Long Reads

Geeske_1991
Berichten: 419
Lid geworden op: 11 apr 2018, 11:00

Re: Long Reads

Bericht door Geeske_1991 »

-DIA- schreef:Wij zijn nu weer gekomen aan de avond van het jaar 2025. Wat is het nog maar kort geleden dat ik op de nieuwjaarsdag tegen mijn broer zei: We zijn nu 2025 begonnen, maar zullen we het jaar nog mogen eindigen?
Ik had zelf het gevoel: het kon het laatste jaar wel zijn. En nu zijn we weer aan de avond van dat jaar. Maar we zijn nog niet in het nieuwe jaar. Laten we maar bedenken dat we niet oud behoeven te zijn om het nieuwe jaar niet meer te beginnen.

Vandaag las ik een stukje van een predikant die jaren geleden in onze gemeente heeft mogen dienen. Toen hij schreef wat ik las was het in het jaar 1964. Ik was zelf nog een kind. Maar ik weet heel goed hoe het was in dat jaar. We zien vele veranderingen.
De predikant die in 1964 onderstaande schreef zag toen ook veel wat hem verontrustte. Als we dit zo lezen kunnen we wel eens denken: Als deze prediker onze tijd eens had mee moeten maken, hoe zou hij daar onder zijn? Zou hij hier kunnen leven onder deze druk en oordelen? Maar hij is hier niet meer. God heeft hem weggenomen voor deze dag van het kwaad dat we nu zien, en wat hij niet behoefde mee te maken, maar wat hij als het ware wel van verre zag.
Laten wij eens luisteren wat hij schreef in 1964. Voor sommigen kan het ontdekkend zijn. Want het is ook een zekere waarheid dat velen de tijd waarin wij samen leven niet doorgronden.
Ik zal hieronder het stukje laten volgen wat ik vandaag las. De bron is voor hen die het na willen zien, digibron:

https://www.digibron.nl/zoeken/jaar/196 ... m-oplopend

Aan de vooravond van...
Neen, het is geheel mijn bedoeling niet om te gaan profeteren; ik ben geen profeet, noch eens profeten zoon. Wij hebben in Gods raad niet gekeken, en het is geboden en raadzaam om verre, zeer verre van dat terrein af te blijven. De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God, Deuteronomium 29:29. Het past ons niet als dwazen in onszelf, en "kortzichtig" als wij zijn, in te dringen in dingen, die voor ons te hoog zijn. Ook te dezen opzichte kunnen wij beter bidden dan profeteren!
Doch anderzijds is het ook te veroordelen, sterk te veroordelen, om maar gedachteloos* voort te leven. Wij zijn redelijke schepselen, en wij hebben naar het getuigenis van Christus Zelf: Mozes en de profeten. Ja, gelijk wij lezen in 2 Petrus 1:10, het profetische woord, dat zeer vast is, en waarop wij acht moeten geven, 'als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Met welk een heilige ernst heeft Christus tijdens Zijn omwandeling op aarde het ons toegeroepen acht te geven op de tekenen der tijden. "En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik u allen: Waakt", Markus 13:37.

Het is het werk van de wachter, wanneer hij het zwaard ziet komen over het land, om met de bazuin te blazen en , het volk te waarschuwen, Ezech. 33:2. O, wat een gewichtvol en hoogst verantwoordelijk werk is Gods knechten toebetrouwd. Zeker, de wachters op Sions muren mochten geduriglijk al de dag en al de nacht niet zwijgen. „O gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen, totdat Hij bevestige en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde", Jeremia 62:67. Doch het mag nimmer eenzijdig zijn; het eerste doen en het andere niet nalaten. Wij lezen ook in Jesaja 58:1: „Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jacobs hun zonden") Jesaja 58:1. En denk dan ook aan Jeremia, die van de Heere dé boodschap kreeg: "Gij dan, gord uw lendenen en maak u op en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal: wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla".

En Ezechiël werd vermaand om niet te vrezen, hoewel weerwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont. Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij u horen zullen, of dat zij het laten zullen (Jesaja 2:6-7). En helaas het is in onze dagen niet anders. Wat wordt er geijverd in onze dagen, om zoals het genoemd wordt: "De Schrift te verklaren, het Evangelie te verkondigen", de mensen te dringen te geloven enz. O, het klinkt alles zo geweldig, maar - maar - het is over het algemeen alles zo leeg, zo koud, en zo dood. Wel een voorwerp, maar geen onderwerp. Wel wordt er gezegd, hoe het moet zijn, maar zo weinig, hoe het is, en hoe het gaat. Nog na zovele jaren klinkt het soms in mijn oren, dat één onzer onvergetelijke en geliefde leraars zei in een preek: Paulus wist hoe het was, maar ook hoe het ging. Petrus moest op Goddelijk bevel afsteken naar de diepte, en daar is het voedsel voor Gods kerk. Wet en Evangelie moet gepredikt: die twee bazuinen moeten geblazen worden. Welk profijt zou het voor ons hebben, al zou de gehele wereld vol zijn met zalf, als wij geen wonden hebben? Dan zijn al de medicijnen waardeloos voor ons. Een hongerige ziel is alle bitter zoet, maar een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem. Het kwaad moet open gelegd, en de zonde moet bestraft worden. De bestraffende man in de poort wordt zo gemist. Het is over het algemeen: "Spreek tot ons zachte dingen". Ja, een mens wil niet verontrust worden, en eerlijk gezegd, hij wil maar bedrogen worden voor de eeuwigheid. Onze ouden spraken en schreven over een eenzijdig Godswerk, maar nu gaat het zachtjes aan afglijden naar een leer, waarvan wij straks niet anders zullen kunnen zeggen dan: een eenzijdig mensenwerk. Wij zijn gewaarschuwd; het is ons voorzegd. Maar wie heeft er acht op geslagen?

Ik schreef hierboven: aan de vooravond van (ik zal het nu maar verder neerschrijven, wat in mijn gedachten was) de afval. Christus heeft in Zijn omwandeling op aarde, inzonderheid aan het einde van Zijn leven, voor Zijn sterven, ons niet onbekend gelaten met hetgeen er plaats zou grijpen voordat Hij andermaal wederkomen zou om te oordelen de levenden en de doden. Hij sprak van de vervolging van de kerk, maar ook van de verleidingen des satans en van het diepe verval, dat in de kerk aanschouwd zou worden. Christus heeft te dien opzichte duidelijke taal gesproken. Ook de apostel Paulus heeft in enkele van Zijn doorluchte brieven over de afval geschreven, zie 2 Thess. 2, 1 Tim. 4 en 2 Tim. 3. Volgens de verklaring die door onze kanttekenaars is gegeven, zal het een afval zijn van de zuiverheid des Evangelies.

Er wordt niet gezegd, dat er geen godsdienst meer zijn zal. O neen, een groot gedeelte van de wereld is vervuld met godsdienst. Vele steden en dorpen lijken op Athene, waar Paulus van schreef in Handelingen 17:22. Ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt. De ene kerk na de ander verrijst, ener is geen eind meer aan de genootschappen en sekten, die als paddenstoelen uit de grond opkomen. Bij duizenden en miljoenen guldens worden er geofferd om een kerkgebouw te krijgen naar de eisen des tijds. De één wil boven de ander uitsteken en uitblinken. Paleizen van kerkert verrijzen er; van alle gemakken voorzien, en ingericht op zodanige wijze, dat men alles onder één dak heeft: het vlees kan er ook gevoed worden. En het is inderdaad met de vermenigvuldiging van de godsdiensten: Elk wat wils. Maar wanneer het tot het punt komt, het aller voornaamste punt: wat is de grondslag, waar gaat het om? dan al het antwoord niet bevredigend en bemoedigend kunnen zijn.

De algemene christelijke kerk is de heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende van Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. En dan de merktekenen van de ware kerk, waar toch elke kerk aan getoetst moet worden, zijn: zo de kerk de reine prediking des Evangelies oefent, indien zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft, zo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen. En de rechte verkondiging van het Woord is daar, waar God op het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd wordt. Waar de drie stukken van ellende, ' verlossing en dankbaarheid gepredikt worden op de grondslag van Gods onfeilbaar, dierbaar en alleen tot zaligheid leidend Woord. Waar voor niets anders plaats is dan voor de verkondiging van de leer van 'vrije genade, met uitsluiting van alle werk en bewegingen van de mens, wiens gerechtigheid voor God toch niet anders is dan een wegwerpelijk kleed. Ik zal het voor ditmaal niet verder uitbreiden. Doch in die enkele regels, overgenomen van hetgeen onze vaders ons hebben geleerd, is het duidelijk genoeg, dat wij onderscheid moeten maken tussen de ware en de valse kerk. De wereld is vol met kerkgebouwen, maar als het er op aan komt, dan is er maar ene ware Kerk. En dat is die Kerk, waar gebogen wordt, en erkenning gevonden van het enige Hoofd van de Kerk, nl. Christus Jezus. Daar waar Hij Koning is en waar onvoorwaardelijk gebogen wordt onder Zijn heerschappij en autoriteit. Waar Zijn wetten en ordinantiën alleen maar recht van bestaan hebben, aanvaard en geëerbiedigd worden. Ik toch, zo sprak de Vader in Ps. 2 : 6, heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Gods heiligheid. Die Kerk is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad, Jesaja 1:8.

Dat is Sion, niemand vraagt naar haar, Jesaja 30:17. Wanneer wij die kerk bezien van Gods zijde, en wat God er van denkt, en hoe die kerk is in de ogen van Christus, en. zoals' het volk van God er soms op staren mag? Dan kunnen wij geen beter en gepaster antwoord geven, dan wat wij lezen in Psalm 48:3-4: „Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde, is de berg Sion, aan de zijden van het noorden de stad des groten Konings. God is in haar paleizen. Hij is er bekend voor een hoog vertrek". Dat is de onzichtbare kerk, en die kerk waarvan Christus betuigd heeft, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Zeker, daar zijn ook tijden geweest, dat de zichtbare kerk als een stad op een berg was, vanwege de glans die er op lag; de glans van de waarheid, en de glans van de godzaligheid.
Dat is zo geweest toen de jeugd van de kerk vernieuwd werd als van een arend, in de dagen van het doorluchte Pinksterfeest. Dat is ook aanschouwd, toen de ware Kerk zich van de valse kerk heeft afgescheiden. Toen de Reformatie veld won, het licht wederom op de kandelaar kwam, en de leer van vrije genade de overhand had, toen zovelen de martelaarskroon kregen, en de Heere Zijn kerk "als een lof op aarde" deed zijn. Helaas, nu moeten wij wel spreken over de vervallen hut Davids, vol met reten, Amos 9:11, vanwege de verbreking Jozefs en het verlaten van de Heere, van Zijn Woord en wet. In hoevele landen heeft God Zijn kerk gebouwd. Er zijn tijden geweest, dat er kracht van de kerk uitging, dat het was een lichtend licht, en een zoutend zout. Wat een professoren in de godgeleerdheid zijn er. geweest, die als leeuwen gevochten hebben voor de leer die naar den godzaligheid is. Wat hebben de hogescholen gebloeid, en wat zijn er in die tijden vele jonge mannen gevormd, die later als pilaren in Gods kerk gestaan hebben en met genade en gaven versierd, dé banier van de waarheid mochten opheffen, standvastelijk en onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren. Wat zijn vele preekstoelen vervuld geweest met gezalfde knechten, die donderden met hun stem en bliksemden met hun leven. Er zijn tijden geweest in verschillende landen, dat er vele banken en stoelen in de kerk bezet waren met de heiligen der hoge plaatsen en met de heerlijken, in dewelke al Gods lust was, dat de waarheid heerschappij had, en voor velen ten eeuwigen zegen was.

Doch nu is het over het algemeen: "Ik heb Mijn huis verlaten. Ik heb Mijn erfenis laten varen. Ik heb de beminde Mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven", Jeremia 12:7 enz. Zekerlijk Gods Geest zal niet geheel wijken van de kerk, en er zal een persoonlijke bediening blijven. Over het algemeen dan is het: "De tong van het zoogkind kleeft aan zijn verhemelte van dorst, de kinderkens eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen de drek", Klaagliederen 4:4-5.
En terwijl ik dit alles schrijf, ben ik ervan overtuigd, dat er zullen zijn, die het niet overnemen. Buiten ons zijn er velen, die roemen over de zegeningen, die ze in hun kerkelijk leven hebben, zovelen toegang tot het Avondmaal gevraagd, het verenigingsleven bloeit enz. enz. Maar ook onder ons worden er gevonden, die het niet kunnen zien, dat het zo treurig gesteld is. Zij denken inderdaad, dat het te zwart getekend is. Er komt meer en meer een geest van oppervlakkigheid op, die zich tevreden stelt met de schors der waarheid, maar geen oog heeft voor het pit en merg derzelve. Maar ook gevoel ik, dat er hier en daar nog zielen zijn, die er met hun ganse hart mee instemmen zullen. Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame!

En om nu tot mijn onderwerp te komen, dan mocht de Heere" mijn hand en pen besturen, om enige zaken te ontvouwen ten opzichte van de ernstige en bange tijden die wij beleven. Door alle tijden heen zijn er naar Gods Woord mensen geweest, die van het geloof zijn afgevallen. Paulus klaagt: "Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen". Er is altijd kaf onder het koren geweest. Altijd zijn er mensen geweest, die zich voor een zekere tijd voordeden alsof zij levende leden van de Kerk waren, maar die openbaar geworden zijn als missende het leven, en als vijanden van God en Zijn volk. Er was zelfs een Judas in de kring der apostelen; een man die gepredikt heeft, duivelen uitgeworpen en vele krachten gedaan, doch die uiteindelijk onschuldig bloed heeft verraden. Denk ook om een Ananias en Saffira, die door God Zelf openbaar zijn gemaakt als mensen, wier hart vervuld was door de satan, dat zij de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven. Handelingen 5. Maar waar Paulus over schrijft, dat is wat anders. Hij heeft het oog op een afval, die algemeen wordt en zulke afmetingen aanneemt, als nog nooit tevoren in de kerk aanschouwd is. Gehele gezinnen, gehele families zullende waarheid vaarwel zeggen en breken met hetgeen waarin zij opgevoed en opgebracht zijn. De kerken, die eenmaal door hun vaderen gebouwd waren, zullen als zij niet verkocht zijn, overgenomen zijn voor publieke vermakelijkheden, door zeer weinigen meer bezocht worden. Een afval onder leraars, een afval onder leden, geen catechisaties meer.' De grote massa zal de waarheid de rug toekeren, en in een diep zondig leven zich rijp maken voor het naderende oordeel van de grote dag. Ja, er zal gelijk door één onzer ontslapen leraars opgemerkt is, een algemene afval van de kerk plaats vinden, nadat deze onder alle naties en geslachten en volken en talen zal zijn gesticht. Die afval zal geschieden onder een hoofd, nl. de mens der zonde, de zoon des verderfs, een omvangrijke afval, dat degenen, die dé kerk des Heeren verlaten, onder Satans aanvoering een macht zullen vormen ter bestrijding van Christus' Koninkrijk. Dat wil dus niet zeggen alleen, dat zij zich van de zuivere waarheid zullen afscheiden, maar dat ze ook de ware kerk Gods zullen gaan vervolgen. Dat zij met de waarheid de spot zullen drijven, en zich verenigen zullen onder de banier van de antichrist, om de kerk te benauwen, en zelfs in bittere vijandschap de leden van de ware kerk uit het publieke leven zullen uitsluiten. Zie wat daarvan voorspeld is in Openbaring 13.

Wat zijn nu de voortekenen van die grote afval en wat zijn (de redenen en gronden, waarom wij zo bevreesd zijn dat wij aan de vooravond van die afval zijn gekomen, of dat wij met rasse schreden er heengaan? Kort geleden las ik een artikel in een kerkelijk blad, waarin geklaagd werd over de ontheiliging van Gods dag. De ontheiliging van Gods dag? Ja, er werd opgemerkt, dat een groot gedeelte alleen maar ter kerk komt op zondagmorgen en dat zij de rest van de dag opeisen voor zichzelf, om op visite te gaan, uit te gaan en door te brengen tot verzadiging van hun eigen vlees. In een kanselboodschap, die in verschillende kerken werd voorgelezen kort geleden, werd er o.a. gewaarschuwd tegen de slechte invloed van zogenaamde realistische lectuur, films en van de televisie, die voor velen een ban dreigt te worden, zodat zij alles zien en op zich laten inwerken. De wereld is in de kerken gebracht, en de huizen zijn voor de wereld opengezet, en zeker wordt er door sommigen gewaarschuwd, maar alles is al zolang oogluikend toegelaten, dat velen reeds zo vergiftigd zijn, dat er, menselijk gesproken, geen genezen meer aan is. Het begin van de afval is er ongetwijfeld. Waar is de huisgodsdienst? Waar wordt er nog gesproken over de dingen der eeuwigheid? Waar is er nog tijd en gelegenheid om een gesprek te beginnen, en waar is er nog vrijmoedigheid om zich vrij te maken van het bloed onzer kinderen?

Alles werkt mee om tegen te werken. De jongens moeten leren, die meisjes moeten wat worden in de wereld. Catechisatie? Dat uur kan er bijna niet af. Het is inderdaad waar, dat er in onze dagen van de jonge mensen veel meer geëist wordt dan in de jaren die achter ons liggen. Maar de hoofdzaak dat er zo weinig belangstelling is voor het onderzoek der waarheid, is dat de liefde tot de waarheid gemist wordt. Als wij eerlijk de waarheid zullen schrijven zoals het is, dan moeten wij zeggen: de wereld komt eerst met al zijn uitgaan en vermaak. Dat is de reden waarom het catechisatie houden zo moeilijk wordt. Wie zal in deze dagen onder de jonge mensen voorbereid, ter catechisatie komen? Waar wordt Gods Woord nog onderzocht en waar vindt ge in de gezinnen de geschriften onzer vaderen? Er wordt meer geld gespendeerd voor tijdschriften, dan voor een oude schrijver. Laten wij het maar eerlijk zeggen: men heeft er geen belang meer bij. De onkunde wat de waarheid betreft, neemt hand over hand toe Vroeger werd in de huizen er nog over gesp rok en vroeger zat men nog te luisteren naar de gesprekken van het volk van God. Dan werd er nog gehoord, hoe God een mens bekeert en langs welke wegen God Zijn gunstgenoten leidt. Doch dat is ook over het algemeen zo ver weg. De goedertierene ontbreekt en de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensen, Psaln12:2. Het volk gaat weg op vele plaatsen, en die er nog zijn, hebben over het algemeen een magerheid aan hun ziel. Och ja, een magerheid vanwege het ver afleven van de Heere. En het is nog een wonder als er nog enkelen zijn op een plaats, dat ze nog met elkander leven kunnen en willen. Het ligt alles zo verbroken, het is meer een staan boven elkander, dan naast en achter elkander; meer een zuchten tegen elkander, dan om en met elkander. De duivel lacht er om, en de wereld spot er mee. En de oorzaak van dat alles? Het dadelijke leven wordt zo gemist, de oefeningen des geloofs zijn zo weinig, het leven legt zo weinig beslag, de vreze Gods weggebannen door de wereldgelijkvormigheid, en dat betekent dat de dam tegen de zonde weg is.

De Waarheid is nog niet geheel weg. Maar enige tijd geleden werd de opmerking gedaan: er is verschil tussen de waarheid en de oude waarheid. De bedoeling van die opmerking-was, de waarheid, oppervlakkig verklaard naar de letter, maar de oude waarheid, daar bedoelde die vrouw mee, dat er gesproken wordt naar het hart van Jeruzalem, Schriftuurlijk, bevindelijk, practicaal. Uiteindelijk is er vanzelf maar één waarheid.
Ik ga daar nu niet verder op in, maar wel wil ik opmerken, dat al is het de oude waarheid, toch is er nog zulk een verschil met hetgeen ons overgeleverd is. En wat dat verschil is, met insluiting van onszelf? Een ontslapen leraar zei eens na een ontmoeting met een beproefd kind des Heeren: ik heb de woorden, maar die man heeft de zaken. En nu kunnen onze woorden o zo rechtzinnig zijn, zwaar gereformeerd, maar, maar waar is de zalving van Gods Geest en dat ons hart, huis en kerk onder het spreken, bidden en preken en onderwijzen van de jeugd, vervuld worden met de reuk der zalf gelijk in Johannes 12:3?

Laten wij het maar eerlijk bekennen: dat is het gemis. Ik hoop geen mensen te verheerlijken of te verachten. Maar hoe vaak gebeurt het niet, wanneer wij de geschriften onzer vaderen ter hand nemen, dat het ons raakt, dat we onder de indruk van het geschrevene komen en dat er zulk een liefde in verklaard ligt, dat je dadelijk zegt: "dat is het". En oordeel nu zelf maar, hoe het over het algemeen in onze dagen is. Wij zijn meer dominees dan zondaars. Christus zei: Brengt van de vissen, die ge nu gevangen hebt. Verse vis, en die smaakt het lekkerst. Wat zijn er weinigen, gelijk eenmaal in Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben. Schaamte, diepe schaamte moest onze harten en aangezichten wel bedekken. Het is meer onszelf op de been zien te houden, dan onze benen breken, meer ijveren voor onszelf, dan voor de eer Gods. Wat wordt de Heere Jezus veel voor de tweede maal gekruisigd en waar is er nog een wezenlijke ootmoedige benodiging van God de Heilige Geest, als Persoon en in Zijn bediening? Het oordeel begint van Gods huis. Het gaat zo gemakkelijk om de splinter in het oog onzes broeders te zien, maar om de balk in ons eigen oog eens waar te nemen en er last van te krijgen, dat is wat anders. O, wat zou het toch een weldaad zijn, als we zelf „de man" voor God mochten worden. En nu kan dat nog wel eens genoemd worden, maar de belijdenis is geen praktijk en de belijdenis brengt ons niet in de nood. Met al ons ootmoedig praten blijven wij voor God de hoogmoedige farizeeër. Wij kunnen onze klederen wel scheuren, maar ons hart blijft wat het is. Gods volk kan nooit afvallen, o neen, dat is onmogelijk. Zij worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd, 1 Petrus 1:5. Wél kan er een vallen, en een diep verval in hun leven komen, dat er wel een onderhoudsleven is, maar geen gemeenschapsleven: Koud noch heet, maar lauw, gelijk wij lezen van de gemeente van Laodicea in Openbaring 3. En dat de wijze maagden met de dwaze in slaap zijn gevallen. Dat de Heere Zich nog over Zijn erfdeel ontfermen mocht, en dat het ook bij ons mocht worden als het was bij de profeet Micha: Mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.

De voortekenen van de "afval" worden meer en meer openbaar. Wij moeten wel moedwillig onze ogen sluiten om het niet te zien en op te merken. Het zal naar Gods Woord bang op de aarde worden. Wat voorspeld is, zal vervuld worden. Dat is zeker en gewis. En nu is het bang omdat het niet bang is. We zien het voor onze ogen. Wij nemen het waar, neen niet alleen in de grote wereld, die mét God geen rekening meer houdt, en zich rijp maakt voor het naderend oordeel. Maar ook op het erf van Gods kerk, in onze eigen omgeving, in hart en huis. Het verval is zo groot en het neemt steeds groter afmetingen aan, maar er is geen stem, noch opmerking. We worden alles zo gewoon. We schikken onszelf in de toestand en er is geen smart over. Wij roeren het nog wel eens aan, maar het werkt niets uit en het brengt ons niet op de rechte plaats. We zien het in de kerk, een geest van onverschilligheid, verzet, belangeloosheid en grote onvruchtbaarheid. De waarheid wordt schier niet meer verstaan en om de grondslagen van de leer is er weinig bekommering meer. Als God het niet verhoedt, dan zal er straks een gedeelte mensen liever een zondagschoollesje horen, dan een doorwrochte predicatie, waarin de grondslagen worden blootgelegd en verdedigd en het leven Gods verklaard, omdat het niet meer begrepen wordt. Waar nu nog driemaal dienst is, zal een gedeelte er wel voor stemmen om het tweemaal te doen. En wellicht waar het tweemaal is, zal men straks vragen om eenmaal. Hoe langer hoe meer gaan verschillenden het kerkgaan tot eenmaal beperken. In sommige gemeenten behoort het nu tot "enkele uitzonderingen", maar ook te dien opzichte zien we met vrees de toekomst tegemoet. De waarheid doet zo weinig kracht meer op de consciënties, de verharding neemt hand over hand toe, en de godsdienst wordt meer en meer bijzaak. De taak van de ambtsdragers in Gods kerk wordt steeds zwaarder en moeilijker, omdat de „tijdgeest" meer en meer veld wint en het leven steeds losser wordt. En in onze gezinnen? Och, wat een diep verval. Meer te klagen dan te roemen. De zonde is een hellend vlak. Hier wat toegeven; daar wat door de vingers zien, ginds wat overstappen, dan weer oogluikend toelaten wat verkeerd is, in plaats van te bestraffen en te vermanen. Een andere tijd: om de vrede te bewaren, over de consciëntie heenstappen en zwijgen. Meer liefde tot onze kinderen dan liefde tot God. De vrijmoedigheid om aan te houden in het vermanen gaat meer en meer weg. En daar gaat het heen! Altijd oorlog in huis, dat kan toch ook niet. En altijd maar waarschuwen op de catechisatie, dat wordt toch ook zo ellendig. Elke zondag de zonde bestraffen op de preekstoel, dat maakt de mensen ook zo opstandig. Je wordt er zelf ook .moe van. Uiteindelijk dan komen wij tot het besluit: het is toch een stroom die niet te keren is. Maar wij beseffen maar niet genoeg, dat wij God er aan wagen en zelf al maar dieper wegzinken. Het ongenoegen Gods komt; de Heere verbergt Zijn aangezicht. In het houden van Gods geboden is groot loon; maar die God verlaat, heeft smart op smart te vrezen Psalm 32:5.

Och, waar zullen wij beginnen en eindigen! De oude paden zijn verlaten; afgeweken, afgedwaald en niet meer terug kunnen komen. Soms wordt er nog wel eens wat gezegd, maar de mens gaat door. En al is het met alle gebrek nog een weinig in de band, een mens moet tot God bekeerd worden. Straks wordt het eeuwigheid. En sterven gelijk wij geboren zijn, dat betekent voor eeuwig verloren, voor eeuwig onder Gods toorn en voor eeuwig van God gescheiden. De Heere Jezus heeft tot de Joden gezegd: Tenzij dat uw gerechtigheid overvloediger is dan der Schriftgeleerden, gij zult het Koninkrijk Gods niet ingaan. En ook die onvruchtbaarheid, onbekeerlijkheid, toenemende verharding, o wat drukt het weinig op onze zielen. Er moest wel een geschreeuw tot God opgaan, dag en nacht, maar och, het is alles zo stil. Het wordt alles zo een gewoonte, ook dat God Zich onttrekt van onze families en van ons geslacht.

Och, wat zou het een verandering geven in onze gezinnen als dat kindergeschreeuw nog eens vernomen werd. Dan zou de duivel wel boos zijn, maar het zou in onze gezinnen zulk een ander leven worden. Gods werk legt beslag, daar gaat wat van uit. Dan zou er niet veel meer te twisten zijn, of dit zonde is en of dat wel mag. Gods werk komt in de vrucht openbaar. Dan is er een haten en een laten van de zonde en een najagen van de gerechtigheid. Rechtvaardig kan de Heere ons overgeven, ook ons geslacht, ziende op al onze ontrouw en nalatigheid en verkeerde liefde. Ja, zien wij op onszelf, op onze biddeloosheid en behoefteloosheid, dan is er niet veel goeds te wachten. Als het van onze zijde komen moet, dan zal het wel kwijt zijn. Maar een weldaad, dat de Heere Zelf betuigd: Dit zij u bekend, o huis Israëls: Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijns groten Naams wil, opdat die verheerlijkt worde. O, dat het ons tot sterkte moge zijn, wat de dichter van de oude dag gezongen heeft in Psalm 105:5 (Datheen):
Want God gedenkt altijd genadig.
Aan Zijn verbond, hetwelk blijft gestadig.
En aan dat woord dat Hij heeft klaar
Toegezeid, en wil houden waar.
In 't duizendste geslacht dat leeft.
Zo Hij Abraham beloofd heeft.


Er zal een kerk blijven tot aan de afloop der eeuwen. O, dat wij met onze kinderen toch niet zullen wegzinken, maar opgehaald mogen worden, opgenomen en overgenomen in dat eeuwig Verbond, dat niet zal worden vergeten, Jesaja 50:5. Wat zou het een eeuwig Godswonder zijn, als God in Zijn soevereine genade nog bemoeienissen wilde maken en Zijn wonderen nog tot een gedachtenis stelde. Voor de Heere is niets te wonderlijk. Hij mocht Zijn arm nog eens ontbloten, en Christus verheerlijken in de harten van zondaren, die nooit naar Hem gevraagd en nooit naar Hem gezocht hebben. Waard zijn wij het niet, en verdiend hebben wij het ook niet, maar de Heere mocht het nog doen tot de eer van Zijn driemaal heilige Naam, en tot verhoging van al Zijn deugden. God geve getrouw makende genade, om in een wegzinkende tijd niet meegevoerd en vervoerd te worden met de stroom des tijds, doch bewaard te worden in de grote verzoeking, die over de gehele aarde komen zal. Dat de eer Gods voor ons boven alles staan moge, en de liefde van Christus ons moge dringen. Dan zullen wij niet afwijken, noch ter rechter- noch ter linkerhand, maar gesterkt door de armen van de Machtige Jacobs, in de waarheid wandelen, en die waarheid zal ons vrijmaken. Dat geve de Heere uit genade om Christus' wil.

Grand-Rapids, wijlen ds. W.C. Lamain.
Wat kinderlijk eenvoudig toch.
Het is waar, de waarheid wordt bijna niet meer gehoord. Maar zeg deze teksten uit eigen naam en men klaagt dat je twijfel zaait en mensen hun bekering afpakt....
Plaats reactie