaat vaak een grote roep uit van nieuwlichterij, hoewel het steeds blijkt, dat Salomo het beter wist, toen hij zei, dat er niets nieuws onder de zon is. Dat geldt van onze tijd evengoed als van de tijd van Pelagius. Deze man heeft een geweldige invloed geoefend, want hij scheen iets nieuws te brengen, hoewel het in de grond der zaak slechts een oud Griekse drank was met een Christelijk mengsel gekleurd. Het was toen, evenals in latere eeuwen en ook heden. Er wordt een reusachtige ophef gemaakt van de nieuwe leervoorstellingen van Barth, van Brunner en dergelijke mannen, evenals voorheen van wijlen Bolland. Volle zalen, weldra vereenzaamd. Een tijdlang roepen opgewonden jongelui, dat nu de steen der wijzen eindelijk gevonden is. Zulk een leer is ,"nie dagewesen", als spiksplinternieuw!! Het laatste woord, ja, dat is nu gesproken, zoals mij eens iemand zei, die de oude woorden nooit gekend had. Gewoonlijk is dit het grote gebrek, dat het oorspronkelijke niet wordt gekend, althans niet begrepen. Wij zijn generaties aaneen gebracht eerst onder de narcose van het Spinosistisch pantheïsme, dat ons het modernisme bracht in de kerk en het liberalisme in de Staat. Daarna verscheen de Duitse Vermittlungs-theologie, die hier te lande de ethische richting tot invloed bracht en heel ons theologisch onderwijs stempelde met het bedroevend gevolg, dat de leer van de eigen Kerk geheel vergeten werd. Zij was en is verachtelijk in veler ogen. En als er dan een nieuwe ketterij opkomt, dan wordt er een extase van bewondering geboren. Nee maar, dat is nu nog eens het ware! Nooit zo gehoord! En de oude echt Reformatorische theologen, zelfs een blad, dat pretendeert de waarheid te zullen verdedigen in de Hervormde Kerk, scheldt die Vaderen voor half Rooms. Het is te hopen, dat ons volk wakker wordt, "zich zal afkeren, het geloof zal houden, hetwelk sommigen verstoten hebbende van het geloof schipbreuk geleden hebben".
Zo was het ook in Pelagius' dagen. Deze man maakte grote opgang voor enige tijd. Men leefde toen niet zo snel als thans. Ik heb nog gezien, dat de moderne predikanten stampvolle kerken hadden, maar ook dat de glorie spoedig was getaand. De ontkerstende massa liet deze profeten zeer spoedig staan, zoals jaren geleden een eenvoudig arbeider in Friesland eens tegen mij zei, toen ik hem vroeg, waarom hij niet naar de kerk ging: ,,de dominee leerde mij, dat het niet waar is, welnu, wat heb ik er dan mee te doen?" En zo ging het met vele latere heterodoxen en zo gaat het ook met de bastaarden, die zich gereformeerd-achtig gedragen. Het is slechts een kwestie van tijd. Als het volk de ogen opengaan, dan zijn zij uitgepraat. Daarom is het zo nodig, dat ons Gereformeerde volk weer wakker wordt, de bazuin weer leert onderscheiden, die een zuiver geluid geeft. Wij moeten terug tot die waarheid, waaruit de Reformatoren leefden en die in onze belijdenisschriften ons gelegateerd werd. Ons volk moet af van valse leer, omdat deze het leven verderft van individu, van kerk, van maatschappij en volk.
In al de valse leringen, die er uitgebazuind worden, die zich als nieuwe, nooit vertoonde wijsheid aandienen, hebben wij met oude ketterijen van doen, die zoo oud zijn als de weg van Rome, want Rome is door dezelfde dolingen verdwaald, die allerlei zogenaamd Protestantse richtingen tegen de zuivere reformatorische leer vijandig stellen. Daarom hebben zij zoveel met de oude ketterijen gemeen, rieken zij meestal naar het oude Pelagianisme het meest en hebben dat gemeen met het oude Remonstrantisme. Dat betekent natuurlijk niet, dat hun dit steeds klaar is. In de meeste gevallen drongen zij niet zo diep door in de kennis der beginselen. Zij werden er zo gemakkelijk door besmet, omdat zich de ketterij aanpast bij de natuurlijke mens. Zo worden er heel wat gevonden, die, evenals Pelagius, lieve mensen zijn en bittere vijanden van Gods ware volk. Zo komt het, dat een Habakuk klaagde: Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien? Want verwoesting en geweld is tegen mij over en er is twist en men neemt gekijf op. Daarin wordt de wet onderlaten en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt den rechtvaardige, daarom komt het recht verdraaid voor."

Verder te lezen in onderstaande link, desgewenst wil ik het ook wel wat hertaald hier plaatsen.
https://www.digibron.nl/zoeken/zoekwoor ... strantisme)/Datum-tussen/1936-01-01:1937-12-31/Bron/Gereformeerd%20Weekblad/
© -DIA-

Gebruikersavatar
refo
Berichten: 22946
Lid geworden op: 29 Dec 2001, 12:45

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor refo » 04 Aug 2022, 10:30

Het is al lang geleden, dat een overigens degelijk man van links ethische richting, nadat ik een ernstig gesprek met hem had gehad, mij op de schouder klopte en enigszins ontroerd tegen mij zei: „Vriend, gij zijt veel beter dan uw leer." Ik heb hem toen geantwoord: „Vriend, gij zijt veel slechter dan uw leer." „Hoe dan?" zo vroeg hij. „Ja", zei ik, „gij zijt veel slechter dan uw leer, want gijlieden hebt het altijd over de liefde, over de verdraagzaamheid, maar de gereformeerde mensen ondervinden daarvan nooit iets, dan alleen, dat zij bij elke gelegenheid gewogen en te zwaar bevonden worden niet alleen, maar bovendien nog als een onverdraaglijk ras worden uitgescholden soms op weinig liefelijke wijze." Zo is het nu eenmaal in deze hedendaagse wereld en zo was het in de tijd van het verloop der leer niet alleen, maar de eeuwen door.


Dergelijke dia-logen eindigen altijd met een quote van de scribent.
Heb je trouwens wel eens overwogen dat ook een remonstrant een kind van God kan zijn? (En dan bedoel ik niet de quasi-bescheiden opmerking dat in ieder kind van God nog remonstrantse resten aanwezig zijn.)

GerefGemeente-lid
Berichten: 3825
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 04 Aug 2022, 10:31

refo schreef:Heb je trouwens wel eens overwogen dat ook een remonstrant een kind van God kan zijn?
Kun je me uitleggen hoe dit überhaupt mogelijk kan zijn?

Ditbenik
Berichten: 2991
Lid geworden op: 25 Feb 2011, 18:09

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Ditbenik » 04 Aug 2022, 10:32

GerefGemeente-lid schreef:
refo schreef:Heb je trouwens wel eens overwogen dat ook een remonstrant een kind van God kan zijn?
Kun je me uitleggen hoe dit überhaupt mogelijk kan zijn?


Door het geloof in de Heere Jezus Christus. Een andere weg is er niet.

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29860
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 04 Aug 2022, 10:36

Nog een klein stukje uit deze artikelen die verderop staan, en nog niet geplaatst zijn. Een heel klein en kort stukje maar wel om over na te denken.

Citaat:
"De leer van de verkiezing, van de rechtvaardigmaking en van de heiligmaking ondergaat de verderfelijke invloed van het gebrek in de kennis van het eerste stuk, dat in onze Catechismus genoemd wordt, als nodig gekend te worden, namelijk: hoe groot onze zonde en ellende is. Er kunnen allerlei orthodoxe termen gebruikt worden, terwijl Gods volk er niet bij leven kan, omdat de inhoud van die woorden is vervaagd. Veler leervoorstellingen doen denken aan het Gero-zilver, dat zilver schijnt, maar slechts den glans gemeen heeft met het oude zilver, dat de voorgeslachten als een familiestuk aan hunne kinderen nalieten. De termen en de woorden zouden doen denken aan Gods Waarheid, maar de zin staat er lijnrecht tegenover. Doch menige eenvoudige wordt misleid, totdat hij bemerkt, hoe hem stenen gegeven werden voor broden. Zo kan men opmerken, hoe velen niet waarlijk weten, dat de Wet geestelijk is, maar de mens vleselijk is en verkocht onder de zonde. Die daaraan ontdekt werd, kan bij Pelagianisme en Remonstrantisme, hoe fijn ook gewikkeld in Gereformeerde vormen, niet leven. En zo lag het voor de hand, dat ook Gods Kerk er niet bij leven kon, zodra het Pelagianisme opgang maakte in brede kring. Zodra de wezenlijke zin ervan tot het bewustzijn was doorgedrongen, moest er een conflict geboren worden. Uit de aard der zaak was dit niet terstond het geval. Het gaat met de Kerk in haar geheel als met het enkele kind van God, dat, vooral als de ketterij fijn wordt opgediend, tijd behoeft om haar klaar te ontdekken. Zo was het ook met het Pelagianisme, dat eerst de aandacht begon te trekken, toen de advocaat Coelestius het ketters leerbegrip overnam en publiek ging aanbevelen.
Deze Coelestius legde, daar hij zich onder leiding van Pelagius gesteld had, de advocatuur neer en werd monnik, doch niet zonder eerst in een geschrift, dat den vorm had van drie brieven aan zijne ouders, van zijne veranderde levensopvatting publiek rekenschap te geven. Uit dat oogpunt gezien, was deze Coelestius dus een eerlijk man, eerlijker dan velen in onzen tijd onder ons, die den Gereformeerden man uithangen, hoewel zij dit niet waren, noch zijn. Hoe verdorven onze tijd is, blijkt zeker nergens meer dan in het volksbedrog, waaraan quasi-gereformeerde heren zich schuldig maken. Zo zien wij er zwaaien van Calvinisme tot modernisme, van den Gereformeerde Bond tot kerkherstel, enz., van Groen tot het liberalisme, zonder dat zij het volk rekenschap geven. Maar deze advocaat Coelestius was ten minste zo eerlijk, dat hij rekenschap gaf, opdat ieder zou weten, waar hij eigenlijk legerde en niemand hem zou aanzien voor wie hij niet was. Hij was tot Pelagius bekeerd, hing aan die leermeester, wiens levensbeschouwing hij aanvaard had en zo schroomde hij ook niet zijn gaven en krachten te stellen in dienst van deze nieuwe leer. Daar Pelagius reeds op hoge leeftijd was en slechts in uitersten nood in het strijdperk trad, nam Coelestius de taak over, die, daar hij oorspronkelijk een advocaat en dus voor de verdediging zijner beginselen zeer bekwaam was."
© -DIA-

Gebruikersavatar
Terri
Berichten: 3341
Lid geworden op: 21 Nov 2009, 21:53

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Terri » 04 Aug 2022, 17:09

:tilt
"Het gaat in deze geschiedenis om George Whitefield en John Wesley, twee opwekkingspredikers die ondanks hun theologisch geschil over de uitverkiezing toch vrienden van elkaar bleven."

uitspraak van één van de twee:
“Nee ik zal hem niet zien in de hemel want hij zal veel dichter bij God staan dan ik.”

GerefGemeente-lid
Berichten: 3825
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 04 Aug 2022, 18:10

Ditbenik schreef:
GerefGemeente-lid schreef:
refo schreef:Heb je trouwens wel eens overwogen dat ook een remonstrant een kind van God kan zijn?
Kun je me uitleggen hoe dit überhaupt mogelijk kan zijn?


Door het geloof in de Heere Jezus Christus. Een andere weg is er niet.

Een remonstrant gelooft niet voor 100% in de HEERE Jezus Christus. Er kan geen nagelschrap van de mens bij. Dus mijn vraag blijft staan.

Ditbenik
Berichten: 2991
Lid geworden op: 25 Feb 2011, 18:09

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Ditbenik » 04 Aug 2022, 18:20

GerefGemeente-lid schreef:
Ditbenik schreef:
GerefGemeente-lid schreef:
refo schreef:Heb je trouwens wel eens overwogen dat ook een remonstrant een kind van God kan zijn?
Kun je me uitleggen hoe dit überhaupt mogelijk kan zijn?


Door het geloof in de Heere Jezus Christus. Een andere weg is er niet.

Een remonstrant gelooft niet voor 100% in de HEERE Jezus Christus. Er kan geen nagelschrap van de mens bij. Dus mijn vraag blijft staan.


GerefGemeente-leden kunnen dwalen en zalig worden door het geloof in de Heere Jezus Christus. Dat geldt voor anderen net zo. Wij zijn zo snel in het veroordelen van anderen maar wie in de Heere Jezus gelooft wordt behouden. Je kunt je vraag wel laten staan, maar je hebt een antwoord gehad.

CvdW
Berichten: 2319
Lid geworden op: 23 Mar 2015, 14:07

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor CvdW » 04 Aug 2022, 18:24

GerefGemeente-lid schreef:
Ditbenik schreef:
GerefGemeente-lid schreef:
refo schreef:Heb je trouwens wel eens overwogen dat ook een remonstrant een kind van God kan zijn?
Kun je me uitleggen hoe dit überhaupt mogelijk kan zijn?


Door het geloof in de Heere Jezus Christus. Een andere weg is er niet.

Een remonstrant gelooft niet voor 100% in de HEERE Jezus Christus. Er kan geen nagelschrap van de mens bij. Dus mijn vraag blijft staan.

Dit is een interessante. Goddelozen worden met God verzoend. Ik ben benieuwd wat Jantje precies voor ogen heeft.

Ambtenaar
Berichten: 7876
Lid geworden op: 15 Apr 2017, 14:37

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Ambtenaar » 04 Aug 2022, 18:56

GerefGemeente-lid schreef:Een remonstrant gelooft niet voor 100% in de HEERE Jezus Christus. Er kan geen nagelschrap van de mens bij. Dus mijn vraag blijft staan.

Een collega van mij is lid van de Remonstrantse Broederschap. Mijn indruk is niet dat ze niet in Jezus gelooft of niet ziet welke functie Jezus heeft.

Onbekende
Berichten: 127
Lid geworden op: 27 Sep 2021, 20:19

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Onbekende » 04 Aug 2022, 19:04

Dank DIA voor de moeite die je erin stopt! Ik heb nu alles kunnen doorlezen.

Ik ben onvoldoende theologisch onderlegd om er precies de vinger op te kunnen leggen. Toch bekruipt mij het gevoel dat er in deze artikelen een bepaalde discussie techniek gebruikt wordt, namelijk het demoniseren van de 'tegenstander' in combinatie met het idee 'dat wij veel beter zijn'. Je ziet dat eerste onder andere terug in benamingen als 'quasi-gereformeerden' en ' bastaarden', het tweede zie je onder andere terug in de uitleg over hoe het verschil tussen het oosten en het westen zo gegroeid is.

Tevens bekruipt mij het gevoel dat er vooral heel goed gezegd kan worden wat het niet is, terwijl er minimaal iets gezegd wordt over wat het wel is. Ik zou zeggen draag vooral je eigen standpunt positief uit. Dat is wat mij betreft een beter uitgangspunt.

Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon.
De strijdende kerk op aarde strijdt vooral onderling.

Gebruikersavatar
Nasrani
Berichten: 1775
Lid geworden op: 21 Dec 2016, 22:36

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Nasrani » 04 Aug 2022, 19:43

GerefGemeente-lid schreef:
Ditbenik schreef:
GerefGemeente-lid schreef:
refo schreef:Heb je trouwens wel eens overwogen dat ook een remonstrant een kind van God kan zijn?
Kun je me uitleggen hoe dit überhaupt mogelijk kan zijn?


Door het geloof in de Heere Jezus Christus. Een andere weg is er niet.

Een remonstrant gelooft niet voor 100% in de HEERE Jezus Christus. Er kan geen nagelschrap van de mens bij. Dus mijn vraag blijft staan.

Ik had niet gedacht dat je dit serieus zou menen. Maar blijkbaar wel. Zie het voorbeeld van @Terri.
https://youtu.be/l-y_z2RdHAQ

Vandaag een preek beluisterd (jawel van ds vd Brink via Een preek voor elke dag) over Handelingen 11 over dat Barnabas zich verblijde omdat hij de genade van God zag. Een gemeente zonder structuur en leiding. Waarschijnlijk van alles op aan te merken maar we lezen alleen maar van de blijdschap vanwege het werk van God.
Wij leven in een wereld waarin bijna alles ons afleidt van God.
Daarom zullen we keuzes moeten maken als we een vertrouwelijke omgang met God willen.

GerefGemeente-lid
Berichten: 3825
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 04 Aug 2022, 19:57

Jullie gaan voorbij aan de vraag die ik stel.

De vraag is heel simpel.

De remonstrantse leer gaat er van uit dat een mens zélf ook nog iets tot zijn eigen zaligheid kan toedoen. Die leer komt trouwens ook ter uiterst rechterzijde van onze gezindte voor, maar dat terzijde.

Als we dus zeggen dat een remonstrant ook bekeerd kan zijn, dan is de gevolgtrekking dat ook de remonstrantse leer zaligmakend is. Is dit juist?

Want dan kan ik dat niet mee maken en schrik ik behoorlijk van wat er hier gezegd wordt.

GerefGemeente-lid
Berichten: 3825
Lid geworden op: 14 Apr 2021, 23:55

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor GerefGemeente-lid » 04 Aug 2022, 19:59

Nasrani schreef:Vandaag een preek beluisterd (jawel van ds vd Brink via Een preek voor elke dag) over Handelingen 11 over dat Barnabas zich verblijde omdat hij de genade van God zag. Een gemeente zonder structuur en leiding. Waarschijnlijk van alles op aan te merken maar we lezen alleen maar van de blijdschap vanwege het werk van God.
Dat betekent uiteraard niet dat er geen droefheid was over de zonde of berouw over de schuld. Daar krijgt elke gekende des Vaders mee te maken. Dus we moeten wel eerlijk blijven.

Onbekende
Berichten: 127
Lid geworden op: 27 Sep 2021, 20:19

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Onbekende » 04 Aug 2022, 20:02

GerefGemeente-lid schreef:Jullie gaan voorbij aan de vraag die ik stel.

De vraag is heel simpel.

De remonstrantse leer gaat er van uit dat een mens zélf ook nog iets tot zijn eigen zaligheid kan toedoen. Die leer komt trouwens ook ter uiterst rechterzijde van onze gezindte voor, maar dat terzijde.

Als we dus zeggen dat een remonstrant ook bekeerd kan zijn, dan is de gevolgtrekking dat ook de remonstrantse leer zaligmakend is. Is dit juist?

Want dan kan ik dat niet mee maken en schrik ik behoorlijk van wat er hier gezegd wordt.


Nee, niet de remonstrantse leer is zaligmakend, maar een remonstrant kan wel zalig zijn. Het staat God namelijk niet in de weg of iemand onder een verkeerde prediking verkeert.
Persoonlijk zat ik onder een voorwaardelijke prediking toen ik een kind van God mocht worden. Maar dat maakt niet de voorwaardelijke prediking zaligmakend...
Je kunt deze tere zaken niet omgekeerd evenredig toepassen !!
De strijdende kerk op aarde strijdt vooral onderling.


Terug naar “Theologie - Dogma en Belijdenis”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 1 gast