Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 23 Aug 2022, 09:41

Na een periode van uitgeschakeld te zijn hopen wij deze zo belangrijke uiteenzetting en verklaring van dwalingen die de kerk binnengeslopen waren te mogen vervolgen. We doen dit aan de hand van een reeks artikelen, verschenen in het Gereformeerd Weekblad, midden jaren 30 van de vorige eeuw. Hier zijn ook de scherpe lijnen te ontdekken die nu nog in alle heftigheid spelen. Het blijkt ook, zo komt ook wel duidelijk openbaar, dat de strijd tussen ds. Woelderink en zijn navolgers en ds. I. Kievit meer dan ooit actueel is. Misschien kan zelfs de vraag wel gesteld worden of we de leer, zoals ds. Kievit die bracht, nog onderschrijven. Voor een recht doen aan hen die in de lijn van ds. Kievit willen staan moeten we met klem adviseren deze artikelen met aandacht te lezen, en dit niet af te doen met een 'aanhoudend gezeur', daar hier immers de grondvesten van de Reformatie liggen, tegenover het Semipelagiaanse en het Remonstrantisme.
Voor de duidelijkheid nog een verwijzing naar wie ds. Woelderink was, naar Wikipedia:
https://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_Woelderink

Dan gaan we hier verder met de ontdekking van de dwalingen en de verwerping daarvan, maar ook de zuivere leer als deze door Augustinus geleerd was.

XII
De strijd tussen Pelagius en Augustinus zette dus een periode in van voortdurende leergeschillen over hetzelfde punt van verschil. En ook toen zag men dat allerlei pogingen werden aangewend om de tegenstelling te overbruggen. Het Semipelagianisme van Cassianus is daarvan een voorbeeld van verre strekking, daar onder deze mildere vorm het Pelagianisme in de Kerk blijvend zich woning kon maken. Doch het ligt voor de hand, dat het desondanks steeds weer tot nieuwe conflicten moest voeren. Want ook al had de officiële Kerk de neiging dit Semipelagiaanse standpunt in te nemen, de diepere vragen lieten toch de heilzoekende zielen geen rust. Voor het recht verstand van het in geding zijnde vraagstuk is het van belang onzen lezers, inzonderheid de leden van onze mannenverenigingen, een summier overzicht te geven van die Semipelagiaanse leer van den monnik Cassinus, daar deze uitgangspunt is geworden voor de later vastgestelde kerkleer.
Cassianus streefde naar een vereniging van de goddelijke genade en de wilsvrijheid van de mens. Hij meende, evenals zelfs ook in onze tijd velen dit nog menen te kunnen, de vrijheid van de wil en de genade Gods, hoewel zij elkaar wezenlijk uitsluiten, naast elkaar te kunnen handhaven. Hij was van oordeel, dat geen van deze twee kon worden losgelaten, zonder dat men de regel van het geloof aantastte. Dus veroordeelde hij het in Pelagius dat hij de menselijke wilsvrijheid verkeerd begrepen en te hoge waarde toegekend had. En met Augustinus wilde hij erkennen, dat de menselijke natuur in de val was verdorven en de genade onmisbaar was. Wie nu echter menen mocht, dat hij dus in dit grondstuk met Augustinus overeenstemde, die vergist zich, want zoals dit met de ketterij meermalen, ook heden ten dage nog het geval is, hier vooral geldt: Als twee hetzelfde zeggen, dan is het nog niet hetzelfde. Cassianus hechtte aan deze uitspraak een andere zin. De zondeval van Adam beschouwde hij, als ware deze de eerste stoot geweest tot een algemeen verderf, dus als ware de val slechts de in actie zetting van de algemene verdorvenheid, die dan slechts bestaan zou in een verzwakking van de wil en niet zou gestrekt hebben tot een volstrekt verderf. Hij was het dus niet eens met de woorden van onze belijdenis uit art. 15, die getuigen van een „verdorvenheid der gehele natuur en een erfelijk gebrek". Hij sprak slechts van een verzwakking van de wil. Ten gevolge van de val, zo leerde Cassianus, was er in de menselijke natuur ontstaan de strijd tussen geest en vlees, tussen een hoger geestelijk streven en het zinlijk minderwaardige. Doch deze strijd moest men niet als gevolg van de zonde als zodanig beschouwen, niet als een schuld en een straf, maar omgekeerd was deze toestand des mensen te waarderen als een wezenlijk heilzame organisatie van de menselijke natuur. Deze strijd tussen geest en vlees was voor hem een goddelijke ordinantie, die de strekking had het zinnelijke te overwinnen, te dringen tot een worsteling om zedelijke reinheid te verwerven. Men mocht dan ook de verdiensten der heiligen niet zozeer van God en Zijne genade afleiden, dat er voor den mens niets dan het slechte en verkeerde overbleef. De menselijke wil was dus niet uitgedoofd, maar slechts "infirmata et attenuata" verzwakt en verminderd in kracht. De zedelijke kracht is in de zondaar niet vernietigd, doch slechts verslapt. Daarom liggen in de natuurlijke mens de zaden van de deugd, het vermogen om het goede, zoal niet te doen, dan toch te willen, het heil te zoeken, zich aan de genade over te geven, de genade niet af te wijzen, maar aan te nemen. Dus hij leerde het precies zoals Ds. Woelderink het in ,,De Waarheidsvriend" trachtte ingang te doen vinden met het aannemen der beloften en zoals allen het leren, die den mensen voorhouden, dat zij in zichzelf het vermogen tot geloof hebben. Zo wordt er dus een leer verkondigd, die aan de mens het zijn geeft in het werk der zaligheid en die de zondaar niet ontkleed, totdat hij als een uit de windselen zijner eigen gerechtigheid uitgeschudde zondaar voor Gods aangezicht neervalt. De vrije wil, zo leerde Cassianus, blijft in den mens, zodat hij Gods genade kan aannemen en verwerpen.
Maar, het ligt ook voor de hand, bij zulk een leer is er nog ruimte genoeg om met het woord "genade" te schermen. De zondaar behoeft de genade om het goede te verwerkelijken. En die werking van de genade is dan hiertoe beperkt, dat zij het natuurlijke verlangen naar het heil dat in de zondaar leeft, prikkelt, aanwakkert door natuurlijke middelen, zowel als door de geschreven Wet en door het Evangelie. Hij noemt deze genade ,,gratia vocans", een roepende genade. Daardoor zouden dan de sluimerende krachten opgewekt en in actie gezet worden, waardoor het den mens mogelijk worden zou zich het heil toe te eigenen. Het komt er dus slechts op aan, of hij die roep wil volgen of niet. Dat heeft de mens dus in zijne eigene hand. Als hij die roepstem volgt, dan is dat zijne verdienste.
Volgens Cassianus' leer is de betrekking tussen de genade en de vrije wil zo bepaald, dat zij in de zondaar steeds naast elkaar bestaan en met elkander samenwerken. En als de mens dan tot het goede besluit, dan is het uitgangspunt van dit besluit deels in de genade, deels in de vrije wilsbepaling van de mens te zoeken, zodat er tussen de genade en de wil van de mens een samenwerking bestaat, een coöperatie. Welke nu de voorrang heeft, de genade Gods of de vrije wil van de mens, daarover kan men niet tot volle klaarheid komen, dat laat zich dus zo niet zeggen. Alleen, zo meende hij, leerde de ervaring enerzijds, dat God de mens voor is, daar Hij hem roept, soms zelfs tegen zijn wil tot het heil brengt, b.v. Mattheus de tollenaar, de apostel Paulus, maar anderzijds meende hij, dat de ervaring ook leerde, dat de zondaar ook zonder drang van buiten af, alleen uit zichzelf zich tot het goede schikt en dus zelf aanvangt het goede voor zich te nemen, b.v. Zacheus.
Het wezenlijke, het karakteristieke van het Semipelagianisme is dus daarin gelegen, dat het naast elkander de genade Gods en de vrijheid van den wil in een zondaar meent te kunnen handhaven, opdat er tussen deze beide een samenwerking, een medewerking met elkander tot de verkrijging van het heilsgoed, zich zal voltrekken.
Zeer terecht werd door Prosper en de zijnen op het tweeslachtig karakter dezer leer nadruk gelegd en op het noodzakelijk daarmede samenhangend euvel, dat op deze wijze de genade-werking Gods werd opgeheven, want ten slotte moest het wel daarop uitlopen, dat de zondaar zonder Gods genade ook nog wel het goede kon doen. En diezelfde halfslachtigheid viel ook op in de leer der erfzonde, die betrekkelijker wijze aanvaard werd, maar ook terstond weer ontkend, daar gezegd werd, dat het zaad van der deugd aan de zondaarsziel ingelegd was. Van een absoluut zondaar was er dus geen sprake meer, de zondaar is niet meer een kind des toorns en niet meer een volstrekt verderf onderworpen.
De strijd, die alzo een aanvang had genomen met het conflict tussen Augustinus en Pelagius, zette zich zeker wel een eeuw lang in verschillende vormen voort en voerde aan beide zijden tot dikwijls zeer ver gaande gevolgtrekkingen. Aan de éne zijde kwam het tot een aanstotelijke, geheel verbasterde leer der predestinatie met alle gevaren, die daarmede verbonden kunnen worden, aan de andere zijde verliep men zich in leer-voorstellingen, waarbij het wezenlijke Evangelie geheel teloor ging. En dezelfde verschijnselen, die ook in onze dagen gezien worden bij onderscheidene richtingen, traden ook toen op in de vorm van een algemene verzoeningsleer en dergelijke. En ook werden allerlei pogingen gedaan om het onverzoenbare toch te verzoenen en een leer uit te denken, die zowel Gods genade als de menselijke wil handhaven moet. Het zou te ver voeren dezen strijd in bijzonderheden na te gaan en voor ons doel is dit ook niet van belang, omdat daardoor aan de onverzoenlijke tegenstelling, die in het geding was en waaraan men meende door allerlei spitsvondige onderscheidingen te kunnen ontkomen, toch niets wezenlijk gewijzigd werd. Van meer belang is in het oog te vatten, welke gevolgen deze strijd nu ten slotte heeft gehad voor de leer zelf, zoals zij officieel ten laatste werd vastgesteld.
Deze vaststelling had plaats in een kerkvergadering van Gallische bisschoppen, die was samengekomen te Oranje, het zogenaamde Concilium Arausicanum, in het jaar 529. In Zuid Frankrijk was namelijk deze strijd weer zeer fel opgelaaid, zodat het noodzakelijk werd orde te stellen op de leergeschillen. Deze kerkvergadering stond onder leiding van Caesarius, de bisschop van Arles. Zij verwierp wel het Pelagianisme en ook het Semipelagianisme, doch dit betekent niet, dat zij het geschilpunt wezenlijk oploste in de zin van Augustinus, al ging zij zeer ver mee in diens leer. En toen een volgend concilie, dat te Valence gehouden werd. welks besluiten door Bonifacius II, paus van Rome, werden goedgekeurd, bleek toch, dat ondanks de veroordeling van Pelagianisme en Semipelagianisme, er vraagstukken werden uitgeschakeld, die voor alles hadden moeten worden opgelost en door Augustinus dan ook opgelost waren. Zo wachtten deze kerkvergaderingen er zich voor een afdoende beslissing te nemen inzake de leer van de predestinatie en van de volstrekte genade in haar onwederstandelijkheid.
Zo stelde men er wel als de kerkleer vast, dat in Adam allen gezondigd hebben en door de schuld zijner overtreding de mens naar lichaam en ziel verdorven werd, zodat geen mens uit kracht van zijn natuur bekwaam was iets goeds ter zaligheid te denken, te kiezen of uit het Evangelie aan te nemen, omdat de vrije wil in allen zoo verzwakt was, zoo gebroken, dat zonder goddelijke openbaring de verborgenheid der eeuwige zaligheid niet kon worden verkregen. Ook erkende men er, dat de genade alleen bron is van het heil, dat zij alles werkt, zelfs de geneigdheid tot het geloof en dus ook den voortgang en de werking des geloofs. De Heilige Geest werkt niet slechts het goede, maar ook alle aandrift daartoe. Zo was dit besluit dus schijnbaar in de geest van Augustinus. Alleen gingen deze kerkvergaderingen met stilzwijgen voorbij aan diens leer der onwederstandelijke genade en aan de leer, dat de genade particulier is. Daarover lieten zich deze kerkvergaderingen niet uit. En zo eindigden zij met de uitspraak van deze belijdenis:
Wij geloven en belijden
1e. dat door de zonde van de eerste mens de vrije wil zo verzwakt en veranderd werd, dat voortaan niemand God kan liefhebben, noch ook in Hem geloven of iets goeds werken kan, als eis is, zonder dat hem Gods ontfermende genade is voorgekomen.
2e. dat alle gedoopten na de ontvangst van de doopgenade onder medewerking en hulp van Christus, hetgeen tot heil der ziel strekt, wanneer zij getrouw willen werken, ook vervullen kunnen en moeten.
Zij wijzen echter af de leer der reprobatie en spreken daarover het anathema, de kerkelijke vervloeking uit.
3e. dat bij elk goed werk niet wij het begin maken en daarna van de genade ondersteund worden, maar de genade ons het geloof en de liefde daartoe schenkt, opdat wij zowel de sacramenten getrouw zoeken, als na de Doop het Gode welgevallige kunnen doen.
Sinds was dit dus de officiële leer, die echter hiermede niet waarlijk tot haar volle ontplooiing was gebracht.
(wordt DV vervolgd)
© -DIA-

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 24 Aug 2022, 00:11

Een te lang stuk plaats ik niet, want sommigen zullen een lange verhandeling wellicht te veel vinden om te lezen. Daarom weer een klein stukje verder in deze zo ontdekkende en leerzame beschouwingen die we citeren uit het Gereformeerd Weekblad, midden jaren 30.
Het blijkt wel dat er onder de dwalingen altijd weer dezelfde punten naar voren komen, en dat er dus wat betreft niets nieuws is onder de zon. Wel zie ik met verontrusting dat nu een heel groot deel van wat zich gereformeerd of reformatorisch noemt dat in wezen niet is. Heel de geschiedenis door is deze strijd gestreden. Er zijn mensen om in de gevangenis geworpen, er zijn mensen om verbrand, er zijn mensen om bespot, er zijn mensen gehoond, en gelasterd, en ik geloof ook, heel de kerkgeschiedenis doorziende, dat dit tot aan de wederkomst van Christus zo zal blijven.
Neen, toch niet, de aanvallen tegen de zuivere leer zullen meer en heviger worden, en het zo zo gaan worden, dat de ware belijder niet dan met Gods kracht de leugengeest kan weerstaan, immers, als God dat niet verhoedde, dan zouden zelfs de uitverkorenen verleid worden, maar dit zal niet slagen, want God houdt Zijn Woord in stand en behoedt de ware belijder bij deze leer, wat een druk en vervolging, (zie ook de kerkgeschiedenis) er ook tegenop zal komen.


We vervolgen deze zo heldere weerlegging van de verschillende dwalingen die toch vrijwel altijd op dezelfde grond zijn terug te leiden.

Indien er uit onze historische beschouwingen iets duidelijk is geworden tot nu toe, dan zeker wel, dat er op dit gebied niets nieuws is en wij in onze tijd precies dezelfde vragen en precies dezelfde bezwaren horen. En wat men destijds wist en ook schreef, was de noodzakelijkheid van de wedergeboorte om tot het waarachtige geloof te komen, zoals men ook kon opmerken, dat er richtingen waren, die daarvan niet wilden weten. En ook toen ter tijde bleek reeds, dat in de leer van de genade, zoals deze door Augustinus voorgedragen werd, het fundament ligt voor een alomvattende wereld- en levensbeschouwing. Op de achtergrond van deze leer lag het ondoorgrondelijk besluit van God, het besluit der verkiezing, de diepe religieuze gedachte, door de apostel Paulus uitgesproken in Romeinen 11, waarin hij Gods soevereine heerlijkheid aanbidt in het ontroerende woord: „O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! hoe ondoorgrondelijk zijn Zijne oordelen en onnaspeurlijk Zijne wegen!'
Soms wordt er wel opgemerkt, dat deze alwerkende genadedaad Gods toch niet te verenigen is met de menselijke verantwoordelijkheid en de zedelijke zelfbepaling, die toch in elk mens zich doet gelden. Doch wie dit opmerkt, ziet voorbij, dat Gods regering van de schepselen een karakter draagt, dat verband houdt met de natuur der schepselen zelf, dat de bergen en de steenrotsen, de zeeën en de rivieren, de planten en de bomen en alle levende wezens tezamen geschapen zijn naar hun aard en God deze alle ook naar hun aard regeert. En wat geldt van alle wezens, van zon, maan en sterren, van de gehele aarde, dat geldt ook van de mens. De Heere regeert hem naar de aard van zijn natuur. En tot die natuur behoort, dat de mens een redelijk-zedelijk wezen is en als zodanig zedelijk verantwoordelijk. Van die zedelijke verantwoordelijkheid kan nimmer een mens zich vrijmaken. Al begrijpen wij niet, hoe zich deze Godsregering der schepselen voltrekt, zij gaat toch door, zonder onze menselijke natuur aan te tasten in haar wezen. En dat heeft men reeds in die oude tijden zo klaar ingezien, dat de latere geslachten, en dat ook Calvijn daarop is teruggegaan.
De Kerk van Christus heeft Gods soevereine majesteit in de werken van Zijn genade als een verborgenheid beleden de eeuwen door. En zij bracht deze wondere, ondoorgrondelijke genadewerking in verband met de historische ontwikkeling van de mensheid, die alzo het karakter verkrijgt van een opvoeding van de mensheid, dus een pedagogie. Deze leer legt een levenscontact tussen de heilsgeschiedenis en de wereldgeschiedenis, waarop ook de Heere Jezus Zelf nadruk heeft gelegd. Ook de weg van de historie, die de mensheid doorloopt, wordt in dat licht een verwerkelijking van Gods eeuwige Raad. En ook die geschiedenis van de mensheid houdt aldus op een spel van willekeur, een toneel van blindwerkende kracht te zijn, maar als verwerkelijking van Gods Raad wordt zij aan rede onderworpen. Zo wordt er tussen het eeuwig denken Gods en het levensproces, dat de schepping doorloopt, een verband gelegd, waarin de diepe eis van het religieuze leven alleen tot zijn recht komt.
Doch, zoals ik reeds opmerkte, de tegenstanders ook in die oude tijd waren precies als die van latere eeuwen, als die van de dagen van Dordt en van onze tijd. Die spotten over „de gepredestineerde dief", en de predestinatie tot een karikatuur maakten door Gods regerende werkzaamheid om te zetten in een mechanische daad. die de mensen maakte tot stokken en blokken en God tot auteur van de zonde. Van dat alles heeft Augustinus en Gods Kerk nimmer iets willen weten.
Zo is de Kerk met het Pelagiaanse twistgeding de middeleeuwen ingegaan zonder het ooit tot een afdoende oplossing te brengen. De verdeeldheid daarover bleef. Het Semipelagianisme hield echter in zijn halfslachtigheid stand met den schijn van Augustinus' leer voor te dragen en onder het masker van in genen dele met Pelagius iets van doen te hebben. Doch het wezen van het Pelagianisme bleef de grote massa vasthouden en vooral in de Gallische Kerk heeft dit zich ontwikkeld tot een overheersende richting. De voornaamste theologen van deze kerk waren haar toegedaan. Zo b.v. Vincentius van Lerinum, een klooster in Zuid-Frankrijk, die grote betekenis heeft gehad in de geschiedenis van de Gallische kerk, en schrijver van het beroemde Commonitorium, een klein boek, dat een herinneringsschrijven betekende, dat de hoofdlijnen in herinnering bracht van de Roomse dogmatiek en tot heden nog in ere is. Deze Vincentius had een nog al woelig leven geleid, voordat hij in een klooster rust vond. Hij was een Galliër van geboorte, werd monnik en priester te Lerinum. Dat boekje heeft een nogal romantische geschiedenis gehad, daar het tweede deel ervan in concept gestolen was en hij dus later een beknopte herhaling van de inhoud gegeven heeft. Hij is waarschijnlijk in 450 te Lerinum gestorven. Zijn geschrift heeft echter in de moeilijkheden, waarin met name Prosper betrokken is geweest en dus in diens worsteling om de grondslagen van Augustinus' leer, een nogal betekenisvolle plaats ingenomen. In de strijd tussen het Semipelagianisme en de leer van Augustinus speelde deze Vincentius een rol door de zogenaamde ,,16 objectiones Vincentianae". Het blijkt daaruit, dat de monniken onder de tegenstanders van Augustinus in de voorste gelederen stonden, want naast deze trad ook Faustus van Rhegium op de voorgrond, die in opdracht van het Concilie van Arles in 475 een geschrift het licht deed zien over Gods genade en de vrije wil van de mens. En ook deze stelt zich voor als een krachtige bestrijder van Pelagius' leer, hoewel hij diens beginselen wezenlijk beaamde. Zo ontstond er een toestand, die veel overeenkomst vertoont met het omgekeerde van wat wij in onze dagen onder de Protestants Christelijken zien geschieden. In die ouden tijd wilde niemand Pelagiaan heten. schold men Pelagius als een „pestifer doctor", als een verderf brengend doctor, hoewel zij zelf een leer voordroegen, die de zondeval een zo verzwakte invloed toeschreef, dat die ten gevolge de mens alleen maar schaamtegevoel kende en enige verzwakking van de vrije wil. De zondaar kan door eigen kracht deze zwakheid overwinnen. En zo wilden zij van de predestinatie, zoals deze door Augustinus geleerd was, niets weten, scholden zij deze als een fatalisme, een godslasterlijke leer. En hoewel deze monniken aan de natuurlijke wil het vermogen van het geloof toekenden en dit geloof als een goed werk aandienden en door ascetische monnikenwerken de hemel verdiend kon worden, wilden zij toch volstrekt niet als Pelagianen beschouwd worden. Zij waren het wezenlijk, maar gruwden van den naam, want de kerk had het Pelagianisme in de ban gedaan. En ik wees er reeds op. dat deze methode het omgekeerde is van hetgeen we in onze dagen zien gebeuren. Orthodox noemt zich ieder, ook al is men in het tegendeel van de rechte leer doorgezakt. Gereformeerd roemt zich de modernist met een zekere voorliefde, ook al is er niets anders dan enig Spinozisme in de leer te ontdekken. En Calvinist, wie wil dat nu niet heten! Alle kerkherstellers en kerkopbouwers geuren met Calvijn, al sluit dit niet uit, dat zij in de diepste grond door Calvijn zelf "Pseudonicodemi" genoemd, die de religie verknoeien door hun dialectische filosofie. Tegenwoordig siert zich gaarne elke richting met een Gereformeerd etiket, al zijn de grondslagen van de Belijdenis, waarvoor de martelaren stierven, verloochend. Maar in de dagen van deze Pelagiaanse strijd weigerden de Pelagianen met Pelagius' naam te worden aangeduid. Zij namen de leer over, doch wierpen haar geboortenaam af.
Zo werd in de Roomse kerk de leer uitgedragen, die in de Reformatie de zwaarste last voor de door Gods Heilige Geest ontdekte gewetens zou worden. De genade Gods werd aangeprezen en het eigenwerk van de mens verheerlijkt. Het geloof schreven deze monniken toe aan de natuurlijke wil, werd gemaakt tot een goed werk dat de mens heeft te volbrengen en volbrengen kan. De zondaar kan zichzelf tot een geestelijk mens maken, als hij maar het goede begeert en nastreeft, zichzelf de vreze Gods verwerft, kuis en zedig leeft, de Heilige Geest uitnodigt bij hem te komen, opdat Hij woning bij hem make. En zo komen zij er toe het zó te stellen: de Heere nodigt uit die wil en die verlangt, trekt Hij tot Zich, doch die geroepen wordt, moet de hand uitstrekken door gehoorzaamheid in eigen wil. Ja, zelfs zover ging deze monnikenleer, die de Kerk heeft gesanctioneerd, dat de zondaar, als hij maar wil, zelfs alle bijzondere genadegaven Gods kan vóór zijn, en dus Gods genade vóór is met zijn goede wil. Als er dan ook, Romeinen 9 vers 15, geschreven staat: “Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben”, dan moest dat betekenen: Ik zal barmhartig zijn, dien Ik rechtvaardig heb geacht en van wie Ik zag, dat hij Mijn geboden gehoorzaamde. De Heere geeft slechts de leer, de wet en het Evangelie, de mens heeft deze maar aan te nemen en van de werking van de Heilige Geest in het hart van de zondaars moet men in het geheel niet spreken.

(Wordt DV Vervolgd)
© -DIA-

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 27 Aug 2022, 01:07

Even een wat langer stuk, misschien dat sommigen het wat langdradig vinden... Ik denk ook dat ik enkele stukken heb overgeslagen. Het is nogal snel gekopieerd en geplakt, en nu blijkt dat niet alles in de juiste volgorde staat... er kunnen dus enkele stukjes dubbel geplaatst zijn en wat ook mogelijk is dat ik enkele stukjes heb overgeslagen. Maar in grote lijnen is het wel te volgen. In totaal beslaan de artikelen die ik hier citeer op mijn pc 398 bladzijden. Om dit alles te kopiëren vindt ik best veel. (Voor de duidelijkheid, ik gebruik Cambria 24 pnt., dus wellicht wat groter dan mensen met een goed zicht) Misschien dat ik er de belangrijkste en meest actuele zaken uit moet lichten om hier ter lezing aan te bieden... Ik heb de tekst voornamelijk bij de naamvallen iets herzien, dus een heel lichte taalkundige herziening.

De Kerk heeft er steeds naar gestreefd elke schijn te vermijden, als zou de leer van de vrijmachtige genade Gods in de redding van de zondaar, en de daarmee noodzakelijk samenhangende leer der predestinatie God maken tot auteur van de zonde. Haar bezorgdheid in dat stuk is zeker niet zonder grond, daar zo nu en dan onder de druk van een valse consequentie-zucht er mensen opstonden, die door een rationalistische mentaliteit geleid, tot een beschouwing kwamen, waarbij, geheel in strijd met het zedelijk wezen van de mens, de zondaar zichzelf de gelegenheid verschaft tot vrijspreking van schuld, door deze af te wentelen op de Almachtige. Dit is de herhaling van hetgeen reeds in de dagen van de profeten gebeurde, toen er waren, die tot Hem zeiden: „Waarom hebt Gij nu mij alzo gemaakt?” Tegen zulke leeropvattingen, die het wezen der religie aantasten Gods eer krenken, is waakzaamheid van de Kerk geboden. Doch daartegenover dreigt nu ook het gevaar, dat aan de andere zijde Gods eer zou worden aangetast, wanneer Hij, die gezegd heeft: „Ik ben de eerste en de laatste”, in het werk van de zaligmaking van Gods volk slechts een hulp zou brengen aan de mens, die door zijn eigen goede wil zichzelf kon redden. God is de God van Zijn volk en Hij heeft het van eeuwigheid verkoren in Zijn Zoon. die dus ook van eeuwigheid bereid is dat werk van de zaligmaking te volbrengen, zodat Hij in de volheid des tijds als onze enige Hogepriester getrouw is geweest om te doen al wat bij God te doen is om de zonde des volks te verzoenen. Al wat te doen is, niets uitgezonderd. En elke leer, die daarvan afdoet, door aan de gevallen zondaar ook maar enig vermogen toe te kennen, waardoor aan de volstrektheid van het genadewerk wordt afgedaan, tast eveneens de eer van God onze Zaligmaker aan. De apostel zegt het met nadruk: „Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker en Zijne liefde tot de mensen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijne grote barmhartigheid door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing des Heiligen Geestes."

Hierin is alles gegeven, dat wij behoeven. En ook daaraan kan niet worden afgedaan, ook niet door één zucht de zondaar toe te schrijven als een vrucht van zijn wilsdaad.
Daarom is het te verstaan, dat Rabanus Maurus het drijven van Gottschalk met enige bezorgdheid gadesloeg. Doch aan de andere kant was het ook begrijpelijk, dat Gottschalk niet zonder zorg het Pelagiaanse drijven opmerkte, dat de monniken-wereld steeds verder van Augustinus' leer afbracht. En zoals nu Gottschalk een tweevoudige predestinatie leerde om de absoluutheid van Gods genadewerk voor te stellen, zo kwam nu Rabanus Maurus met een tweevoudige beschouwing van andere aard. De tot het leven verkorenen, dankten dit aan de volstrekte genadedaad Gods, vrucht van de eeuwige voor-verordinering, dat gold dus de „praedestinati", terwijl degenen, die verloren gingen, dit niet dankten aan een eeuwig raadsbesluit Gods, maar voorwaardelijk gekend waren als bozen, tot verlorenheid gekend, zodat zij als „presciti", als vooraf gekenden, in de voorwetenschap Gods wel ten verderve opgeschreven stonden voor de straf, die God te voren voor hen bestemd had. En zo kwam Rabanus Maurus dus van zelf tot een algemene verzoening. In Adam hadden allen gezondigd, allen de dood verdiend en die verloren gingen, bleven overgelaten aan zichzelf en verdienden alzo hun eigen verderf. Alleen de gepredestineerden dus werden zalig door de genade, die God hun schonk. En zij die waren „praesciti" voor het verderf, de ten dode opgeschrevenen verdienden zichzelf hun eigen lot.

Zo stond dus eigenlijk het geschil tussen Rabanus Maurus en Gottschalk, toen deze in 847 terugkwam van een bedevaart naar Rome, te Verona den aldaar pas benoemden bisschop Notting ontmoette en aan hem ook zijn opvatting van de dubbele predestinatie voorlegde. Korte tijd later kwam Notting aan het hof van Lodewijk de Vrome met Rabanus Maurus in aanraking, die juist bisschop van Mainz geworden was. Zo hadden deze twee pas benoemde bisschoppen aanleiding met elkaar over Gottschalk's leer zich te verstaan. Het schijnt, dat deze ontmoeting Rabanus prikkelde tot een vinnige tegenstand tegen diezelfde Gottschalk, die hij eenmaal door keizerlijke invloed had weerhouden de monnikenstand te verlaten. Althans Rabanus schreef twee traktaten. waarvan het ene bestemd was voor Graaf Eberhard van Verona en het andere voor bisschop Notting. De toon die hij in deze geschriften aansloeg, was van bitterheid niet vrij te pleiten, ook legde hij aan Gottschalk allerlei gevolgtrekkingen ten laste, die meer van een boze gezindheid dan van broederlijke liefde getuigden. Inderdaad kwam op deze wijze de onverzoenlijke tegenstelling, die er, ook afgezien van dit vraagstuk, tussen deze beide mensen bestond, zeer duidelijk aan de dag.

Hij liet b.v. Gottschalk zeggen, dat God de mensen dwong krachtens de voorbeschikking, zodat wie niet uitverkoren was, ook al begeerde hij nog zo vurig de zaligheid, toch moest verloren gaan. Dit nu was eigenlijk een valse beschuldiging, daar Gottschalk zich nooit zulke uitspraken had laten ontvallen. De zonde had hij nimmer afgeleid van Gods daad. Zo wees Rabanus Maurus op allerlei schadelijke gevolgen van Gottschalk's leer, waarvan Gottschalk allerminst kon worden beschuldigd. Sommigen zouden tot valse gerustheid, anderen tot wanhoop zijn gebracht. Er werd dus alles gedaan om Gottschalk in een kwaad daglicht te stellen. Geen wonder, dat Gottschalk, die door Notting met Rabanus' schrijven bekend werd gemaakt, pijnlijk getroffen werd, toen hij zich als een dwaalleraar aan de kaak zag gesteld. En wat ook vanzelf spreekt, hij ontdekte gemakkelijk in Rabanus' geschrift de sporen van Pelagius. Zo zeker voelde zich Gottschalk, dat hij in 848 persoonlijk naar Mainz ging om zich met Rabanus Maurus over hun geschilpunt te onderhouden. Zelfs aarzelde hij niet voor een kerkvergadering te verschijnen, die onder leiding van de aartsbisschop en zelfs in de tegenwoordigheid van de koning, gehouden werd.
Gottschalk leverde een schriftelijke verdediging in, waarin hij leerde, dat Christus niet voor allen zonder onderscheid was gestorven en dus ook niet wilde erkennen, dat als er geschreven stond: „God wil, dat alle mensen zalig worden", men dit niet op allen, dus ook op de verworpenen mocht toepassen. Gottschalk bleef dus consequent en onderscheidde zich daardoor van Rabanus, die wel vasthield aan het woord, dat God wil, dat alle mensen zalig worden en ook, dat Christus voor allen gestorven is, maar deze woorden weer te niet deed, door de zaligheid ten slotte alleen tot de uitverkorenen te beperken, aan wie alleen de genade geschonken werd.

Doch het lag voor de hand dat op een vergadering, die geheel onder Rabanus' leiding stond en die hem toch reeds niet gunstig gezind was, Gottschalk geen recht geschieden kon. Het resultaat was dan ook, dat zijn leer ketterij werd geoordeeld en daar men over Gottschalk zelf, die tot een ander kerkgebied behoorde, geen vonnis geven kon, werd besloten aan Hinkmar, de aartsbisschop van Reims, onder wiens rechtsgebied hij ressorteerde, een schrijven te richten, waarin deze werd uitgenodigd deze ketterse monnik onschadelijk te maken. Daar kwam Gottschalk om zo te zeggen, van de regen in de drup, want ook deze Hinkmar van Reims was hem, blijkens de wijze, waarop hij over hem spreekt, alles behalve gunstig gezind. Hij noemt hem een „habitu monachus", naar het uiterlijk een monnik, ,,mente ferinus", dierlijk naar den geest. En van zijne leer, dat zij van bijna alle die verkeerdheden Joeditas et caenulentas feces', de verrotte en smerige droesem" in zich vervatte (Hinkmari etc. Opera, Lutetiae Parisiorum, 1645, T. I, f. zo.). Hoewel men nu zulke geweldige uitdrukkingen niet zoo precies moet wegen naar den maatstaf van onze schijnbaar minder grovere gevoelens, blijkt er toch wel uit, dat Gottschalk nu niet bepaald in handen van vriendelijk gezinde broederen was gevallen. Toch heeft hem, het mag tot 's mans eer gezegd worden, dit niet verhinderd zijne dogmatische beschouwingen met vrijmoedigheid te verdedigen en ook weigerde hij een herroeping.

(Wordt DV vervolgd)
© -DIA-

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 30 Aug 2022, 00:26

Een klein stukje, vervolg van het vorige stukje. Misschien voor iedereen wel goed om te zien hoe in de kerkgeschiedenis steeds de oude dwalingen in een nieuw jasje weer opkomen. We lazen dat het de kennis van de reformatorische leer schrikbarend afnam, daarom ook zou het goed zij als we die onderkennen.

Dan hier het vervolg, wat u ook kan vinden via Digibron, allen ik heb de spelling licht aangepast, bv. menschen wordt dan mensen,
zoo wordt zo,
tusschen wordt tussen,
der wordt van de, behalve in staande uitdrukkingen.
enz.

De beginselen, die ons in Gods Woord geopenbaard werden en de invloed der niet-Christelijke wereldbeschouwingen, die in de wereld in de oude tijden gangbaar waren, hebben dus geleid tot een groot conflict in de Kerk. Feitelijk bestaat dit nog, want al liggen er vele eeuwen tussen den Pelagiaanse strijd en heden, bij alle veranderingen, die er in de wereld zijn ingetreden, zijn toch de mensen niet wezenlijk veranderd. De vooruitgang der wereld op het gebied van wetenschap en techniek, van cultuur dan in het algemeen, heeft niet daartoe gestrekt, dat de mensen zedelijk en godsdienstig ook vooruit gegaan zijn. Integendeel, juist de vooruitgang op technisch gebied heeft er toe gestrekt, dat deze hulpmiddelen vaak in dienst gesteld worden van de boosheid der mensen, zodat het verderf nog veel groter omvang soms verkregen heeft. De mens blijft onder dat alles zichzelf gelijk. Het is daarom ook begrijpelijk, dat steeds meer op allerlei gebied van het geestelijk leven dezelfde vragen aan den dag treden.

Zoals wij dit nu reeds enige malen hebben aangewezen, werden in de dagen van Augustinus dezelfde opmerkingen gemaakt over de verhouding van den wil des mensen en de genade Gods, als wij ook in onzen tijd kunnen beluisteren. Wij wezen daarop om ons Herv. Gereformeerde volk te doen verstaan, dat alle ketterijen al zeer oud zijn en wij er dus niet van behoeven te schrikken, want Gods waarheid staat er niet minder vast om. Daarom is er nog één geschrift uit dien ouden tijd. waarover ik een en ander meedelen zal, omdat het zelfde beweringen raakt, die ook onder ons nog al eens worden gehoord. Behalve de geschriften van Prosper en de zijnen, die de strekking hebben Augustinus' leer te doen bevestigen door de Kerk, is er nog een ander geschrift van belang, dat eveneens geboren werd uit den geest van Augustinus en op een scherpzinnige wijze tracht een verzoenende invloed te oefenen door op klare wijze te streven naar een verzachting van alle scherpe kanten. De schrijver van dat boek is niet bekend, maar de invloed ervan was niet minder groot.

Dat geschrift was getiteld: Over de roeping der volken (De vocatione gentium). De schrijver wilde, zoals hij zelve zegt, als een verzoener tussen de elkaar fel bestrijdende partijen optreden. Doch dit neemt niet weg, dat hij van ganser harte zich met Augustinus één gevoelde en diens leer ingang trachtte te verschaffen door deze voor te dragen op een wijze, die de tegenstander zo min mogelijk prikkelde. Doch hoewel hij van Augustinus' beginselen uitging, betekent dit allerminst, dat hij daarbij bleef staan. De schrijver was ongetwijfeld een zelfstandig denker, die, hoewel van Augustinus' leer overtuigd, haar toch eigenlijk in zeker opzicht tot een nieuwe ontwikkeling bracht. Hij stelt zich dan ook terstond midden in de kwesties, die destijds zulk een grote beroering verwekten en wilde een onderzoek instellen naar de betrekking tussen de genadewerking en de vrije wil in het leven van den zondaar. Zijn uitgangspunt nam hij daartoe in Paulus' woord aan Timotheüs, waar hij van God onzen Zaligmaker zegt: „Welke wil, dat alle mensen zalig worden en tot kennis der waarheid komen."
Uit dit woord trok hij deze twee grondstellingen:
1e. dat God alle mensen zalig maken wil; 2e. dat een zondaar alleen door de werking der genade tot kennis der waarheid en tot een delen in het heil gebracht kan worden en daartoe niet komt door eigen verdienste.

De werkelijkheid leert echter als een onafwijsbaar feit, dat niet alle mensen werkelijk zalig worden. Zo brengt ons dit geschrift tot de kennis van een verborgen wil Gods, van een verborgenheid, die God Zich heeft voorbehouden en Hij dus niet heeft geopenbaard, dus precies zoals de apostel Paulus het ons leert, als hij aan deze verborgenheid toegekomen, uitroept: „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijne wegen!" (Rom. 11 : 33). Zo leert dus dit geschrift te onderscheiden tussen hetgeen ons als zeker en vast staand bekend is en hetgeen ons wezenlijk verborgen bleef. Hier hebben wij dus van doen met een zeer diepgeworteld geloof in de heerlijkheid van Gods Wezen, want het leven der mensheid verschijnt hier onder een eeuwig licht. Doch hij gaat daarbij niet om buiten de werkelijkheid, neemt den mens precies zoals deze is. Hij gaat er dus van uit, dat in elke mensenziel van nature een wil is gegrond, waardoor wordt begeerd, wat haar behaagt of ook wordt afgeweerd wat haar niet behaagt.

In de mens, zoals hij na den val geworden is, dus in de zondaar, werkt deze wil enerzijds onder de druk van het zinlijke, anderzijds onder zielkundige aandrift. Bij de eerste werking hebben wij dus van doen met het lichamelijke, het vleselijke, zoals dit bij een kind valt waar te nemen. Bij de tweede vorm hebben wij van doen met het streven niet naar de hoogste en goddelijke goederen, maar naar het aardse goed. De zondaar komt niet boven de zelfzucht uit, ook dan niet als hij zedelijke idealen nastreven wil, of zelfs over bovenzinnelijke dingen gaat nadenken. Hij komt niet tot het waarachtig goede en God welbehaaglijke, blijft dus in zijn zondige zelfzucht besloten. Zolang een zondaar niet uit de liefde Gods leeft, brengt hij slechts het goddeloze voort. Zonder de dienst van de ware God (cultus veri Dei), dat is dus zonder een leven uit God, kan de mens niets voortbrengen, dat Gode behagen kan. Door de val toch is de mens beroofd niet van de wil, noch van de aandrift om na te streven hetgeen behaagt, maar die aandrift gaat niet meer uit naar God. De liefde Gods is in den gevallen zondaar gestorven. Hetgeen deugd schijnt te zijn is nog zonde. Wie de waarachtige God niet behaagt, behaagt alleen zichzelf en de duivel. Uit zichzelf, met zijne natuurlijke krachten en vermogens. is de mens onbekwaam het zondebederf te overwinnen en vindt hij ook in zichzelf geen beginsel, dat als uitgangspunt van vernieuwing gelden kan (nemo in se unde repararetur invenit). Daarvoor is volstrekt onmisbaar de gave der genade en van de Heilige Geest, waardoor alleen de wil een waarlijk geestelijke wil worden kan. De genade is alleen oorzaak van de waarlijk goede wil.

Doch nu wil hij daarbij nadrukkelijk in het licht stellen, dat die werking der genade nu niet als een natuurkracht mag beschouwd worden, alsof zij een nieuw wilswezen in de zondaar legt, want de wil blijft de wil, maar de genade werkt in en door de wil, zodat de wil in dienst wordt gesteld van de wederbarende werkzaamheid van de Geest. De Geest Gods past zich aan den wil aan, zodat er van een verlichting niet van buiten af, maar van binnen uit sprake is. De genade werkt niet als de wet, die de vrees en dienstbaarheid werkt, maar in het hart werkt zij door de daad der ontferming den troost van de vergeving der zonden, de warmte der liefde en ook door de vrees voor Gods heilig recht. De genade overwint dus den tegenstand in den zondaar zonder deze geweld aan te doen. Zij schrijft de wet in het hart, doet een geestelijk mens geboren worden, die de Heere aanhangt, eens geestes met Hem is, zodat door de gemeenschap tussen Hem, die verlicht en hem, die verlicht wordt, van Hem, die rechtvaardigt en hem, die gerechtvaardigd wordt, Hem, die heerst en hem, die onderworpen is, alle handeling op het Ene wordt teruggebracht, dat aan beiden toekomt (omnis actio ad unum referatur, et quod ad unum referatur utrriusque est). Van God kan niet worden gescheiden hetgeen Hij gegeven heeft, noch van de mens genomen hetgeen hij ontvangen heeft.

Zo sluiten dus de genade van God en de menselijke vrijheid elkaar uit en blijft dus alle menselijke verdienste genadedaad Gods. Maar als de schrijver dit op zo schone wijze ontwikkeld heeft, dan brengt hij ons in de wereld, zoals hij en zoals wij haar kennen ook in onze dagen. En dan stelt hij ons voor dat woord uit 1 Timotheüs 2 : 4, om onderscheid te maken tussen een algemene en een bijzondere genade. Die algemene genade heeft den mens nooit en nergens ontbroken. Zij wordt getekend in het woord van Barnabas en Paulus, te Lystre gesproken van de levende God, ,,die hemel en aarde gemaakt heeft en de zee en al hetgeen in dezelve is, die in verleden tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hunne wegen, hoewel Hij nochtans Zichzelf niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons zegen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid". Zo wordt er gewezen op een Oer-openbaring aan de mensheid op de goedheid Gods, op Zijn voorzienigheid en op het natuurlijk licht van de waarheid, zelfs de regenboog aan de hemel sprak daarvan. Zelfs aan Kaïn en zijn geslacht liet Hij zich niet onbetuigd. En waar de mens er geen oog voor heeft, is toch de vrucht. Er werkt dan ook een veelvuldige genade, verscheiden naar tijden en personen. En wie naar de laatste grond vraagt van dit alles, komt voor de verborgenheid Gods, waarvoor de mens heeft te zwijgen en te buigen. Doch die gronden liggen niet in de verdiensten van de mens, maar alleen in de vrijmacht van Gods genade.

Het vruchtgevolg, dat leert de ervaring, is dat velen in hun zelfzucht besloten blijven en het Woord des Heeren hun een reuke des doods blijkt, al is er een roep in om Gods aangezicht te zoeken. En zo werd reeds in dat geschrift, welks schrijver onbekend bleef, de hoofdsom gegeven: die nog heden ten dage kan worden gehoord: Wie behouden wordt, dankt dit aan de genade, wie verloren gaat, gaat door eigen schuld verloren. Zo kwam deze onbekende schrijver tot het leerstuk van een particuliere genade, waaronder hij verstaat Gods heilsopenbaring in Christus, die voor allen gestorven is, de verkondiging van het Evangelie en de werking van de Geest in de harten. Deze particuliere genade valt echter niet allen ten deel, doch slechts zij ontvangen haar, aan wie zij naar Gods verborgen Raad wordt bereid.
Deze bijzondere genade baart het geloof in Christus en buigt daarmede de wil om. Zonder deze bijzondere genade wordt niemand wezenlijk zalig. Onder de Pinksterprediking werd zij ten volle openbaar, en sinds werd zij uitgedragen onder alle volken, terwijl in Israëls verkiezing zij als voorafgeschaduwd werd. Waar, zoals onder de Christenheid, de algemene en de bijzondere genade samenwerken, daar blijkt, hoe de goddelijke genade en menselijke vrijheid elkaar niet uitsluiten. Alleen Gods genade komt de eerste plaats toe. Door vermaning lokt zij aan, door gevaren schrikt zij af, door wonderen dringt zij, zodat het inzicht geboren wordt en het besluit wordt genomen, het hart verlicht en het geloof wordt gewekt. Daardoor wordt de wil gebogen zich tot Gods werk te voegen. En zo begint het leven, waarin alle inzinking verklaard wordt uit de veranderlijkheid van den wil, alle voortgang uit de hulp der genade. Alle geestelijke gave vloeit dus voort uit de genade.

Zo blijkt dit geschrift (de vocatione gentium) over de roeping der volken in de strijd, die het Pelagianisme opriep, één der gewichtigste theologische stukken, waarin met grote klaarheid de waarheid, zoals zij door Augustinus was voorgedragen, een heldere belichting ontving, die aan latere tijden predikte, dat reeds de oude Kerk een diep inzicht heeft gehad, dat maatgevend is voor alle eeuwen.

*Wordt DV vervolgd*
© -DIA-

Gebruikersavatar
refo
Berichten: 22952
Lid geworden op: 29 Dec 2001, 12:45

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor refo » 30 Aug 2022, 10:15

Zijn er mensen die deze lappen tekst lezen?

Gebruikersavatar
Hendrikus
Berichten: 16234
Lid geworden op: 10 Apr 2004, 09:37

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Hendrikus » 30 Aug 2022, 10:22

refo schreef:Zijn er mensen die deze lappen tekst lezen?

Ik betwijfel het. Maar goed, ieder z'n hobby.
~~Soli Deo Gloria~~

Gebruikersavatar
Mister
Administrator
Berichten: 10964
Lid geworden op: 25 Jul 2005, 12:06

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Mister » 30 Aug 2022, 11:15

-DIA- schreef:Een klein stukje, (...)


Wellicht is het goed om dan ook een klein, kernachtig stukje te doen i.p.v. een lap tekst van 2000 woorden. Vis de hoofdzaak uit de tekst en geef die weer. De kans dat het dan écht gelezen wordt, is groter.

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 30 Aug 2022, 11:27

Mister schreef:
-DIA- schreef:Een klein stukje, (...)


Wellicht is het goed om dan ook een klein, kernachtig stukje te doen i.p.v. een lap tekst van 2000 woorden. Vis de hoofdzaak uit de tekst en geef die weer. De kans dat het dan écht gelezen wordt, is groter.

Daar dacht ik ook wel aan :) , maar ik heb nog zoveel tekst die ik nog moet herzien, dat, als ik dat in kleine stukskes doe, ik niet weet of ik daar mee klaarkom. Het zijn woorden die veel doorleefde wijsheid bevatten en die elk veel kunnen leren. Ik begrijp ook dat het wel eens als wat langdradig kan ervaren worden. Maar we moeten beseffen dat dit uit de tijd stamt toen de mens nog meer de gave had om lange stukken geconcentreerd te kunnen lezen. De inhoud is van veel nu, zo ik acht. Hoe kon de Kerk rooms worden? Ging dat zomaar vanzelf? En dan zie je tegelijk dat oude dwalingen altijd weer terugkomen, vaak in een nieuw jasje, met vertrouwde woorden die dan een andere lading krijgen.
Maar inderdaad, een lang stuk kan de mens van nu ook afschrikken. Dan schiet ik mijn doel voorbij. Ik probeer daar rekening mee te houden. :)
© -DIA-

Marco
Berichten: 3561
Lid geworden op: 31 Jul 2007, 13:55
Locatie: Waddinxveen

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor Marco » 30 Aug 2022, 11:46

De lappen tekst over Pelagius mogen interessant zijn (moet je er wel tijd voor hebben), maar belangrijker is aan te geven wáár dit in onze kerken terug komt. Je kunt wel keer op keer zeggen dát het in de kerken speelt, maar uiteindelijk heb je daar niet zoveel aan.

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 30 Aug 2022, 14:51

Hendrikus schreef:
refo schreef:Zijn er mensen die deze lappen tekst lezen?

Ik betwijfel het. Maar goed, ieder z'n hobby.

Nee dat is het toch niet. Het is geen hobby, maar we hebben toch de wetenschap te leren?
En we denken ook aan wat de Spreukendichter ons leert: Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

En ook andere teksten die ons wijzen op het nut van de wetenschap. Zomaar wat voorbeelden:
    * Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief, maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
    * Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
    * Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
    * Neig uw oor en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap.
    * De vreze des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
En dan spreekt ook de Opperste Wijsheid:
    * Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vind de kennis van alle bedachtzaamheid.
    * Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?

Deze wetenschap en wijsheid is niet iets wat men op een Hogeschool of een universiteit leert, maar dat zijn de dingen die de eenvoudigen leren die door de Wijsheid Zelf worden ondewezen
Helaas lezen we veel dat de kennis weggenomen wordt, en we merken dat ook wel metterdaad.
© -DIA-

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 06 Sep 2022, 00:04

Ik sla nu een heel stuk over. De strubbelingen en ellenden uit de tijd van Gottschalk en Rabanus Maurus, hoewel wel leerzaam, slaan we nu verder over. We komen nu tot de tijd van Thomas van Aquino. Een van de belangrijkste figuren uit de Scholastiek, die in de middeleeuwen de kerk beheerste, met namen onder hen die de rede hoog achten.
Hieronder weer een citaat, nu dus over een verdere ontwikkeling waar in feite de leer van Augustinus niet meer zo hoog opliep. Dat leer eigenlijk een meer gepasseerd station. De kerk was nu veel verder verroomst. Voor de duidelijkheid heb ik
a: een korter stukje geplaatst en
b: het stukje van tussenkopjes voorzien.


Citaat:
Invloed op het Gereformeerd Protestantisme.
De geschiedenis heeft dan ook geleerd, dat de Middeleeuws Kerk, met haar veelkleurige filosofische theologische stromingen, want de richting van Thomas Aquinas was niet de enige, is uitgemond in de tijd, waarin de Renaissance de welbewuste poging deed, het heidendom weer tot heerschappij te brengen in het Westen. Zij is de grote ondermijnende macht geweest, die in de Roomse Kerk de toestanden baarde, waartegen een reformatorische beweging moest opkomen, die de uitwendige eenheid onherroepelijk moest verbreken. De middeleeuwse Kerk is goeddeels vermolmd door haar filosofieën. En later is het met de reformatorische kerken evenzo gegaan. En ook heden ten dage knagen filosofische wormen aan de gezondheid van het Gereformeerde Protestantisme.

De toestand van de kerk in Duisland na de Eerste Wereldoorlog
De toestand van de Duitse Lutherse Kerk, haar vernedering, haar onmacht, zelfs het ineenzinken van Duitslands kracht in de oorlog (1914-1918), is in laatste instantie te verklaren uit de religieuze vermolming van het volksleven door een filosofisch streven, dat de religie aantastte in haar hart, het volk heeft ontkerstend, de kerken leegpompte, het materialisme van Marx tot het hoogtepunt van zijn macht heeft gebracht, waarop het precies gebleken is in zijn vernielend vermogen de demon te zijn, die de ruggengraat van het Duitse volk had gebroken. Moge de ervaring leren, dat de druk op de Kerk strekken tot haar wedergeboorte, opdat zij andermaal de kracht worde, waaruit het volk alleen waarachtig leven kan. De ervaring zal ook in Duitsland leren, dat niet in een eenmaal overwonnen heidendom de kracht kan liggen tot herstel. De wereldhistorie kan niet op haar schreden terugkeren. De poging, die in sommige Duitse kringen gedaan wordt om weer tot het oude Germanendom terug te keren is een dwaasheid. De verschijning van Christus kan Duitsland niet ongedaan maken. Een nationaalsocialisme, dat dit tracht te bereiken, is vooral niet beter dan het Marxisme, dat het vervloekt. De weg naar ware consolidatie kan alleen liggen in verdieping van het Christelijk leven, in herstel der levenskracht van de Christelijke Kerk. Dezelfde dwaling, die de middeleeuwse Kerk heeft gebroken in haar eenheid, heeft ook de kracht van het Duitse volk gesloopt.

Waarschuwing, ook aan Hervormd-Gereformeerde predikanten
Wij laten op deze dingen daarom het licht vallen, om de Hervormde Gereformeerde predikanten en studenten te waarschuwen, want ook in het vraagstuk, dat in het Remonstrantisme voor ons ligt, heeft de wijsbegeerte van de Middeleeuwen een groot aandeel. De godgeleerdheid van de Roomse Kerk staat in het teken van een heidense wijsbegeerte en heeft voor de terugdringing van de leer van de volstrekte genade, in Christus verschenen, zeer grote betekenis gehad. De beschouwing, zowel van den mens in den staat der rechtheid, van zijn val en de gevolgen daarvan, hangt samen met de wijsgerige achtergrond van de Roomse kerkleer. De oorsprong van deze beschouwing ligt niet in de Schrift, maar in een heidense wijsbegeerte, waaraan men de Schriftuurlijke gegevens heeft trachten aan te passen. Zulk een aanpassing kon echter niet straffeloos geschieden, tastte uit de aard der zaak het Schriftuurlijke aan, om het te kunnen wringen in de wijsgerige vormen.

De invloed van Thomas van Aquino binnen de Roomse kerk.
Als wij dan ook de volgende maal op Thomas' leer iets nader ingaan, dan doen wij dat om de grote betekenis, die deze wijsgeer toekomt, al ware het slechts door de nauwe banden, die de hedendaagse Roomse kerkleer met Thomas verbinden, krachtens de aanbeveling, hem door paus Leo XIII gegeven in de bovengenoemde bul. Deze paus heeft de middeleeuwse denker tot de lichtende ster geproclameerd, die ook de moderne mensheid moet leiden op haar weg naar een tijd die de middeleeuwen in ere zal herstellen. Over de kansen op dat herstel kan men verschillend oordelen en over de wenselijkheid daarvan natuurlijk ook.
© -DIA-

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 14 Sep 2022, 15:01

Even tussendoor, voor wie het interesseert. Hier zien we hoe het denken van Thomas van Aquino in feite een leer is op basis van filosofie, wat nog steeds veel invloed heeft op de leer van de Rooms Katholieke kerk. Ik zei even tussendoor, het is dan een rijkelijk lange tekst, want in feite wilde ik verder, maar zou dit toch niet helemaal willen overslaan. Hier maken kennis met, ik zal maar zeggen, het filosofisch theologiseren van een van de invloedrijkste mensen in de Rooms Katholieke kerk. Nu zeggen we wellicht: dat is buiten ons. Toch niet, meen ik, ook in vanouds reformatorische kerken zie ik het theologiseren op basis van de filosofie duidelijk aanwezig. Dus niet alleen in kringen die willen weten dat ze remonstrants zijn.

Eerst citeer ik van de website van https://www.remonstranten.nl/wiki/geloof/filosofie/
Hier zien we ook hoe filosofie en theologie hand in hand gaan:

Filosofie en theologie
Maar filosofie en theologie vormen helemaal niet zo’n natuurlijke tegenstelling. Dat is iets van deze tijd. Filosofen denken vanouds na over God, over het goddelijke, het metafysische en het transcendente. Denk aan al die filosofische ‘godsbewijzen’ die in de loop van de geschiedenis opgesteld zijn. En veelal verwoordden filosofen hun godsbegrip en de zoektocht naar een echte God in de teksten die ze nalieten.

Geloof en rede
Voor Plato wees de natuur en de kennis ervan op een goddelijke autoriteit. ‘De astronomie dwingt de ziel om omhoog te kijken en leidt ons van deze wereld naar een andere’. Hij neemt het goddelijke waar als ‘De vorm van het Goede’.
Tot zover wat http://www.remonstenten.nl zegt.

Ook hier zien we de tegenstelling tussen Thomas van Aquino en Augustinus:
Augustinus had grote waardering voor het Christelijke evangelie, vanwege de troost die het bood. Iets dat hij miste in het werk van bijvoorbeeld Plato en Cicero, hoewel dat in zijn ogen wijze geschriften waren. Volgens de gelovige filosoof Thomas van Aquino moet geloof voortkomen uit rede. Descartes meende dat hij het bestaan van God kon aantonen door te denken, of eigenlijk door zijn eigen voorstellingsvermogen. Descartes’ theorie en benadering van de werkelijkheid zijn erg rationeel en daarmee ook zijn godsbeeld
Dan vanaf hier verder uit de artikelen die in de jaren 30 in het Gereformeerd Weekblad verschenen.
Hierna, zien (in volgende artikelen) hoe de kerk meer en meer verroomste en later de Reformatie.

Het denken van Thomas van Aquino
Thomas Aquinas beheerst tot de huidige dag de leer van de Rooms Katholieke Kerk. En zoals ik de vorige maal reeds opmerkte, is deze in haar wezen gedragen door de wijsbegeerte van Aristoteles, is zij eigenlijk een filosofie, boven welke hoofdmomenten Schriftwoorden af en toe als motto's verschijnen, die meer dienen tot illustratie, dan dat zij het uitgangspunt vormen van de leerstukken. De filosofie levert de grote lijnen, waarbinnen de Schriftuurlijke waarheden gegroepeerd worden. Dat datgene aan dit godgeleerde systeem een bijzonder karakter verleent, behoeft geen betoog, want aan de Griekse wijsbegeerte wordt alzo een overheersing toegekend, van de Christelijke waarheid, die voor hen die de Christelijke waarheid, zoals zij in de Heilige Schrift geopenbaard werd, rein wensen te houden, bedenkelijke gevolgen hebben moest. Filosofische verklaringen worden maar al te vaak ondergeschoven aan de Schriftuurlijke waarheid. In Thomas bereikten de filosofie en de Theologie der 13e eeuw haar rijkste ontwikkeling, die om zo te zeggen normatief is gebleven voor de volgende eeuwen.

Thomas gaat uit van de beschouwing van de wijsbegeerte, welke als doel heeft de kennis van de waarheid, voornamelijk van die waarheid, die bron is van alle andere waarheid, namelijk van de kennis Gods. Deze Godskennis is tweeërlei, want er zijn waarheden, die het menselijk verstand te boven gaan en er zijn waarheden, die de menselijke rede zich door eigen kracht verwerven kan. De waarheid is op zichzelf wel één, maar wij kennen haar op verschillende wijzen. Wij hebben toch geen onmiddellijke kennis van God, kunnen deze slechts verkrijgen uit de creaturen. Deze kennis echter is niet volkomen, want in het oneindige Wezen zijn vele dingen, die ons onvolmaakt kenvermogen niet kan bereiken. Zelfs onze kennis van de creaturen is zeer onvolkomen, hoeveel te meer dan die van het goddelijk Wezen. En zijn dan ook voor de kennis der goddelijke waarheden twee verschillende bronnen, namelijk openbaring en rede. De rede kan door eigen kracht enige verheven waarheden kennen, maar niet alle waarheid. Daarin nu komt haar de openbaring te hulp, door haar waarheden te openbaren, die boven de rede uitgaan, hoewel daarmee niet gezegd wordt, dat God ook nog wel op klaarder wijze aan het menselijk verstand openbaart hetgeen de rede zelf ontdekken kan. Doch aan zichzelf overgelaten, zouden de menschen slechts met veel moeite enkele van de grote waarheden bereiken. Dwaling zou zich mengen onder hetgeen de rede leerde kennen, daar onze vermogens beperkt zijn en wij bovendien de invloed van onze zinnen ondergaan. Zonder openbaring zouden velen de belangrijkste waarheden niet met zekerheid kennen. Zo acht Thomas het dus noodzakelijk, dat God ons redelijke waarheden openbaart, als ook dat Hij ons openbaart waarheden, die de rede te boven gaan. Dat is daarom nodig, opdat de mens zich zal gedrongen voelen te streven met alle wilskracht naar een einddoel, dat het aardse te boven gaat, tot een Godskennis te komen, die uitgaat boven hetgeen wij van Hem kunnen denken. Door openbaring leren wij, dat God een Wezen is, dat ons denken te boven gaat. De mens wordt daardoor zich bovendien van zijn beperktheid bewust. De openbaring is dus nodig om de mens supra-rationele waarheden te leren kennen, die waarheden, die op God betrekking hebben. Dit is voor sommige waarheden volstrekt nodig en voor andere slechts betrekkelijk. En zijn waarheden, die uitsluitend door openbaring, andere, die door onze rede tot op zekere hoogte gekend kunnen worden, doch deze kennis moet dan aangevuld worden, vergemakkelijkt door de openbaring.

Reeds uit deze weinige opmerkingen over het menselijk kenvermogen blijkt, dat we hier van doen hebben met wijsgerige vooronderstellingen aangaande drie staten van het verstand met betrekking tot de waarheid, die gekarakteriseerd worden door wat men noemt: mening, geloof en wetenschap. Doch het blijkt daaruit ook, dat op deze wijze het religieuze leven geheel verintellectualiseerd wordt. De apostel Paulus heeft het anders geleerd, toen hij verklaarde: "Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard." Hij spreekt van de onmiddellijke kennis Gods met en in het religieus bewustzijn gegeven. En het is ook duidelijk, dat met Thomas' kennisleer zijn beschouwing van de mens ten nauwste samenhangt. Als hij de staat van de oorspronkelijke gerechtigheid beschrijft, dan bestond deze volgens hem daarin, dat de rede Gode onderworpen was, zoals de lagere vermogens aan de rede en het lichaam aan de ziel. Zo tekent hij de mens in rechtheid als in een staat, waarbij de lagere vermogens aan de hogere gehoorzaamden. Zo was dus de mens krachtens schepping in ongereptheid, zodat hij krachtens zijn natuur Gods geboden kon betrachten, de zonde kon vermijden, God zijn Schepper boven alles kon liefhebben, als het hoogste doel kon nastreven om de zaligheid deelachtig te worden. Daarvoor was er nodig een samenwerking met God. Hij genoot van een volkomener Godskennis. Doch deze voorrechten van de mens in rechtheid waren niet de vrucht van zijn natuur, maar een bovennatuurlijke, een vrucht van de genade. Dank zij deze genadegave, was er de onderschikking van de lagere vermogens aan de rede, van het lichaam aan de ziel. Zij volgde uit de onderwerping van de rede aan God. Deze onderwerping van de rede aan God droeg dus een bovennatuurlijk karakter. Zo was dus de eerste mens geschapen in een staat van bovennatuurlijke genade, waardoor hij Gode aangenaam was. Hij kon verdienstelijk handelen en zich de bovennatuurlijke gelukzaligheid verwerven. Want deze bovennatuurlijke genadegave was bron van de hem ingestorte deugden, waardoor zijn vermogens gericht werden op het bovennatuurlijke doel, zodat hij bezat geloof, hoop en liefde en alle zedelijke deugden en was versierd met alle gaven van het bovennatuurlijke leven.

Door de zonde nu verloor de mens deze bovennatuurlijke genade en dus zijn gerechtigheid, daar de rede ophield in haar onderschikking aan God te blijven. De orde werd gestoord, want de rede verloor haar heerschappij over de lagere vermogens, zoals de ziel haar heerschappij over het lichaam verloor. In de plaats van gehoorzaamheid kwam de opstand. De menselijke natuur werd verdorven. De vlek en de straf van de zonde van de eerste mens gingen over op zijn nakomelingschap: de erfzonde.
In deze erfzonde moet nu tweeërlei onderscheiden, namelijk het materiële en het formele. Het laatste, het formele, bestaat in de beroving van de oorspronkelijke gerechtigheid, die vrucht was van de genade, het materiële bestond in de zedelijke ontwrichting, vrucht der disharmonie tussen de lagere vermogens en de rede: de begeerlijkheid. Deze is wel natuurlijk zo ver zij aan de rede onderworpen blijft, doch in haar verzet tegen de rede en de miskenning van haar rechten heeft zij de ongereptheid van zijn natuur aangetast. En dit vormt het materiële element van de erfzonde. De erfzonde is dus niet alleen een beroving, maar een verdorven hebbelijkheid, waardoor de menselijke natuur werd ontredderd. Het ontbreken van de oorspronkelijke gerechtigheid gaat dus met schuld gepaard als stammend uit de zonde van de eerste mens, een gebrek in de natuur, dat zijn uitgangspunt heeft in de zonde van den eersteling van ons geslacht.

De voortplanting van deze oorspronkelijke zonde wordt voltrokken door de voortbrengende daad, voor zover deze met de begeerlijkheid samenhangt, het materiële element in de erfzonde. Wanneer het embryo de menselijke natuur aanneemt, dat volgens Thomas eerst geschiedt, wanneer het reeds een periode van ontwikkeling heeft doorlopen, dan ontvangt de ziel de besmetting van de zonde, die zich dan uitbreidt over alle vermogens. Deze psychologische beschouwingen zijn Aristotelisch van karakter, want ook deze leerde, dat de redelijke ziel in het lichaam van buiten af intrad. Doch ook hierbij blijkt nu weer, hoezeer de Schriftuurlijke beschouwing op de achtergrond treedt voor de wijsgerige, want al wordt de ziel door het contact, waarin zij met de zonde gebracht wordt, verdorven, dan mag daaruit niet de gevolgtrekking gemaakt worden, dat zij in absolute zin verdorven werd. Zij werd daardoor niet beroofd van hare natuurlijke goederen. Dit bederf door de zonde is veeleer te waarderen als een doorwonding. In de plaats der onderschikking trad de wanorde, doch het wezenlijke van de menselijke natuur bleef. Niet alle daden van de mens zijn als zonde te beschouwen. Slechts is er een verzwakking ingetreden, zodat de mens niet meer de gehele wet doen kan. Hij kan wel de zonde vermijden, doch als hij aan zichzelf overgelaten is, kan het niet lang duren, of hij zal weer vallen. Doch daar hij altijd zonden vermijden kan, blijft hij verantwoordelijk voor het kwade, dat hij doet. De zondeval vernietigt niet de menselijke vrijheid. Hieruit blijkt dus, dat Thomas over de zondestaat van de mens anders oordeelt dan Augustinus. En daarom moet hij ook een andere beschouwing hebben over de genade.

Thomas onderscheidt drieërlei genade: een bewegende genade, die den mens dringt om een goed werk te doen en hem daarbij helpt; een hebbelijke genade, waardoor de mens van zijn bederf genezen tot een bovennatuurlijke staat wordt verheven, zodat hij verdienstelijke werken doen kan, die de natuurlijke kracht te boven gaan. De bewegende genade moet dus bij de hebbelijke komen. Zonder medewerking van God kan geen schepsel handelen, terwijl anderzijds, de heiligende genade, hoewel zij de wonden van de ziel geneest, toch de begeerlijkheid niet geheel wegneemt, zodat de mens Gods helpende genade behoeft om de hinderpalen te overwinnen, die de begeerlijkheid aan de oefening van het goede in de weg legt. En eindelijk kent hij een genade, die om niet gegeven wordt (gratia gratis data), die van tijd tot tijd gegeven wordt aan een mens, opdat daardoor zondaren tot God gebracht zullen worden. In tegenstelling met deze „gratis" geschonken genade, noemt hij de hebbelijke genade en de bewegende genade "gratum faciens", d.w.z. dat deze vormen van genade ten doel hebben de mens, die deze ontvangt, bij God aangenaam te maken. De genadevormen, die bij God aangenaam maken, doen zich in de mens gelden en werken met zijn handelingen mee, helpen zijn wil, terwijl de bewegende genade tot de hebbelijke genade bereidt. Doch aan de bewegende genade gaat een voorbereiding vooraf, want zij is de voorwaarde voor het ontvangen der andere genadevormen. Het ingieten van de hebbelijke genade geschiedt door de Sacramenten, die de bronnen zijn, waardoor ons goddelijke genade toekomt. De Sacramenten zijn dus niet alleen tekenen, maar instrumentele oorzaken, die de genade voortbrengen. En het is taak van de mens er voor te zorgen, dat aan deze door de Sacramenten voortgebrachte genade geen hinderpaal in den weg wordt gesteld.

De vrucht der genade is volgens Thomas de rechtvaardiging. De vrijspraak van den misstap is niet mogelijk zonder ingieting der hebbelijke genade, want deze hebbelijke genade is vrucht van de liefde van Christus, die juist in deze hebbelijke genade haar effect verkrijgt in den mens. Rechtvaardiging sluit vergeving in en veronderstelt alzo hebbelijke genade. Toch is hiermee de rechtvaardiging slechts ten dele tot stand gebracht, want God moet de mens rechtvaardigen in overeenstemming met de vrijheid van het schepsel. De vrije wil moet voorbereid worden, opdat de genade vrijelijk worde ontvangen. Deze ontvangst van genade vooronderstelt nu voorafgaande schikkingen: bekering tot God door het geloof, afkeer van de zonde door berouw en boete. Er zijn dus vier elementen in de rechtvaardiging te onderscheiden, namelijk: ingieting der hebbelijke genade, vrijwillige terugkeer tot God door geloof, afkering van de zonde door berouw; vindt de rechtvaardiging hare voltooiing in de vergeving der zonde. Doch hoewel deze vier elementen onderscheiden worden, is de rechtvaardiging toch één, en is de ingieting der genade voorwaarde van alles, dat daarbij aansluit. De mens herkrijgt alzo de gerechtigheid, die hij door de zonde verloor. Hij schikt zich weder onder God en verkrijgt de genade zijne hartstochten te houden onder de heerschappij der rede.
Reeds hieruit blijkt, dat wij bij Thomas van doen hebben met een leer, waarin de vrije wil den toon aangeeft, al wordt dan ook de genade voorgesteld als de in actie-zetting van de wilswerking, die door haar op het goede wordt gericht.
© -DIA-

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 19 Sep 2022, 22:55

Helaas voor sommigen, (zo er al enigen zijn die deze verhandelingen nog lezen), moet het deze keer weer een vrij groot stuk tekst wordt (voor hedendaagse forumbegrippen dan). Ik heb voor de duidelijkheid enkele tussenkopjes geplaatst.
Het gaat nu over de tijd die rijp werd voor de Reformatie. Verschillende bewegingen hebben zich voorgedaan in de tijd dat de Roomse Kerk oppermachtig scheen. Na in feite zichzelf als ongelofelijk te hebben gemaakt kwamen er dus bewegingen op die naar reformatie streefden. Dan moeten we dus wel denken aan bewegingen binnen de RKK van die tijd.


Ik citeer weer verder.
Voorbereidingen voor verandering.
De Reformatie is niet plotseling uit de lucht komen vallen. Zij is geboren, procesmatig geworden als het noodzakelijk gevolg van de verwording van de Kerk. Zoals wij al met enkele algemene opmerkingen de aandacht hebben gevestigd op de veelvuldige verscheidenheid van geestelijke stromingen, die tegen het einde van de middeleeuwen zich in Europa zich openbaarden, zo moet ook in het oog worden gehouden, dat er bovendien allerlei sociale bewegingen enerzijds en een herleving van de oude heidense wereldbeschouwing anderzijds in de zogenaamde Renaissance verschenen. De geestelijke eenvormigheid, die voorheen in West-Europa de scepter voerde, had plaats gemaakt voor een geweldige verwarring.
De Christelijke Kerk was onder het juk van haar hiërarchie tot een mummie geworden en het geestelijk leven, geloof en zeden, verkeerden in een diep verval. Het was een tijd, die veel overeenkomst vertoont met de hedendaagse wereld. (jaren 30 van de 20e eeuw, DIA).

Uitwendige belijdenis, maar in strijd met Augustinus.
De oude leer had nog in sommige kringen haar gezag behouden. Uitwendig, oppervlakkig gezien, golden Augustinus' leervoorstellingen aangaande zonde en genade. Het was er mee als in de Hervormde Kerk met de leer. Officieel is die nog de enig rechtsgeldige in de Kerk, maar in de werkelijkheid waaien er allerlei winden van leer. Zo ook bij de uitgang van de middeleeuwen. Onder de invloed van de al verstarrende hiërarchie, van allerlei filosofie, was de leer in de werkelijkheid Semipelagiaans en soms nog erger dan dat. Met name liepen er geheel verkeerde leervormen met betrekking tot de praktijk van het geestelijk leven, evenals dit ook maar al te zeer onder ons heden ten dage (jaren 30, 20e eeuw, DIA) het geval is, b.v. over de toe-eigening des heils, over het geloof, de rechtvaardigmaking, sacramenten. En onder dit bederf werd het wezenlijke Evangelie feitelijk verdonkeremaand.

Een ander hoofd, en een leger van heiligen.
Christus werd niet meer als de Heere onze gerechtigheid aan het volk voorgesteld. Een heirleger van andere middelaars werd opgeroepen, zodat een drom van zogenaamde heilige mensen, Maria, de heiligen, de hele Kerk zelf, Christus de enige Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid onttrokken aan het oog van de heilbegerige zielen. In de plaats van Hem traden allerlei quasi-verdienstelijke werken, vleselijke godsdienstigheden, eigenwillige genoegdoeningen, aflaten en wat er alzo van deze aard nog bij Rome de plaats van Christus' genoegdoening inneemt. De geestelijkheid werd als Christus' plaatsvervanger op aarde. Zij werd heerseres over het geloofsleven van de gemeente, en werd middelaar des heils en het leven werd gebonden aan haar voorschriften, aan de erkenning van haar gezag. Daarmede was het wezenlijke uit het Evangelie verdwenen, had het plaats gemaakt voor de wet en de voorschriften van de Kerk, die niet meer Christus' lichaam als haar Hoofd erkende.

De verwording van de kerk maakt de Kerk van Christus onzichtbaar.
De Kerk was geworden tot een soort van heilsinstituut. En daarmee was zij geworden tot een koninkrijk van deze wereld. Haar dienaren waren vorsten, wier zedelijk leven vaak verre van rein was. Het was er precies mee als met de Roomse Kerk in Spanje, die door haar verwereldlijking de revolutie heeft voortgebracht. (denk aan regime van Franco, DIA). De geestelijkheid, de clerus, verkeerde voor de ogen van het gehele volk in een staat van afschuwelijke zedelijke verwording enerzijds, en in een staat van afgrijselijke onkunde anderzijds. Zo was dus de Kerk van Christus naar haar verschijning in de wereld geheel onkenbaar geworden. De ontkerstening nam brede afmetingen aan, de tuchtloosheid en de ontbinding stempelden die dagen aan het einde van de middeleeuwen met de tekenen van een diep verval.

Ondanks het diepe verval: Er waren ook nog goede dingen.
Natuurlijk waren er ook destijds nog wel godvrezende mensen. die met diep leedwezen in het gevoel van hun machteloosheid dit alles aanschouwden, maar een tegenwicht vormden deze niet. In brede kringen leefde het besef op, dat het zo niet langer kon gaan. Enige eeuwen reeds werd de behoefte aan een Reformatie gevoeld door de ernstige leden van de Kerk, die somtijds een luide roep deden horen. Die klachten drongen ook tot in de hoogste rangen van de hiërarchie door, zodat de zogenaamde reformatorische concilies van Pisa, Constanz en Bazel werden samengeroepen om in „Hoofd en leden" een herstel tot stand te brengen. Als gevolg van het gebrek aan wezenlijke geestelijke leiding waren er allerlei sekten opgekomen, drong het valse mysticisme steeds verder door en maakte het heidendom weer opgang. Er zijn ons geschriften bewaard, die duidelijk uitwijzen, hoe er zelfs een goddeloze, aan het Christendom vijandige geest rondwaarde, die in spot en hoon zich openbaarde.
Doch te midden van de vele bewegingen waren er toch ook duizenden zielen die snakten naar het licht van het Evangelie. Er waren er ook die op Augustinus en op Gods Woord teruggingen en voor welke het bewustzijn het Schriftuurlijk beeld van de gemeente het ideaal werd. Deze werden de dragers van het reformatorische idee, de spruiten van de oude, verworden Kerk, waarin nieuw leven tintelde en die de reformatie van de Kerk in hun banier hadden geschreven.

Binnenkerkelijk en concilies zonder vrucht.
Toch mag niet uit het oog worden verloren, dat ook deze door Gods waarheid gegrepen zielen nog met vele banden en boeien geklonken bleven aan het oude. Zij konden zich niet vrijmaken uit de ban van de Roomse kerkelijke leervormen. De grote concilies hadden allerlei vragen behandeld, misstanden weg trachten te nemen, maar het eigenlijke verderf, dat wortelt in het wezen van het Rooms Katholicisme, hadden zij niet alleen niet aangetast, maar veeleer nauwkeurig ontzien. Daarbij kwam, dat het goede, dat nog voorgesteld werd, ten laatste vaak niet werd doorgevoerd, zodat de wezenlijke vrucht van deze reformatorische concilies van weinig betekenis en van geringe uitwerking waren. Met name de pausen in die dagen schoten te kort in de volbrenging van hun plichten, en gaven maar al te vaak slechte voorbeelden en werkten de ontkerstening in de hand. Zo bleef het overal woelen en dringen en drijven naar een zich loswringen uit de hiërarchische banden. En telkens ontwaakten er nieuwe bewegingen, die gevoed werden uit het Evangelie, hoewel zij vaak zonder verband een sektarisch karakter droegen en dus geen algehele vernieuwing vermochten te brengen. Denk slechts aan de worstelstrijd van de Waldenzen, de armen van Lyon, die hun oorsprong dankten aan Petrus Valdez, een rijk burger van Lyon, die de Heilige Schrift gedeeltelijk in de landstaal had laten overzetten en door de plotselinge dood van een vriend tot inkeer gebracht, zijn bezittingen aan de armen gaf, het Evangelie ging prediken in de omgeving en zo een vereniging stichtte.

Weer: evenals in onze tijd!
Zo waren er allerlei bewegingen, die evenals er in onze dagen ook zijn, te beschouwen zijn als vrucht van de onbetaalde rekeningen van de Kerk. En deze hebben inderdaad dikwijls een grote ijver aan de dag gelegd voor de verwekking en verbreiding van geestelijke behoeften, die voorziening vroegen. En de kerkelijke machthebbers, in plaats van acht te geven op deze verschijnselen en zich rekenschap te geven van de vraag, of deze begeerten en behoeften ook gegrond waren, toonden zich meestal afwijzend. Zij namen vaak een vijandige houding aan, gingen zelfs tot vervolging over. Daardoor werd uit de aard der zaak de tegenstelling tegen de officiële Kerk verscherpt.

Franciscanen
Behalve deze betrekkelijk geïsoleerde groepen, die zich nog wezenlijk bleven bewegen binnen de leergrenzen van de Middeleeuwse Kerk, traden er ook mannen op, die op breder schaal naar Reformatie drongen denk slechts aan den Pater seraphicus Franciscus van Assisi, stichter van de orde der Franciskanen, die door een prediking over Matth. 10 tot inkeer gebracht, naar het voorbeeld van de apostelen het land doortrok, tot boete en bekering oproepend. Doch, dat blijkt vooral bij Franciscus van Assisi, wij moeten bij deze, hetzij sektarische, hetzij bredere bewegingen, niet denken aan iets, dat wijst op een Protestants karakter. Wel waren er vooral onder de sekten ketterse en anti-kerkelijke, pantheïstische en Antinomiaanse stromingen, die verschijnselen van fanatische aard vertoonden en dus een gevaar werden voor het maatschappelijk leven. Het Communisme speelde, evenals bij de latere Wederdopers, veelal een grote rol. Doch al deze bewegingen in haar bonte verscheidenheid wezen op de werking van ontbindende machten in de toenmalige maatschappij, precies zoals dit in onze tijd het geval is. De heersende Roomse Kerk heeft destijds van het leven van haar tijd niets begrepen, zoals trouwens heden ten dage de grootmachten, helaas, van deze tijd (jaren voor WO II, DIA) ook niets schijnen te begrijpen.

Omwentelingen als vroege voorboden van de reformatie.
Zo werden de geweldige omkeringen geboren, omdat de Kerk van Christus zelf niet meer scheen als een licht in de duisternis van deze wereld. Zo moest echter wel de tijd komen, waarin zich dit geestelijk faillissement van de Roomse Kerk aandiende, want naarmate haar kracht inzonk, haar levenskracht verdorde en zij als een mummie verscheen, naar die zelfde mate namen, onafhankelijk van haar, de geestelijke behoeften haar loop. Een geweldig religieus enthousiasme waakte op soms tot een overspanning van krachten. En daarmee was tegelijkertijd de grond gelegd voor een sterk op de voorgrond tredende antithese tussen het oude, dat was en het nieuwe, dat kwam. Een onbeschrijfelijke verwarring beroerde de massa's, waarin revolutie en socialisme en communisme zich openbaarden.

(Wordt DV vervolgd)
© -DIA-

Gebruikersavatar
-DIA-
Berichten: 29887
Lid geworden op: 03 Okt 2008, 00:10

Re: Pelagianisme en Remonstrantisme uiteengezet

Berichtdoor -DIA- » 22 Sep 2022, 23:27

Helaas is de stof zo uitgebreid dat ik wederom tot een vrij lang stuk tekst kom. Het lukt me niet om korter van te zijn, en hier in een paar hooflijnen iets te zeggen. Alles grijpt als het ware ineen.
Wel heb getracht het lang stuk wat onder te verdelen door wat tussenkopjes te plaatsen. De teksten zijn soms wat moeilijk in tussenkopjes te vatten. Toch heb ik geprobeerd de stukjes van een kopje te voorzien, wat ook in de tekst weer naar voren komt. Het lijkt me feitelijk niet makkelijk om hier afgeronde stukjes van te maken. Ik hoop dat deze verhandeling ondanks dat ze lang is, toch door deze of gene wordt gelezen, daar in het geheel toch veel lering zit, ook aangaande de dwalingen die er heden ten dage in vele kerken heersen.


Dan ga ik nu weer over tot het citeren van het Gereformeerd Weekblad, Anno 1936/1937:

Een drijven tot een Reformatie in een vervallen kerk in een religie die verwordt tot intellectuele filosofie.
En te midden van dit geweldig proces waakte er een drang op tot kritiek op de gehele kerkleer, die gevoed werd door de wijsgerige richting, die in de mode was gekomen. Voeg daarbij de opstrevende humanistische bewegingen, die in een man als Erasmus haar grootste vertegenwoordiger vonden, en waardoor ook weer anti-hiërarchische geesten werden opgewekt, die de scholastieke wijsbegeerte striemden, de onwetendheid en onzedelijkheid van de geestelijkheid aan de kaak stelden en het wordt duidelijk, dat in de eeuw, waarin de Reformatie geboren werd, zich barensweeën deden gelden, waarin de innerlijke verwording en ontwrichting zich openbaarden. De reformatie werd op deze wijze voorbereid, terwijl de Kerk zelf in haar hoogste vertegenwoordiging werd meegesleept. In plaats van de wereld de weg te wijzen, lieten zelfs Pausen zich leiden door de modegeest van de tijd, die de heilsgeschiedenis tot een fabel verlaagde. Met dit humanisme ging niet alleen spot en hoon gepaard, maar het begreep ook de religie op een wijze, waardoor zij wijsgerig werd aangetast in haar wezen.
Met name in Erasmus, wiens nagedachtenis de hedendaagse humanisten als een groot meester vereren, wordt het duidelijk, hoe eigenlijk de religie zelf werd omgezet in een soort filosofie, waardoor zij gemaakt werd tot een godsdienst voor verlichte mensen, voor de intellectuelen, zoals men hen thans noemen zou. In dat licht moest wel de Pelagiaanse zuurdesem steeds dieper indringen en werd het rationalisme tot steeds groter invloed gebracht. Voor Erasmus was Christus veel meer een voorbeeld van goede gezindheid en deugd, terwijl verzoening met God en vergeving van de zonden weinig meer de aandacht trokken. Zedelijke verbetering werd gepredikt, natuurlijk met voorbijgang van de afgrond van onze zondeval. Zo werd er een vrijdenkersgeest geboren, waarbij het ook destijds was, evenals met de vrijdenkerij in latere tijden, dat zij voor de behoeften van het arme volk, dat gebukt ging onder zijn diepe geestelijke noden, geen medicijn had te brengen.
Zo is het dus begrijpelijk, dat in de dagen, die aan de Reformatie vooraf gingen, de Pelagiaanse richting in de officiële kerkelijke theologie hoogtij vierde. En dus kunnen wij verwachten, dat als de Reformatie met kracht doorbreekt, dat niet betekent, dat daarmee aan het Pelagianisme een einde komt. Integendeel, het begeleidde ook de Reformatie op haren weg, bleef voet vinden in kringen, waar men het niet verwachten zou.

Augustinus verliest aan een Aristotelische invloed.
Zo bleek ons dus, dat Thomas' leer met die van Augustinus niet geheel overeenkomt. De mens is volgens hem krachtens schepping voor het eeuwig leven bestemd, dat, en ook hierbij doet zich Aristotelische invloed gelden, bestaat in de aanschouwing van het goddelijk Wezen. Slechts langs de weg van verdienste kan de mens dit einddoel bereiken. Om het echter te bereiken, schiet het natuurlijk menselijk vermogen te kort. Daarvoor behoeft hij een hogere kracht, die der genade. Reeds voor den val behoefde de mens boven hetgeen hem van nature eigen was, een bijzondere genade. Hoeveel te meer heeft hij deze dan nodig onder de macht der zonde. Zonder die genade kan hij de waarheid niet kennen, het goed noch doen, noch willen, God niet boven alles liefhebben, de zonde niet vermijden, noch zich tot God bekeren. De natuurlijke gaven behoefden in de staat der rechtheid de bijkomende genade, na de val moet hem de genade worden ingegoten, zoals de ziel in het lijk moet 'wedergebracht, zal een dode worden opgewekt. En ook daarna kan hij niet zonder goddelijke hulp. De genade is wel voorwaarde tot behoud, moet wel voorafgegaan aan willen en doen, maar om die hebbelijke genade te verwerven, daarvoor is van de zijde des mensen de wilsdaad nodig. De wil moet het goede in zich opnemen en moet daartoe worden voorbereid. En ook voor de volharding in het goede behoeft de mens genade, want hij kan het in hem wonende verderf niet zelf overwinnen. Wie de rechtvaardigmaking deelachtig werd, heeft te bidden om de volharding.

Augutinus’ genadeleer verschuift naar een filosofisch Aristotelische Godsbegrip.
Maar hierbij komt nu de invloed van zijn Aristotelisch wijsgerige Wereldbeschouwing, die aan heel deze, op de leer van Augustinus gelijkende rechtvaardiging, een bijzonder karakter verleent. Ook Thomas' Godsleer is wijsgerig bepaald, zodat zijn God niet is die der Schrift, maar het karakter verkrijgt van het filosofisch begrip. Zijn God is "primum movens", het eerste bewegende, de eerste, alles in actie zettende oorzaak. Het gevolg daarvan is, dat zijn Gods- en wereldbeschouwing een deterministische werd. De werkzaamheid der genade Gods is dus bij hem slechts de door middeloorzaken doorgaande in deze alleen werkende goddelijke oorzakelijkheid.
En dat wordt nu ook toegepast op de menselijke wilsvrijheid. Deze vrijheid wordt door een daarbuiten staand beginsel bepaald, dat door die vrijheid als door een instrument op absolute wijze werkt. En daardoor verkrijgt Thomas' genadeleer een ander karakter dan die van Augustinus. Als de eerst-bewegende brengt God de mensen tot hunne eindbestemming. Deze genade Gods heeft dus de mens niet nodig als een zondaar, maar als schepsel, dat zijne eindbestemming bereiken wil. Zo wordt dus Augustinus' genadeleer door het Aristotelische Godsbegrip gewijzigd. En voeg daarbij, dat de gerechtvaardigde zich het eeuwige leven verdienen kan, dan treedt, ook al stelt Thomas daaraan de genade ten grondslag, hierbij toch ook een wijziging in het begrip der genade op. Hier schuift hij een medewerkende genade onder, waardoor de genade Gods een verwatering ondergaat, een betrekkelijk karakter krijgt, zoals de genade dit bij Augustinus nooit heeft.
En zo zien wij dan ook in de leer der predestinatie dezelfde, elkander wezenlijk logisch uitsluitende elementen naast elkaar geplaatst. Van eeuwigheid heeft God uitverkoren degenen, die Hij tot de zaligheid wil brengen door Zijn genade. En Hij geeft hun de genade, waardoor zij tot dat doel kunnen komen en ook werkelijk komen. Dit is de voorbeschikking, die echter de vrijheid evenmin aantast als de genade. De mens kan van zijne verkiezing niet zeker zijn, dan alleen uit de gevolgen van de predestinatie, dus door de genade. En deze genade kan niet krachtdadig zijn zonder de medewerking van de vrije wil, die altijd een deel heeft aan het werk der verlossing.
En wat de reprobatie, de verwerping betreft, deze is eenvoudig door toelating. God voorziet, dat sommige mensen hun vrijheid misbruiken zullen tot het kwade. Hij laat hen begaan en verwerpt hen om hun voorgeziene overtredingen.

Het vrije wilsvermogen zoals Thomas van Aquino die beschouwde.
Zo is God, meent Thomas, niet verantwoordelijk voor hun vervloeking, die de mens zichzelf te wijten heeft om zijn boze wil en zijn verwerping van Gods genade. Zonder nu in dit verband nader stil te staan bij deze toelating Gods, kan er nadruk op gelegd worden, dat in het licht van deze filosofisch bepaalde beschouwing, die wezenlijk deterministisch van karakter is, afgedacht dan van de poging om door de onderscheiding tussen de van eeuwigheid bepaalde genade en de voorwetenschap Gods, Hem niet als auteur der zonde voor te stellen, blijkt toch deze leer in wezen van Pelagianisme niet vrij.
De wil van de mensen, die als beelddrager van God de goddelijke volmaaktheden creatuurlijk op zo hoge wijze reflecteert, bepaalt zichzelf. Het is Gods eigenschap alles te bewegen en te richten, zonder dat Hij Zelf door iets bewogen of gericht wordt. En zo moet ook een schepsel, dat Zijn beeld draagt, het vermogen hebben, zichzelf te bewegen. Die schepselen van lagere orde bewegen zich niet, doch worden bewogen door een oorzaak buiten hen, door de waarneming van een zintuiglijk waarneembaar voorwerp. Doch een redelijk wezen beweegt zichzelf, heeft het vermogen zichzelf al of niet te bewegen. Daarom wordt onze wil niet bepaald door het gekende object, maar de wil bepaalt zichzelf. Het wilsvermogen onderscheidt zich door zelfbepaling, want het hangt niet af van een zintuigelijk streven, dat samenhangt met een stoffelijk orgaan. De wil treedt in werking, zodra het verstand hem het begeerlijk goed voorstelt. Als zodanig heeft het verstand invloed op de wil. Het door het verstand voorgestelde goed beweegt de wil. Doch daarbij moet wel in het oog worden gehouden, dat deze invloed van het verstand op de wil niet te beschouwen is als die een noodwendigheid werkt, maar veeleer zó, dat het als goedgekende werkt als doelmatige oorzaak. De kennis van het goede als voorwerp van de wil is de conditio sine qua non voor de inwerking, daar de ziel zich niet kan strekken naar het onbekende. De bepaling tot handelen komt niet van het gekende object, maar alleen van de wil.
De wil heeft van zijn zijde ook invloed op het verstand, dat hij tot handelen determineert. Doch dit neemt niet weg, dat het primaat toekomt aan het verstand, waarvan voorwerp de idee van het goede is en dit goede, zoals het aan het verstand verschijnt, wordt voorwerp van de wil. Daarom heeft dus het verstand de voorrang. Doch deze voorrang is niet volstrekt, want er zijn omstandigheden, waarin de wil het verstand te boven gaat, wanneer het voorwerp van de wil, datgene waarnaar hij streeft, de ziel, waarin zich de kennis van het voorwerp bevindt, verre te boven gaat. Zo is, naar Thomas' leer, de liefde Gods meer dan de kennis Gods.

Verder over menselijke wil vrij, ondanks zijn gebondenheid.
De wil bepaalt zich naar zijn mening zelf tot handelen. Dwang van buiten af strijdt met de natuur van de wil. Slechts wanneer een doelwit zulk een macht krijgt, dat daardoor de wil beheerst wordt, dan moet wel de wil zekere middelen willen, die voor de bereiking ervan nodig zijn. Doch daarbij is er geen sprake van een dwang, die met de natuur van de wil strijdt. Dan is er een natuurlijke noodzakelijkheid. De mens wordt dan in overeenstemming met zijn natuur geschikt tot een bepaald doel. Zo kan er dus sprake zijn van een noodwendig willen. Welnu, de menselijke wil, meent Thomas, strekt zich noodwendig tot het geluk als zijn laatste doelwit. Deze noodwendigheid is in zijn natuur gegrond, zodat de mens zich er niet aan kan onttrekken. De middelen, die tot dit geluk voeren, zijn of onmisbaar, of niet volstrekt noodzakelijk. De onmisbare omvangen de wil noodzakelijk als het verstand deze kent in samenhang met het geluk als laatste doeleinde. Deze volmaakte kennis kan zich alleen doen gelden, als er een onmiddellijke aanschouwing is van het goddelijk Wezen. Dat is echter alleen in het leven hiernamaals het geval. In dit leven kunnen wij wel verstaan, dat ons geluk ligt in het bezit Gods en ook, dat al ons streven gericht moet zijn op hetgeen ons tot God voert. Doch in dit leven zien wij niet altijd de noodzakelijke samenhang van het bezitten Gods met ons geluk, zodat onze wil hier beneden nimmer noodzakelijk naar God streeft en naar de middelen om met Hem verenigd te worden. Zo kan er dus gezegd worden, dat de menselijke wil noodzakelijk naar het geluk streeft, maar dat hem geen noodzakelijkheid is opgelegd met betrekking tot de middelen om zich met God te verenigen. Zo is dus ondanks zijn gebondenheid, de mens vrij, als gevolg zijner redelijke natuur. De mens handelt in onderscheiding van andere wezens, met bewustheid, met oordeel, kan zich bepalen tot het een of tot het andere, dus hij is vrij. Zonder deze vrijheid, die door het geweten gewaarborgd is, zou er van verdienste of schuld, van beloning of straf geen sprake zijn.
De vrijheid sluit dus de noodwendigheid uit, is onverenigbaar met dwang of natuurlijke noodzakelijkheid. De vrije wil wordt niet door een uitwendige oorzaak tot handelen gebracht, zonder dat hij meewerkt. En de vrije wil wordt ook niet door zijn eigen natuur daartoe gebracht. De wil kiest tussen twee mogelijkheden en staat dus met betrekking tot beide indifferent, dus zonder voorkeur, is dus onbepaald met betrekking tot de onderscheidene middelen om het doel te bereiken en kan dit of dat middel kiezen. En zo is de wil ook niet bepaald met betrekking tot de oefening van zijn werkzaamheid, kan zich richten op een voorwerp of niet. Hij kan den regel van de rede volgen om tot het geluk te komen, of die niet volgen, waar of vals goed nastreven, het goede of het kwade doen.

De psychologie van de wil, zoals Thomas deze leerde, en het komen tot de Remonstrantse leer.
Ofwel:
Een intellectuele filosofische en psychologische beschouwing, zonder de ware kennis.
Ofwel:
Voor de wijzen en verstandigen, maar voor de kinderkens verborgen.
(ik wist hier niet tot een goed tussenkopje te komen, vandaar dat ik er maar drie heb gemaakt.)
En zo worden wij dus gesteld voor een staat der menselijke natuur, waarin het mogelijk is van de ware orde af te wijken, welke afwijking dan gevolg is van een gebrek in onze kennis. Indien de mens weer gebracht kon worden in een toestand, waarin dat gebrek verdween, zoals dit bij de heiligen in de hemel het geval is, dan zouden wij niet meer staan voor de keuze tussen goed en kwaad. Zo is er dus een vrije wil, dat wil zeggen: een vrije arbiter, die in de wil is gegrond, met den wil één is en in verband met de vrije keuze moet worden beschouwd. De wil nu dringt naar het hoogste goed, maar de vrije arbiter kiest tussen de middelen, die daarheen leiden. Zo is dus de mens naar zijn wezen vrij met een onveranderlijke vrijheid, die niet verminderd wordt door de goddelijke medewerking, noch vernietigd door de goddelijke voorwetenschap, God voorziet de vrije handelingen, zoals deze zijn, als vrije handelingen en maakt deze niet noodzakelijk. Gods voorwetenschap veroorzaakt niet de wilsbesluiten van den mens en maakt deze niet noodzakelijk. Gods voorwetenschap veroorzaakt niet de wilsbesluiten van den mens en laat dus den wil vrij. De wil is de werkende oorzaak in het bewuste handelen des mensen, zodat de vermogens der ziel zich in de sfeer der vrijheid bewegen. De wil maakt het bewuste leven des mensen tot een leven van vrijheid.
Wij hebben, naar wij menen, zo getrouw mogelijk deze psychologie van de wil, zoals Thomas deze leerde, weergegeven. gelijk zij in zijn Summa theologica te vinden zijn. Ook hieruit blijkt de wijsgerige inslag van zijn ethische beschouwingen, doch ook, dat wij hier van doen hebben met ethische gegevens, zoals men die in de middeleeuwen en ook later wel zich dacht, terwijl de diepere belichting van Gods Woord ontbreekt. Hier zijn de gegevens voor de Remonstrantse leer van een zaliging uit voorgezien geloof.
© -DIA-


Terug naar “Theologie - Dogma en Belijdenis”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 2 gasten